Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
driġhedaeligh
driġhedaeligh
.
vandaogh, oft al iet eerdher, ervaore ick heur zyn in heur wezen;
dat beduut dat ick 't gheschrevene ock weder ende weder mot lese.
de woorde vorme somwijlen nije accoorde
.
ende wat ick hoorde en kende niet dieselve galm wederom,
maer den clanc die sinds ghesteren ende eerdher henen rende,
oft mi môrreghen al een ander geluut toespeelt.
.
ick vormde, al schetsende, een beeld met lichte- ende schaeuwelijnen,
jae driġhedaeligh, opdat de ziele krimpen ende uutdeinen can.
myn herte en is helaas niet machtigh dit in eenheyt t'samen te vatten;
dit inzicht heeft mi allengs vertraecht ende gheheelt.
Sachte wint
Sachte wint
In de sachte wint heur ick di,
ghij zijt d'r nog altijt,
nie zichtbaar vur mine ooghen,
mer voelbaor in alle tijt.
Verbonden in vervlogen daegen,
segght nie wat blieven zal;
ick zie dien warmen glimlach heden,
geliek een lichtval overal.
Mer starck is 't missen
in dit aordsche leven,
verbonden an vergankelijcke stont;
doch dankbaor, as grieze wolcken
zijn verdreven,
dat de liefde nie verlore en verstomt.
Van de eeuwighe roem
Van de eeuwighe roem
Wat ic worden sal?
Ic houde het cort.
Mine sterre sal rijsen.
Onaentastbaer op den hooghsten top.
Daer sal ic neder sien op u allen,
genietende van de vele sterren
die mi zijn voorgegaen
in het vallen.
Ghi bemerckt het reeds:
ic streef naer het hooghste.
Het sterckt mijn herte te weten dat ghi mij na mijn overlijdene niet vergeten en sult.
Nochtans...
so verre is het noch niet.
Wel is waer dat men lang heeft moeten zoeken eer men Vondel vond.
Daerom heette hi wellicht Vondel.
Men vond hem.
Ende bevond hem eene sterre.
Een gevallen sterre weliswaer,
maer toch eene sterre.
Want wat van den hemel valt
keert allicht weder op aerde.
Dat begrijpt een kind.
Nu meynt ghi vermoedelijck dat een vallende sterre iemand is die eerst stijght ende vervolgens ter aarde tuymelt.
Dat geschiedt seker.
De meesten verdwijnen ten langen leste in Hollandschen mest.
Daer bevinden zich reeds vele koeien,
vele varkens,
ende niet weinige dichters.
Het is een druk bevolckt gebied.
Selve mijnen buurman bewandelt het dichterspadt.
Weliswaer reeds vele jaren.
Ende meest op het Pieterpad.
Maer hij bewandelt een padt.
Dat valt niet te ontkennen.
Hij schrijft over brandnetelen.
Veel brandnetelen.
Een eerlijck onderwerp,
doch niet van dien aerd dat het de eeuwighe roem gewoonlijck dichterbij brengt.
Mijn vader saliger placht te segghen:
"Julius, indien ghi dichten wilt,
dan moet ghi grootsche werken verrichten."
Ende ic gehoorsaemde.
Ic kocht de kostelijckste vulpen.
Ic huurde een kamer onder het waeckende oogh van Simon Vinkenoog.
Ic verzamelde drank.
Ic verzamelde sjaggie.
Ic verzamelde slapeloose nachten.
Ende bovenal verzamelde ic kladblokken.
Vele kladblokken.
Zoo vele zelfs dat de Hema mi weldra als eene der voornaemste afnemers beschouwde.
Jarenlang ploeterde ic voort.
Vellen werden beschreven.
Stapels groeiden.
De wereld bleef onveranderd.
Doch dat mag een groot kunstenaer niet ontmoedigen.
Volgens den ouden regel moest ic vervolgens verdwijnen.
Daerom trok ic naer Parijs.
Ic werd clochard.
Dat hoort immers aldus.
Een dichter zonder ellende weckt wantrouwen.
Ic leefde van de milddadigheyd der passerende Hollanders.
Dat viel tegen.
Dikwijls schonken zij mij munten waarop nog een Juliaantje prijkte.
Daermede valt in eene eeuw van euro's moeijelijck te onderhandelen.
Derhalve wachtte ic geduldich.
De kenners zouden immers eenmaal verschijnen.
Zij zouden roepen:
"Dáár zit hij!
De lang verwachte Julius!"
Zij zouden mij redden uit de vergetelheyt.
Ende verheffen tot eene onsterffelijcke sterre.
In plaetse daervan verscheen de Fransche vreemdelingendienst.
Zij arresteerden mij.
Ende zetten mij het landt uyt.
Het verschil tusschen beide scenario's was niet gering.
Daerna werd ic postbode.
Ende, om de waerheyt te segghen,
het was voortreffelijck werk.
Nooit heeft een mensch meer woorden rondgedragen dan een postbode.
Waer ic verscheen,
snelden de menschen naer hunne brievenbus.
Men wachtte op mij.
Dat doet een mensch goed.
Zelfs een misluckt genie.
Ende wanneer ic eenmaal in den hemel verkeer,
sal wellicht iemand segghen:
"Weet ghi nog van dien ouden Julius?"
"Ja."
"Wat was hi dan?"
"Wel..."
"Hi had altijd iets mede te brengen."
Siet ghi wel?
Ghi zult mij na mijn dood toch niet vergeten.
🍂
Ghi zijt minder dan ghi meynt
Ghi zijt minder dan ghi meynt
Ic sie u.
Ja, u.
Ghi leest dese woorden ende weecht in uwe ghedachten of dese vertellinge enige vrucht sal dragen, oft dat vervelinge reeds aen uwe mouwen trekt.
Omdat dit over u gaet, zijt ghi nu plotselinge geheel aenwezig.
"Gaat Dreyfsandt iets sinrijcx segghen?" vraegt ghi u af.
"Hoe soude hi weten waer ic mede besigh ben?"
Welnu, dat sal ic u segghen.
Ghi leest.
Ende ic schrijf.
Dat is reeds meer wetenschap dan menigh gheleerde bezit.
Nu gaet er door uwe geest:
"Wat een onsin. Hoe soude die man weten wie ic ben?"
Maer juist daerin vergist ghi u.
Ghi zijt eenvoudigher dan ghi vermoedt.
Minder ingewikkelt dan uw spiegelbeeld u dagelijcx influystert.
Ende, vergeeft mi dese opmerkinge, mogelijk ook wat minder bysonder dan ghi hope te zijn.
Nu fronst ghi wellicht de wenckbrauwen.
"Terecht onsin," mompelt ghi.
"Ik ben immers geheel mij selven."
Dat klopt.
Maer alle andere menschen denken dat eveneens.
Reeds van uwe jonghe jaren af hebben opvoeders, meesters, ooms, tantes ende andere beroepsbemoeiaeren hun best gedaen om iets van u te maken.
Ende waerachtig:
iets zijt ghi geworden.
Maer laet ons bescheiden blijven.
Veel van uwe waerde ontleent ghi aen hetgeen ghi voor anderen beduydt.
In liefde.
In arbeid.
In vriendschap.
In dichtconste.
Of in het geduldig verdragen van vergaderingen.
Dat geldt echter evenzeer voor den buurman.
Ende voor den notaris.
Ende zelfs voor den wethouder.
Ook die meenen allen ietwat meer te zijn dan de werkelijkheid gewoonlijk toestaat.
Hierdoor begint uw selfsbeeld een weinig te schommelen.
Want indien de anderen zich vergissen omtrent zich selven, hoe groot is dan de kans dat ghi daervan verschoont blijft?
Niet seer groot, soude ic meynen.
Nu overweegt ghi misschien dese vertellinge neder te leggen.
Dat is uw volste recht.
Maer bemerk eens dat ghi nog steeds doorleest.
Dat verheugt mi.
Blijkbaar heeft de onsin u toch een weinig geraeckt.
Ende om eerlijk te zijn:
het is inderdaad grotendeels onsin.
Maer de menschheid heeft op dat gebied een rijke traditie.
Wij leeren veel.
Wij ontdekken veel.
Wij vergaderen zelfs nog meer.
Maer ten diepsten weten wij slechts eenighe dingen met sekerheyt.
Dat wij geboren worden.
Dat wij sterven.
Ende dat de koffie elders altijd beter schijnt dan thuis.
Tot uwe teleurstelling moet ic thans bekennen dat ic verre boven de menichte uytsteek.
Ja, ook boven u.
Ic hoor reeds uwe zuurachtige glimlach.
"Wat een opgeblasen ego bezit dese man."
Volkomen waer.
Daer hebt ghi mij betrapt.
Ic lijd daeraen sedert vele jaren.
Maer juist daarom ken ic u zoo goed.
Want onder de vernislagen van ijdelheyt, onzekerheyt, trots, hoop ende zelfbedroch zijn wij wonderwel gelijck.
Ghi zijt niet anders dan ic.
En ic?
Ic ben nauwelijks anders dan ghi.
Het Groote Raetsel van Julius
Het Groote Raetsel van Julius
Over de vraeghe of een mensch wel degene is die hi niet en is
Mine veranderlicke ghedachten
stellen selve mijn kaleidoscoop
voor een raetsel.
Ben ic dan toch
die ic niet en ben?
Julius Dreyfsandt, anno MMIII
Men heeft mij meermaels gezegd dat bovenstaende woorden niet licht te begrijpen zijn.
Dat verheugde mij.
Want wat zou anders het nut zijn van diepzinnigheyt indien zij onmiddellijk verstaan werd?
Zelfs ic, die dese woorden eertijdts heeft neergeschreven, bevond mij een jaer later in den toestand eener volslagen onwetentheyt.
Ic las.
Ic herlas.
Ic overlas.
En na den elfden keer begon ic te vermoeden dat zich hier een verschijnsel van bovenaerdschen aerd voordeed.
Op het eerste ghesicht vraagt den eenvoudigen lezer:
"Waer spreekt die man over?"
Een redelijcke vrage.
Ben ic soms een appel ende tezelfdertijt geen appel?
Ben ic Julius ende wederom niet Julius?
Ende wat heeft die kaleidoscoop hier mede van doen?
Men draait.
Men kijkt.
Men ziet nieuwe vormen.
Men draait wederom.
Men twijfelt aen alles.
Zelfs aen de draeyer.
Mijn psychiater geraeckte van deze questie bijkans hondsdol.
Regressiën werden toegepast.
Zielsdiepten onderzocht.
Herinneringen uitgewrongen.
Zelfs de baarmoeder werd in het onderzoek betrokken.
Doch sonder vrucht.
Ten langen leste riep men deskundigen bijeen.
Kenners van Shakespeare.
Meesters der Kaleidologie.
Professoren in Cryptogrammatiek.
Geleerden der Chaostheorie.
Ende zelfs de navolgers van Einstein wierpen hun licht op de saecke.
Doch hoe meer licht men wierp, hoe duysterder alles werd.
Toen besloot men ook een pastoor ende een paragnost te consulteren.
Alras werd men het over een saecke eens:
Julius kon dit onmogelijk zelf bedacht hebben.
Hier moest een hoogere macht in het spel zijn.
Bijbelteksten vlogen over tafelen.
De tafelen braken.
Nieuwe tafelen werden aengedragen.
Ook die raeckten beschadigd.
Men besloot dat eene meer professionele benadering wenschelijk was.
Derhalve stelde men een managementteam samen.
Hetwelck tegenwoordig de gebruyckelijke oplossing is voor alle problemen waarvan niemand begrijpt waerom zij bestaan.
De voorzitter werd gekozen uit de wereld der journalistiek, aangezien hi bewezen had de meest ingewikkelde saecken dermate eenvoudig voor te stellen dat zelfs de waerheyt er soms geen hinder van ondervond.
Ondertusschen gingen mijne sessiën bij den psychiater voort.
Het ziekenfonds betaalde.
Dat geeft de burger moed.
Daerenboven rook mijn zielsvorscher een toekomstig doctoraat.
Want naast de hoofdkwestie leed ic aen meerdere aandoeningen.
Zoo was daer de overschattingsdrang.
Dat is de neiging andere menschen, ende inzonderheyt schatjes, veel verstandiger te achten dan zij werkelijk zijn.
Voorts had ic een lichte vorm van balneurose.
Men weet dat men er twee heeft.
Men voelt er één.
Of juist andersom.
Ende ten slotte werd bij mij de zeldzame ziekte van Prospect vastgesteld.
Een dwangmatige behoefte om prospectussen ende folders bijeen te vergaren ende deze vervolgens aaneen te lijmen tot groote papiermassa's.
Dagen lang zaten wij met meskens ende vingers alles weder los te maken.
Mijn psychiater hielp dapper mede.
Geleidelijk naderde men een doorbraak.
Na jarenlang onderzoek ontdekte men dat wanneer een mensch jenever, cognac ende bier in zorgvuldig verkeerde verhoudingen vermengt, zulks nuttigt met een schimmelrijke Fransche kaes ende vervolgens den geheelen dag volhardt, er een oogenblick kan aanbreken waarop hi onweerstaanbaar wordt gedreven tot het staren in een spiegel.
Meestal op een toilet.
Dan ziet hi zijne weerspiegelinge.
En zegt:
"Ha Julius."
Of:
"Ha Metha."
Of:
"Ha Lia."
Waarop onmiddellijk de groote openbaring volgt:
"Neen."
"Dat kan ic niet zijn."
En aldus, waarde lezer, kwam de wetenschap eindelijk dichter bij mijn oude versregel.
Niet door wijsheid.
Niet door onderzoek.
Niet door management.
Maar door verwondering.
Want misschien is een mensch nooit geheel degene die hij denkt te zijn.
En gelukkig maar.
Anders zou er geen raetsel meer overblijven. 🍂
Aen den vijvere ende de hijghende menschen
Aen den vijvere ende de hijghende menschen
Ic sat aen den oevere van eenen vijvere ende liet mijn oghen dwalen over het stille water. De swanen trocken hare witte banen door de spiegelinge des lichts, sonder haeste, sonder bekommernisse. Hoogh boven al dit aerdsche gedoe stondt een reigher op den top eener geweltige boome. Hi scheen van steen gemaect, als hadde de tijt hem vergeten.
De zonne daelde langsaem ten westen, ende hare gloed spreidde eene ruste over water, boom ende herte.
Ic sloot de oghen ende liet mine ghedachten wandelen naer oorden daer geene menschen wonen ende geene vergaderingen worden gehouden.
Maer plotselinge werd ic opgheschrikt door hijghen dat van verre naderde. Niet langh daerna verschenen eenige lieden, rood van aensichte ende druypende van zweet. Zij snelden voorbij als waren alle duivelen des tijts haer op de hielen.
Mine oude soldatenzenuwen ontwaecten terstond.
"Wat nu weder?" dacht ic. "Is daer brandt, oorloghe oft eene ramp?"
Voor ic eenighe vrage konde stellen waren zij reeds verdwenen achter boomen ende struicken.
Toen den schricke weder uit mijn herte geweken was, erinnerde ic mi de dagen van den krijghsdienst. Ook wij holden destijts bepakt ende beladen door bosschen ende over heidevelden.
Waerheen?
Dat werd ons nooit gheopenbaert.
Misschien naer den vijandt.
Misschien van den vijandt af.
Misschien slechts in eene omtreckende beweginge, opdat de officieren niet zouden vergeten dat zij bestanden.
Terwijl ic hierop peisde hoorde ic weder een hijgher naderen. Deze bleef staen bij een reusachtigen boom ende begon met alle macht daerteghen te duwen.
Dat verwonderde mi.
Van nature begrijpt een man immers waerom een ander man achter eenen boom verdwijnt.
Maer dit was een ander bedrijf.
Hi duwde.
De boom bleef staen.
Hi duwde weder.
De boom bleef van gelijcken wille.
Ic trad nader.
"Waerde heer," sprac ic, "mocht ic vernemen waerom ghij tracht eenen boom van sijne geboorteplaetse te verplaatsen?"
De man sach mi ietwat verstoort aen.
Toen hi echter bemerkte dat ic geen belastinginner noch consultant was, antwoorde hi:
"Ic verrichte rek- ende streckoefeningen."
"Goh," seyde ic, "zijt ghij wellicht van de mindere middelen ende ontbreect u het gelt om lid te worden eener turnghilde? Zijn daer geene stedelijcke regelingen ter ondersteuninge?"
Daerop sach hi mi aen als een papegaey die onverwacht Latijn was begonnen te spreken.
"Neen," seyde hi. "Ic behoor tot de bovenmodale stande. Ic ben manager."
Dat woord alleen reeds deed mij een weinig eerbiedigh achterover leunen.
"Dan sal daer wel wijsheit achter steken," sprak ic. "Wilt ghij mij onderrichten in de conste des vruchteloosen boomduwens?"
De man ging op mijn bancxke zitten ende zweette parelen zoo groot als citroenen.
"Luystert," sprak hi. "Een boom die niet wijcken wil leert een manager veel. Vooreerst leert hi zweeten, opdat sijne meesters sien dat hi arbeidt. Ten tweeden leert hi gedult, want alle pogingen om het hoogher management te veranderen hebben omtrent dezelfde kans van slagen."
Daerop zwegen wij een wijle.
Toen vroeg ic:
"Ende die jongelingen die zooeven voorbij draefden, hooren die mede tot uwe gheselschappe?"
"Bedoelt ghij die met de woorden I AM A HORSE op hunne kleederen?"
"Dat moet ick hebben gemist," seyde ic. "Maer achteraf bezien hebt ghij ghelijck. Het was geen rennen maer draeven."
"Juyst," sprak hi. "Zij worden opgheset voor den stand van Blindt Peert, oftewel toekomstich middenkader. Men leert hen gehoorsaem luysteren, blind varen op de meerdere ende den juysten graed van slijmerigheyt ontwikkelen."
"Ende waerom draeven zij heden?"
"Om een devies te vinden voor eene nieuwe afdelingsstrategie."
Ic knikte zwaerwichtig.
"Ende weet ghij reeds wat daeruit voortkomen sal?"
"Natuurlijk," sprak hi glimlachende. "Een van de draevers is een vrient van mij."
Daerna stondt hi op.
"Dank u," seyde hi. "Ic heb mij in uw geselschap wonderwel ontspannen gevoeld."
Hi vertrock.
Ic richtte weder mijne blikke op den reigher.
De vogel deed niets.
Ende genoot van alles.
Hi krabde zich een weinig onder den rechter vleugel ende hervatte vervolgens zijn diepe beschouwing der wereld.
Ic dacht:
misschien is dat de hooghste vorme van management.
Niet het duwen tegen boomen.
Maer het stil zitten boven den rumoer.
Kort daerna naderde een ander gheluyt. Niet hijghen, maer kreunen.
Een man van omtrent mijne jaren strompelde voorbij.
"He vriend," riep ic. "Met welck doel begeeft ghij u aldus voort?"
De man schrickte.
"Ic tracht de jeugd bij te houden die hier passeerde," antwoordde hi. "Ic wil niet achter geraken."
Ic noodigde hem uit naast mij te rusten.
"Ziet ghij daer den reigher?"
"Ja."
"Die zit daer reeds uren. Hij ziet alle hijghers passeren. Nochtans heb ic niet den indruk dat hi achteropraakt."
De oude man knikte langzaam.
"Kom," seyde ic. "Draey een sjaggie van mij."
"Gaarne," hoestte hi.
En de reigher zweeg.
Gelijk alle ware wijzen.
Ghelucke
Ghelucke
Somtijts neemt eene bliede verruckinge mi in hare macht,
als 't licht hem selve plotselinc openbaert.
Ic worde dan al te ras vermeten
ende raep oude letteren op, in swert ende wit,
die ic eerdens op een andre wijse hadde ghebaert.
.
Niets en is schoonder dan dat het herte sneller slaet
ende vergheten crachten wederom opstaen.
Dan en sta ic niet stille bi den ghedachte
dat ic mi lichte laet bedrieghen;
gheluckich sal de werckelijcheit haer op tijt doen kennen.
.
Enfin, 't is kennelic mine wijse van leven.
Niet dat ic „himmelhoch jauchzend, zu Tode betrübt“ aenbide,
maer als mijn herte open staet om te ontfanghen ende te gheven,
dan voelt het
alsof ic in een tomeloes oogenblick van ghelucke verkeere.
.
.
(Goethe: „himmelhoch jauchzend, zu Tode betrübt“)
Teere zielerverlanghen
Ghij zijt in mij,
raekt mit dijnen lach mijn siel.
Ghij en cunt dat niet beletten,
een schoone blick en is immers vrij,
gaet deur mueren henen,
en laet sich niet besetten.
.
Ic ben in dij,
niet omdatter ghij dat wildet,
noch darum dat ghij daeromme sout vraeghen.
Ic weerkaetse in dijnen spiegel
een stucxken hemelsch blauw.
.
Somwijlen gaet het licht sijnen eyghen wegh,
en laet sich niet vanghen,
noch vermenghen mit dat ghene dat ic segghe.
Maer het begleydt ons wel
mit versoenende gesanghen.
.
Handen connen het niet grijpen,
dat onbegrepen zielerverlanghen,
miskennt deur aerdsche pijne.
Maer toch is het altoes daer,
het compt in dijn herte
als ooc in het mijne.
🌾
Leevend verleeden
Leevend verleeden
.
't is langh verleeden dè ik
nog woorden van heur ontfingh
nie dè zij mij toebehoorde
.
zij waor verbonden
en toch onghebonden
aon den meinsch
naor wien ik enkel nog zie
as ik in 't verleeden staor
zij, van wie ik allenghs
voortschrijdend inzichte ontvaor
.
zij,
't fier meiske van langh ghelejen,
waor ik seker nie vergheten
doch sommighe leeven verre wegh
op afstanden,
wel of nie te meten
.
toch woont zij plotselingh
efkes in m'n ghepeinsen
waorin 't beeld van un jung meinsch verschiendt
en ik herinner mij
hoe heur pril wysheid
de werkelijckheid
mit poëzie verzachten kinde
.
heur ziele vertrouwde zij
aon dien aanderen toe
al dan nie in woorden verbeeld
.
d'r waor iet tusschen
die twie herten
.
zij deelde
unne zachten zuchte
naor elkaander
.
D'n eenvoud van onz jeughd
D'n eenvoud van onz jeughd
.
in den winter van m'n jeughd
stonde de bloemen aon 't raom
als cunstwercken van de naoture
mer, 't mot gheseght,
veur dè inzichte kend' ik nog gheen naom
.
't waor wennen disse weeck mit vorst
en 't schrabben van de veurruut nie mier ghewoond
dan ouk nog den warmte-stande loagh in huus
efkes hadde den ouwen zwarten kolenkachel
zich tusschen m'n ghepeinsen ghemenghd
wij hadde doar toen mer ene in de keuken thuus
.
ik droegh unne dracht
waorvan den naom vervlooghen is
't waor den borstrok, ouk veur mansvolck,
un ghebreid onderhemd teghen de kouwe
soms hange d'r nog un paor in un museum
want ons opghewermde weder
hee heur verbannen
.
Oud en nuuj
Oud en nuuj
.
hoe dreugh waore m'n lippen
toen ik, ten langen lesten, dorstigh
van stoffighe wysheid proefde
.
tandeknersende viel
mijn weereldbeeld in duugen
toeghedect mit dreughe blaoren
.
ik zocht opnuuj,
ghelijck den meinsch is,
unne aandere schim
ik waor van m'n
scheppinge getuughe
en wilde wederomme
den einder verklaoren
.
Onsekerheyt
Onsekerheyt
.
afdrijven met een stroom
die stercker is dan ghij,
medegenomen worden
op een reyse,
alwaer de vrijheyt wort ingheperckt
deur een alomme dreighend virus
.
maect angsigh,
men raect van de wijs
ende gunt aen ontkenningh
haer deel,
.
selvs geweld coomt
opstandigh van stal,
deur boosheyt
uyt een dieper dal
.
de horizon schijnt
steets verder te ligghen,
gedachten raken verward,
het spoor bijster,
.
uyt-sichtloosheyt versmalt sich
ende wort,
soo men seght,
star
.
gheen mensche ontcoomt
aen overgave,
immers sijne selveredsaemheyt
vertoeft meest
in ijle lucht
.
doch om sich weder
aen eenigh selvertrouwen
te laven,
is saemhorigheyt vereyscht
als een helende vrucht
.
Naderbij
Naderbij
.
in alle boomen verbeelde ick mij
oock in talrijcke ooghen
plaetse ick u in mijne rij,
ick voele het overal
.
ghelijck in den sachten wint
deur uw frêele haer,
is het een illusie
na de val,
met daghdromen aen mijne zijde
ende des nachts
een swaer ghebaer
.
soo hebt ghij oock
de hande langs uwe dij,
maer reickt ghij mij
toch den andere?
.
ende wijl tacken
wijd haer suchten verdeelen
deur de ochtenddauwe
naer aschgrauwe luchten,
waerdeur ick geensins
eenighe lichtstraele aanschouwe
.
mijlen verre,
ende warmbloedigh naderbij,
roep ick al wuivende
naer de schauwe,
.
de spiegel coomt niet nader;
die was doorgaens
al wat schuw
.
Lenghte, Diepte ende Afstand
Lenghte, Diepte ende Afstand
.
Nu noch, soudt ghij segghen,
ghij coomt toch adem te cort
ghezien uwe jaren boven de seventigh,
soude ick mij enkel
tot behoudende dichten moeten richten?
.
oft op een verheven podium
eene voordracht nederstellen,
iets dat vertoeft
van haver tot gort,
alwaer ick bij den greep
rond den microfoon op de bühne
corte, verwonderende poësije
oft proza in de lenghte
tracht te pletten,
.
dat oock noch blijvend smaect
naer een eindelooze
chocolade Kwatta-reep,
ende een aura behoort te draghen
die de hoorders aan u doet boeyen,
.
als ick mijne woorden
sonder snoeyen,
ja, selfs als ickse luide doe loeyen
uyt een ghepassioneerde krater,
.
wijl mijn dichterlijcke schrijverije
thans stocqt in historie,
ende gelijckt op drijven
in vervuylt water,
.
ick schrijve niet meer over later,
ben ghebonden
aen mijne eyghen boeyen,
ende sta stil
wanneer weder een crisis
sich met den doorloop wil bemoeien.
.
Ja,
het woordelooze uyt-sicht
is in sicht,
de kimme is nabij
ende schuift niet op,
dat is wat de werckelijckheyt belicht.
.
Ick ben een man
van weinigh woorden,
niet van het eindelooze
kunstigh wercken,
.
ende richt mij eer
als een metselaer,
die in cort verband
tot sijne kerne moet beperken.
.
Ick hebbe mijne grense
voldoende toegelicht,
ende ben weder
op aerde ghelandt.
.
De omvangh van mijn werck
wort bepaald
deur de verkreghen ruymte
in de crante.
.
Ick stoei ende besinne:
is dit het pad
dat ick als schrijver
noch beminne?
.
Is dit het eynde,
oft een nieuw begin?
.
Gholvende Grense
Gholvende Grense
.
dualiteyt tusschen waer ende onweer
tusschen verstooten ende eyghen recht verweer
binnen oft buten, het trachten helpt
eene werelt te ontsluyten
.
is 't leven in d' overleveringhe
die van heden morghen hiet
oft woont men in kasteelen van karton
oft tusschen tochtighe muren,
't en can oock onder 't blauw gheschieden
met een glimlach in de zonne niet verre vliet
.
ademt men dan tusschen keuzen
ende leuzen van vergaderde levensbrocken
ghelijck een opgejaeghd mensche
.
in hoeverre can men een eyghen pad verkiezen
ende dat vertalen in eenighe kleuren van bestaen
die in gheest ende lijf zweven
van wensch naar grense
.
ende als gedreven deur de ziele
het zoekende pad begaen
.
In Memoriam
Blijven in Verdrijven
Schoonhèd laot heur nie gheraoke
't is stille
't is stille
.
inne stilte
wörd zichtbaar
wat zuver is
ik sprèèk nie van kilte
mar van ruste
in èèn woordloos gebaor
.
woelige stroomen
drijve noar de zee
woar ik in d'n ontluikenden kim
een groeiend vertrouw'n
omhooge zie komme
.
in die stilte
van rijzend genoegen
woar zànd en waoter
komme en gao'n
vertelt m'n ziele
da ebbe en vloed
mij altij al droege

