Naar de inhoud

Juliaanse Taal

seniorennet.beseniorennet.be

Wederrust

wederrust
.
stilte en is niet altoos
gevuld met leegte.
somwijlen
rust daarin een vrede,
zeldzaam van geboorte.
zij komt niet.
zij is er.
en voor men het weet
ligt zij over herte en gedachte
zonder geweld.
dan is er slechts
alleenzijn,
en een tevredenheid,
waarin de ziele,
zonder woorden,
gekust wordt.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

IN MEMORIAM Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

VOORZIJDE

✠


IN MEMORIAM


Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

onzen Karrie



Hij gingh ons voor,
ver voor.



1920 • 2006


BINNENZIJDE LINKS

Ter gedachtenisse

Het geschiede in die dagen dat den ouden Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm, onzen Karrie, de laetste bochte zijner wordinge genaderd was. Ende gelijk hem geheel zijn leven eigen geweest was, verkoos hij oock ditmael niet te wachten op den aengang der anderen. Hij en wilde niet achterblijven. Neen, hij gingh voor, ver voor.

Aldus verliet hij stilkens de werelt, gelijck een wandelaar die reeds aen gene zijde des heuvels verdwenen is, terwijl de achterblijvers noch hunne schreden tellen. Zelfs in zijne laetste ure bleef hij getrouw aen zijn spreucke. Wij mochten hem slechts geleiden tot aen het hecke. De laetste passen verlanghde hij alleen te gaen. Dat was zijn aert.

Karl was een man van verschijninge. Niet een die zich in de schaduwe verschool, maer een die gaerne voor de stoet uytgingh. Men zag hem eer men hem ontmoette. Bij fanfare, processie ofte andere plechtigheden was hij veelal te vinden daer waer het vaendel woegh ende de blikken der menschen samenkwamen. Hij droegh zijn ernst als een mantel ende zijn voorop-gaen als eene roepinge.

Dat neyginge tot vooraen te zijn scheen diep in het geslachte geworteld. Reeds de oudsten verhaelden van voorouders die hunne plaetse zochten nae den hertoghszetel ende nimmer achterwaerts zagen. Of zulcks een deughde ofte eene zonderlinge afwijkinge des herten was, daerover moghen de geleerden twisten. Karl zelf twijfelde er nimmer aen.

Voor zijne kinderen bleef hij veelal een gestalte aen den einder. Men zag hem gaen, doch zelden stilstaen. Alsof het leven een optocht ware ende hij belast met het openen van den weg.


BINNENZIJDE RECHTS

Misschien heeft hij daerom zoo weinig gesproken over zichzelven. Want wie gestadigh voorwaerts blikt, verliest licht het zicht op hetgeen achter hem leeft ende liefheeft.

Evenwel was hij een verzamelaar van kleyne wonderen. Suikerzackskens, uit verre oorden ende eenvoudige herbergen, vonden bij hem een toevluchtsoord. Zij waren de stille trofeeën zijner omzwervingen. Ende wanneer des avonds de cafeïne hem deed trillen als een blad in herfstewind, wist men dat wederom een dag met vrucht was verstreken.

Vrienden had hij weinig. "Ick heb geene behoefte aen meelopers," placht hij te segghen. Men kan hem moeilijk ongelijk geven; iemand die immer vooraen wil gaen, vindt achter zich slechts volgers. Dat is de eenzaemheyd van den voorlooper.

In zijn laetste jaren vond hij verblijff in het huys dat men De Laetste Hoop noemde. Hijzelf gaf daeraen een deftiger klank ende sprak liever van "De La Hoo". Daerin bleef hij dezelfde man: onveranderlijk, eigenwijs, een weinig grootsch, een weinig komisch, doch geheel zichzelf.

Nu is hij wederom voorgegaen, verder dan wij hem vermoghen te volgen. Wij staen noch aen het hecke, gelijk destijds, ende zien nae een weg die zich achter den nevel sluit. Daer gaet onzen Karrie, met vasten tred ende onbewogen aanschijn, den bocht om.

Moge hij ruste vinden in de stilte die hij verkoos.


ACHTERZIJDE

Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

onzen Karrie


20 september 1920
Vreeshoven

✠

20 november 2006
Sint-Vesteren



"Hij gingh ons voor, ver voor.
Ende oock nu wilde hij niet achterblijven."



✠

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:25 1 reactie Reageer op dit bericht

Beklemminge

Beklemminge

Langhs d'ackers
van schroom ende schuwe stille,
slenter ick
teghenwindsche stappen,
aerzelende om onghericht
in een verwarrede droem
te treden ende te verdwalen.

Neerwaerts
ghekeerde ooghen
beghrenzen als
beklemmende bundelen
van swart licht,
die meer ende meer
de ademende borst
omhaelen met stomme banden,

Totdat de knechtende gheest
de noch resterende
levenssaeden
heeft ghedorscht
ende verstroyt
in eenen dorren wederklank.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:00 Reageer op dit bericht

De Houwelyckswoordinge

De Houwelyckswoordinge
naer Roza, in Juliaanse taole

't Was na vele jaeren wederom dat ick genoodicht wierd tot een houwelycksfeest. Ende de wettelijcke verbondenisse geschiedde niet in een statigh huys, maer in een boerenschuere van een dorpe soo kleyn ende vergeten, dat de kaerte haer naeuwelex en kende. Doch dat en doet ter saecke niet veel af.

Naer den aert des landts had een yeghelijck sijn schoonste Sonendaechsgewade aengedaen. Men sach dat menige beurse mildelijck geopent was geworden om wel ten voorschijn te comen. Een vrouwe droech zelfs een wonderlijcke dracht, met leder om de borst gesleten, als ware sij uit eene verre stede overghewaeyt.

Ick en hadde daermede geene swaerigheyt, maer het moet beleden: eenige lichtveerdige ghepeinsen quamen daerdoor in mijn herte op. De vrouwe zelve scheen ten hooghste behaecht met haren tooi, ende dat mocht haer geensins misgunt worden. Reeds het dragen van stedsche mode is voor sommighen een daet van moed.

Daerna toogh men de schuere binnen. Men nam plaetse op bancken, die, soo men naederhand vernam, met stroo oft diergelijcke stoffe gevult waren. Het verclaerde terstont de warme ende broeyende locht die tusschen de menschen hing. Mijn naeste buerman overwoogh sijne schoenen uyt te trecken, doch wierd op het leste oogenblick van dat voornemen wederhouden. Met reden, want waer reeds warmte huyst, en behoeft men geene bykomende geuren.

Tot mijne verwonderinge bevond sich in den hoeck een sangeghezeltschap, dat onverwijlt pooghde een ghemeyne stemminge van liefden te verwecken. Ghy kent die liederen wel, die met soete woorden de herten bewegen willen, opdat niemant vergeten soude waerom men daer vergadert was.

De sangh klonck in de Engelsche sprake. Dit alleen al deed vermoeden dat hier geene alledaegsche dorpelingen vereent waren. Voornaeme lieden, soo dacht ick. Aen het zachte sniffen ende pinken der traenen kon men vernemen dat de woorden wel begrepen werden. Dat is niet onbelanckrijck, want wy gedenken noch de tijden dat wy Latijn songen zonder te weten wat wy eigentlijck beleeden.

De ambtenaeresse van den burgerlijcken standt, een vrouwe van statigh voorkomen, gaf somwijlen een korte uytleg aen hen die de Engelsche sprake minder machtigh waren. Aldus wist althans ick een weinig waer de sangh over handelen mocht.

Sij was gehult in een schoone toga. Hare bode was eenvoudigher gecleet. Dese droech een breeden glimlach ende een kleet dat mij deed twijfelen of het een kortebroeck ware. Het verschafte eenige afleydinge in de tusschentijden.

Het hooghste oogenblick voor bruyt ende bruidegom was natuurlijck het jae-woordt. Daeraen gingen vele pligtplegingen vooraf, gelijck den gebruycke eyscht. Doch wat mijn herte dieper raeckte, was de vader der bruyt, die sijne dochter binnentrad ende haer met sichtbaere ontroeringe geleydde naer den man die voortaan haer lotgenoot soude zijn.

Ick soude niet anders gehandelt hebben.

Nochtans ghint mijn gheest op een sonderlinge dwaelweg. Wanneer een vader een dochter als het ware overgeeft, vraeght een Hollandsch herte onwillekeurigh wat daer tegenover staet. Hoevele koeien, hoevele varkens, ofte, daer dese jongeling een backer bleek, hoevele brooden, taerten ende koeken in de toekomende jaeren haeren weg vinden naer het ouderlijk huys?

Dese onderhandelinghen moeten zwaer gheweest zijn, want het geschiedde in het Zeeuwsche landt. Meer behoeft hier niet geseyt te worden.

Daerby leefde het paer reeds geruymen tijdt te samen. Men kan dus niet segghen dat de bruyt als een onbeschreven blad het houwelyck binnentradt. Mijn Hollandsche rekengeest vroeg sich af wat sulcx met de denkbeeldige marktwaerde doen mocht. Ach ja, een mensch verloochent sijn afkomst niet licht.

Misschien dacht de vader wel: nu komt rust in huys, ende moghe de tijdt ons een nazaet schenken.

Want daer lagh de waere hope. Heeft dese jonge backer voldoende goede granen in huys om het geslacht voort te dragen? Aen de bekoorlijkheyt der bruyt soude het voorwaer niet ontbreken.

Men sprak troostend: ghy hebt er een schoonsoon bijgekregen. Doch een dochter die vertrect laat een ledigheyt achter die niet door woorde alleen gevult wordt. Niet dat den jongeman eenige schuld droegh. Hij was welgekleedt, hoffelijck ende voortvarende van aert. Maer de jaeren moeten eerst toonen wat in hem besloten ligt.

De voorlesinge der acte ende het wederzijds jae-woordt waren schier in vijff minuten voltrocken. Toch had de geheele plechtigheyt een veel ruymere tijt beslagen. Levensverhalen werden verhaelt, oude liefde ghedacht, ende de bode vergat zelfs een stondenlang dat het paer den acte nog onderteekenen moest.

Ick begon te begrijpen waerom sommige belastingen immer stijgen.

Doch het wonderlijckste moest noch comen.

Toen alles ten eynde liep, verhief de ambtenaeresse hare stemme ende sprak: "Dit is het eynde van het houwelyck."

Een stilte viel. Daerna rumoer. Men keek elkander aen. Sommigen meenden niet wel gehoort te hebben.

Later vernam men dat de vrouwe vermoedelijk door eigen levenssorgen bezwaert was geweesten ende in een echtscheydinge verkeerde. Misschien had een onbewuste gedachte zich een weg naer buiten gebaent.

Geluckigh herstelde sij zich spoedigh ende sprak:

"Dit is het eynde der houwelyckssluitinge."

Daerdoor viel alle ongerustheyt weder van de schouderen. Men verstond dat niet het houwelyck, maer slechts de plechtigheyt ten eynde gekomen was.

Ende soo verlieten wy de schuere.

Met een jong paer dat aen een nieuw leven begon.

Met een vader die ietwat verloor ende ietwat won.

Met gasten die den feestmaelt tegemoet gingen.

Ende met een glimlach om de wonderlijcke wegen waerlangs menschen trachten liefde, wet ende hoop in eenerhande uur te vereenigen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 16:20 Reageer op dit bericht

Nutteloos Ghejammer

Nutteloos Ghejammer

Het licht laet sich deesen dach onstuymigh toonen,
't was eertijts een verblijdinge voer het herte.
De sonne stemde den mensch tot vriendelijcke moede,
alwaer de schaduwe somwijlen weder week.

Nochtans en is de sonne niet altoes een seghen;
het weder gaet sijn eyghen weghen.
Schalks handelt het klimaat met den regen,
ende de opwarminge der aerde voert een venijnigh sweert.

Den homo sapiens, dat sijn wij alle te gader,
siende blindt ende hoorende doof.
Ick en weet het naeuwelijcx anders te segghen:
in het loof gewaren wij min ende min den Beminden Schepper.

Ick ende den andere en connen slechts hopen,
ende gelooven aen een wonder van boven.
Het schijnt onmogelijck den ingheslagen wegh te ontgaen,
maer oock ick hebbe mij door swackheyt ende verlokkingen
door menigh duvel laten bekokstoven.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 14:34 Reageer op dit bericht

Mijn schild ende betrouwe

Mijn schild ende betrouwe
.
Uytterlijck ghebeeldt
in lijvelijcke omheyninge,
in blinkende
plechtighe toghen,
.
Alwaer die Schoonheyt
haere stoffelijcke goetheyt
te sien gheeft.
.
Maer daerboven
viert een sachte glansinge
in uwe beyder ooghen,
als een stille wederklanck
van licht.
.
Zij spiegelt
den ongherijpelijcken wegh
naer dat woordelooze ghevoelen,
.
Alwaer liefdevolle herkenninge
het wederzydsche bestaen
tot eene hopevolle eenheyt
verzeghelt.
Schouder aen schouder
met datgene
wat uyte liefdevollen verwachtinge
reeds tot wordinge quam,
.
Ende oock met de draghende ghetuyghen
wilt ghijlieden elkanderen
het jawoord toezinghen.
.
In die eeuwigheyt
van een enkel ogenblick
stoc de tijt,
Doch het herte vraeghde
om blijvende zaligheyt,
ende luysterde reeds
naer haren wederklanck.
;🌾( Uit 2008, nu in Juliaanse taole/taal)
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 09:47 Reageer op dit bericht

In den Avond der Inkeere (nae den gheest van Baudelaires "Recueillement") ...

In den Avond der Inkeere

O mine ziele, com nu naderby,
ende sit in stille wordinge neder.
Den dach en heeft syn laetste glansen niet meer,
maer sijn schaduwe dwaelt al over veldt ende steden.
.
Siet hoe de avonde nederdaelt,
als een sachten sluijer over menschenherte.
Den eenen vindt ruste in sijn huys,
den anderen blijft dolen met sijn smerten.
.
Laet hen gaen, die den rumoere dienen,
die haesten in ijdel gewin ende begeerte;
wy en sullen hunne wegen niet volgen,
maer luysteren nae de diepe sprake van 't herte.
.
Want oock Weedomme, die getrouwe gheselle,
comt weder aen de drempel staen.
Niet als een vyandin van den mensch,
maer als eene die oude waerheden bewaeren kan.
.
Siet hoe de avondt hem uytvouwt
boven daken, velden ende verre stroomen;
hoe de soncke glorie der uren
langzaem wederkeert in droomen.
.
Ende als de nachte ten lesten daelt,
met hare mantelinge van duystere vrede,
so buigh u, mine ziele, sonder vreeze,
onder der tijden eeuwighe schrede.
.
Want al wat vergaet, heeft wederklank;
al wat verstilt, blijft voortbestaen.
Ende in den diepen grondt der stilte
wordt geene liefdekracht verloren gedaen
.

Een zelfstandige herschepping in Juliaanse taal
.
In den Avond der Inkeere
.
(nae den gheest van Baudelaires "Recueillement") ...

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 14:26 Reageer op dit bericht

Juliaanse herscheppinge nae William Shakespeare --- Silvia

Juliaanse herscheppinge nae William Shakespeare
.
"Silvia" by William Shakespeare
.
Wie is Silve?
.
Wie is Silve? Wie mochte sij wezen,
dat alle herders haer prijsen ende noemen?
Heylich is sij, schoon van aenschijn, wijs van herte;
de hemel heeft haer sulcke ghenade ghegheven,
opdat sij in verwonderinge soude bloeyen.
.
Is sij soo mild als sij schoon is?
Want schoonheyt woont nimmer alleen,
maer gaet hand in hand met goedertierenheyt.
De Liefde selve zoekt toevlucht in haer ooghen,
om zijne blindheyt te vergeten;
ende, gheholpen, blijft hij daer wonen.
.
Laet ons dan van Silve singhen,
want bovenmate blinckt sij uyt.
Sij overgaet al wat sterfelijk is,
dat op dese matte aarde zijn dagen slijt.
Brengt haer kransen van bloey ende geuren,
vlecht haer een kroon van lof ende stilte.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 20:25 Reageer op dit bericht

Druppelen

Druppelen
.
't Water in den meire glanst in lichter schijn,
gelijck sterrekens spelende in sprankelenden dans.
't Is de vroeghen zonne, noch niet van warmte,
die druppelen soect veur een gedicht.
.
Eene ente verheft haer schielijck van nabij,
verschrikt deur 't geritsel in het riet.
Haere vederen slaen een klappenden klank,
ende sij soect een stede in 't verschiet.
.
De ringen drijven 't water tot rimpelinge,
bewogen deur een sachte briese.
Doch den wederklank des vroeghen morgens verstilt,
oft ben ick selve die daervoor kiese.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 11:06 Reageer op dit bericht

Als ghij een lantschap waert ------ Juliaanse herscheppinge nae M. Vasalis)


Als ghij een lantschap waert
.
waor ik deurhenen gaon mochte,
dan soude ik somtyds stilstaon
ende luysteren
met open ooghen.
Ende ik soude my nederlegghen
op de aerde,
mijn aensicht tegen haer stilte,
ende geene woorden spreken.
Want niet alle ontmoetinge
vraagt een stem.
Maer noch meer
gelijckt ghij den grooten hemel
boven het lant.
Daor is ruymte
voor lichtinghe ende duysterte,
voor wolcken die komen
ende weder gaon.
Daor is ruymte
voor den vryen wind,
die geenen weg behoeft.
Ende somtyds
roert die wind mijn haer,
ende rust op mijn aensicht
ghelijck een zegen
die niet en vraagt
of zij ontvangen mag worden.
Hij komt.
Hij gaet.
Hij laet een wederklank.
Alsoo zijt ghij.
Niet om vast te houden,
niet om te bezitten,
maer om in te verblijven
als in een open vergezicht.
Ende mijn herte
vindt in uwe naebijheyd
een ruime stilte,
waarin niets beloofd wordt
ende nochtans
alles aenwezig is.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 20:12 Reageer op dit bericht

Uyt het Boecxken der Avondt-Wandelingen

Uyt het Boecxken der Avondt-Wandelingen

Van de Vlamme in de Pijpe ende de Stilte aen den Haven

Op eenen regenachtighen avondt wandelde ick door Heusden, die oude veste, omringht door wallen als sterren der aerde, met poorten die noch altijdt schijnen te waken over vervloghen eeuwen.

De straeten glansden van vocht.

De lantaernen wierpen hun neveligh licht over steenen ende gevels.

Ende ick sal u bekennen dat sulcke avonden den aert mijner ziele nae verwant zijn.

Niet om somberheyt.

Neen.

De menschen vergissen zich lichtelijck.

Want tusschen regen ende schemer woont eene stille poësie die men onder klaarblauwe hemelen niet altoos aantreft.

Het is de stemminghe van verre gedachten.

Van oude verhalen.

Van vragen die geen antwoord behoeven.

Soo slenterde ick over de ronde steenen der oude straeten, terwijl de lichten achter de vensteren op menige tafel nederdaelden als cleyne haerdvuren.

Daer waren oock de flikkerende kasten die men televisie noemt.

Maer ick verkoos die niet te herkennen.

In mijn ooghen waren het slechts schemerlampen van een sonderlinge soort.

Toen bereyckte ick de haven.

Daer lagh het water in stilte.

Booten verbleekten tot schimmen.

Een molen verhief zijn donkere wiecken tegen den avonddamp.

Ende aen den waterkant bevond zich een huys van vertoeven dat den eenvoudigen naem Havenzicht droegh.

Een naem soo voorspelbaer dat hij wederom schoon werd.

Ick trad binnen.

Het etablissement was naeuwelijcks bevolckt.

Achter in de ghelagkamer zat een gezette dienaer des huyses verdiept in een courant.

Hij verlangde niet nae gesprekken.

Ende ick verlangde al evenmin naer de zijne.

Dat scheen ons beyden een groot genoegen.

Ick nam plaetse bij het venster ende bestelde cappuccino.

Niet om den koffij alleen.

Maer om het chocoladepoeder dat als een zegen op het schuym nederdaelt.

Sommige liefden behoeven geene diepere verklaringhe.

Daerna kwam de stilte.

Niet de ledige stilte.

Maer de bewoonde stilte.

Die waerin water ademt.

Die waerin regen luystert.

Die waerin de tijdt vergheet voort te gaen.

Op den achtergront kloncken oude liederen des volks.

Smartlappen noemde men die.

Ick heb zulcke zanghen altijdt gunstigh gevonden.

Niet om de woorden.

Maer om den dampkring die zij verwekken.

Gelijk het knetteren van een verre kachel.

Gelijk het murmelen van menschen die men niet behoeft te verstaan.

Aldaer begon ick te peynsen.

Of liever:

ick hield op met denken ende liet de gedachten komen.

Want daertusschen bestaet een groot onderscheyt.

Toen nam ick de pijpe ter hand.

Ende stak haer aen.

De vlamme verscheen.

Cleyn.

Warm.

Tijdelijck.

Maer nimmer zonder beteekenisse.

Steeds wanneer ick een pijpe ontsteken zie, meen ick iets van het oude vuur des levens te aanschouwen.

Een huyselijcke vlamme.

Een vrienschappelijck licht.

Een wederklanck van vergeten haerden.

Terwijl de rook opsteegh, richtte ick mijn blik op de kop der pijpe.

Ende wachtte.

Niet op antwoorden.

Maer op gedachten.

Sommige verhieven zich met den rook.

Andere vervlogen daarin.

Beide lotgevallen zijn even eerbaer.

Op dat oogenblick dacht ick aen u, die dese woorden leest.

Wellicht zat ghy tegenover mij.

Niet in lichaem.

Maer in verbeeldinge.

Wij spraken niet.

Daertoe bestond geene nootsaecke.

Wij wisselden slechts nu ende dan een blik.

Soms vol beteekenisse.

Soms ledigh als een wolcke.

Maer meestal vergezeld van een milde glimlach.

Want menschen die de stilte beminnen, verstaan elkander veelal sonder woorden.

Toen hief de stemme van een zangeresse zich boven de muziek.

Zij songh van een oud kerckhof.

Ende onmiddellijk dwaelden mijn gedachten naer het oude Joodsche doodenveld bij ons in de buyrt.

Niemand quam daer nog.

Het onkruyd vierde daer zijn stille overwinninghe.

De graven lagen tusschen mos, schaduw ende vergeten namen.

Ende daer, ommuurt door steen ende tijdt, woonde de eeuwigheyt even stil als altijd.

Jaeren geleden had ick gedacht dat ick misschien bewaker van die rustplaetse worden kon.

Het scheen mij een schoone roepinge.

Te waken over stilte.

Te zorgen voor herinneringe.

Te wandelen tusschen namen die niemant meer uitsprack.

Maer nae rijpe overweginghe bleek dat dese weg mij niet gegeven was.

Niet uit gebrek aen genegenheyt.

Maer wegens gebrek aen papieren.

Soo besloot de Schepper, naar het scheen.

Ende wie ben ick om langh met Hem te twisten?

Nochtans bleef een weemoed achter.

Een zachte weemoed.

Niet scherp genoeg om wondt te heeten.

Niet licht genoeg om te verdwijnen.

Een weemoed die sindsdien een kamer in mijn herte bewoont.

Toen de laetste druppel cappuccino verdwenen was, rekende ick af.

In stilte nam ick afscheid van mijn onzichtbaren tafelgenoot.

Van u dus.

Daerna verliet ick het huys.

Door den regen wandelde ick weder naer mijn vervoermiddel, dat buiten de wallen geduldigh stondt te wachten.

Ende achter mij bleef de haven liggen.

Met hare schimmen.

Hare lichten.

Hare regen.

Ende de laetste wederklanck eener vlamme in een pijpe

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:58 Reageer op dit bericht

Uyt de Kronijcke der Polder-Raeden

Uyt de Kronijcke der Polder-Raeden

Hoe het Nieuwe Liedt des Volcx geboren wert

In die dagen kwam onder het volck een murmelinghe op, dat weinigh zielen noch het oude Wilhelmus ten volle kenden. Ende waerlijck, menighen neuriede wel den wijzen gangh der melodije, maer verdwaelde reeds in den eersten versregel tusschen Nassau ende andere landouwen die hij nimmer hadde aanschouwd.

Daerom wierp ick, niet sonder eenige roekeloosheyt, den knuppel in het hoenderhof.

Ende siet:

een groot geluydt verhief zich.

Kakelinghen.

Gackelen.

Verontwaerdighde vleugelslagen.

Soo veel rumoer ontstondt dat men besloot eene Polder-Raed bijeen te roepen, opdat de vrede wederkeeren mocht.

Tot den Raed verschenen:

Oom Arie uyt de Jordaan.

Karel den Visscher van Feyenoords contreyen.

Henri de Geule uyt Maastricht.

Mannen van groot aensien in hunne eygene herbergen.

Ende aengesien geen vergaderinghe sonder voorzitter bestaen kan, werd ick belast met den hamer ende de leidinghe.

Alhoewel er dien avondt meer knopen over de tafel gingen dan er werden doorgehakt.

Want uyt ieder bier ontspruyten nieuwe knopen.

Dat leert de ervaringhe.

Het polderwater steegh somwijlen soo hoogh dat men de vergaderinghe naeuwelijcks boven water vermocht te houden.

Voor de laetste bijeenkomst binnen Maastricht werden zelfs zandtsacken rondom het vergaderhuys geplaatst, opdat niemand verrast zoude worden door een onverhoedse vloetgolf van overleg.

Toen eyndelijck de beslissende stemminge aenbrack, bevonden de heeren zich in een staet van verruymde inzichten.

Een toestand die veelal ontstaet wanneer lange beraedslaginghen worden afgewisselt met voortdurende bevochtiginghe der keel.

Maer de gastvrijheyt van Maastricht is van oudsher een deugd.

Men wist dat bedden voorhanden waren.

Ende aldus verloor de nacht hare gevaren.

Voor mij bleek zulcks een gunstigh gesternte.

Met behulp van eenige glaeskens, enkele ronden bier ende de welwillende vermoeidheyt der vergaderinghe gelukte het mij mijn voorstel door de Raed te doen aannemen.

Men noemt zulcks democratie.

Of ten minste een harer neven.

Kort daerna liet de Rijcx-Voorlichtings-Dienst in omfloerste woorden weten dat Hare Majesteyt geenszins wenschte dat de melodije gewijzigd zou worden.

Dit opdat de ouderlingen des landsch in stilte hun verdwijnende herinneringen konden mede-neuriën.

Daerom bleef de wijze ongeschonden.

Alleen de woorden werden vernieuwd.

Soo werd het eerste ware Volcx-Liedt geboren.

Geen oude helden.

Geen stoffighe geschiedenissen.

Geen vorsten op verre paarden.

Maer woorden recht uyt de herberge, geboren tusschen schuym, pijpenroock ende vaderlandsche dorst.

Tot de groote openbaeringhe werd besloten dat de Koninklijcke Fanfare der Polderschuyten van Waterswoude ende het Gereformeerde Gemengde Sangh-Collegie Jubilate Gladiolus tot Slaphorst het liedt aen het volck zouden voordragen.

En toen de groote dagh gekomen was, zaten duizenden voor hun kijkkasten.

De vaendels wapperden.

De glazen stonden gereed.

De fanfare blies.

Het koor kuchte.

Ende onder een stilte die de natie zelden gekend had, verhief zich het nieuwe liedt:


Me Soethout Als Gheweyr

Soo soet als een droppelken, een lollie uyt den busse, gij sijt mijn feyne moppelken, ick geef u eenen kusse.

Geen meyt en geeft mij andacht soo kleefsaem keer op keer, wie hadde dat ghedroomt, met soethout als gheweyr.

Waer feyn is dese romanse, geluck mijn innich deel, gij zijt een bruydt met kansen, gij zijt mij al te veel.

Een leven langh vol kinderen, met byslagh in den sack, uw boezem zij mijn pylaeren, mijn dagelijcx gemack.


Toen het liedt verstomde, bleef het eenige oogenblikken stil in het rijcke.

Men luisterde.

Men fronste.

Men dronk.

Men luisterde weder.

Ende daerna verklaerde een groot deel des volcx:

"Het is misschien dwaesheyt."

"Maer het klinkt als ons."

Ende aldus werd besloten dat de onderneminghe als een matigh succes beschouwd mocht worden.

Langh leve Nederlandt.

Langh leve Oranje.

Ende langh leve het overleg, dat zelfs uyt drie vaten bier een volksliedt vermag te brouwen. 🍺📜👑

Geef uw feedback over BizChat

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:55 Reageer op dit bericht

Uyt den boecxe der vergeten droominghen (prosa)

Uyt den boecxe der vergeten droominghen

Hoe de groote droom der Etalurgie in scherven verviel

In die daeghen der eerste wordinge, doe het herte noch lichtelijk werd verlockt door alle dat verre ende wonderlijck scheen, en wist ick geene droomen van vlieghconste noch van brandspuyten. Andere jonghelingen plachten hun ooghen te richten naer de locht, daer waer de groote voghelen van yser hunne schaduwen trocken over de velden.

Maer mijn gheest en volgde die banen niet.

Eer bleef hij toeven tusschen postzeghelen, cleyne vensterkens op onbekende rijcken, waer uyt vreemde namen ende verre landen als stil ghefluyster oprezen.

Daerom en was het niet beschoren dat ick eens de wolcken soude doorsnijden noch de vlammen bestrijden.

Want noch mijn gestalte, noch mijn verstant op de schole gaf te kennen dat sulcx in de boecken der voorbeschickinge geschreven stond.

Soo wandelde ick voort door de nevelen der ongewisse wordinge.

Bleeck van aenschijn.

Sober van wezen.

Met een brilleken dat meer twijffel dan aansien verleende.

Ende de dagen ghinghen voorby gelijck water onder een brugghe.

Tot op eenen morgenstondt een woordt nederdaelde.

Niet met gedruysch.

Niet met trompetten.

Maer gelijk een sonnestrael die onverwacht een besloten vertrek binnendringht.

Etaleur.

Ick hoorde het.

Ick herhoorde het.

Ick liet het in mijn binnenste wederklinken.

Etaleur.

Als ware het een benaminghe uyt een vergeten gilde.

Als ware het de roepe eener bestemmelinghe.

Ende siet:

het herte verhief zich.

Want etaleren is geene gewone neringhe.

Neen.

Het is de stille conste der verlokkinghe.

De kunst om het oogh te voeren waerheen het niet van selfs soude gaen.

De gave om verlangen te doen ontstaen naer datgene waeraen niemant een oogenblick te voren gedacht hadde.

Sulcke conste wort niet alleene met handt ende oogh bedreven.

Zij woont oock in de verborgen gaenghen des menschenherte.

De eene noemt haar wijsheit.

De andere noemt haar bedroghe.

Maer tusschen beyde namen woont dikwijls de waerheyt.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:43 Reageer op dit bericht

Als 't bladt noch groenigh kleurt

.
Als 't bladt noch groenigh kleurt
en de tijt zijn trager ringen trekt,
tel ick meer de morghenstonden
dan de daghen die ick overwinne
op het verschiet van 't licht.
.
Dan zie ick klaerder
deur den nevel der jaren heen
de stille schoonheyt
van elck vrouwelijck verschijnsel,
gelijck een blom die haer gheur
niet en verberght.
.
Al noemt men mij een oudt ghewant,
een herte dat reeds nederwaerts keert
naer d'aerde die ons allen wacht,
doch binnensmonds glimlach ick:
.
"Wacht slechts,
tot oock uw glans
den roest der tijt verneemt,
en uw gespannen vleesch
de aderen openbaren sal."
.
Maer de bloemen
moeten niet te vroegh verwelcken;
dat zij gheseyt.
.
Ghy draeght noch immer
den geur van meer dan heden,
en uw gangh heeft noch den klank
van een onrustigh wonder.
.
Alleen ontbreect mij somtijts
de adem van weleer
om de vreughde der jeught
noch gulzig te omhelzen.
.
Want zij wordt jaerlijcx meer
in de luwte der vergetene droomen
te ruste gheleydt,
.
waer hare wederklancken
noch even luysteren
in het duyster van mijn herte.
.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 12:45 Reageer op dit bericht

Op wegh naer d'eyndelooze...

.
Ick verpoose niet meer
in diepe gedachtegangen.
.
Zij glijden als avonddampen
over het veldt
en lossen op in verre lucht.
.
Thans slingert een vierend touw
door de ruimten mijner dagen,
of een verre veere
draeght mij traegh
deur verleden landtschapen:
.
deur toegevallen wonden,
deur uren van weelde,
deur de vensteren der begeerten
en de tranen van weleer.
.
Soo gaet de dagh voorbij
in wordinge en vervloeyinge,
.
in een weinig zijn
en vele droomen
die zichzelf herscheppen.
.
Nochtans is niet gheseyt
dat de doot reeds
haere handt naer mij uitstreckt.
.
Misschien is alles eerder
een ontbindinge der omhulsels,
.
waerin de werckelijckheyt
langsaem ontwaeckt,
.
en de vrijheyt
van nu voortaan
alles vanzelf laet komen.
.
Dan wordt vragen
een luysteren,
.
en behoeft de wegh
niet meer gheduydt te worden.
.
Dan gaet het ademen
lichtelijk voort
langs onverharde paden,
.
en voel ick geen noodt meer
de antwoorden te doen klinken,
.
maer slechts den geest
van ballast te ontladen.
.
Ick verpoose niet meer
in diepe gedachten.
.
Ick weet slechts
dat eens de nacht
mij zal omvangen.
.
En of de morghen wederkomt,
.
dat blijft een hope,
een aerdsche weerklank
in het herte
dat noch altijdt verwacht.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 12:22 Reageer op dit bericht

Prometheus ----- Eene Juliaanse herscheppinge nae Goethe

Voorwoort
.
Uut den oorspronckelijken zangh bleef niet den letter, maer eene gloet bewaert: het besef dat den mensch sijnen wegh niet slechts ontfanght, maer oock in sijn eyghen herte vindt.
.

Daerom zij dit gelesen als:
.
Eene Juliaanse herscheppinge nae Goethe. 🌾
.
Wat hier volgt en wil Goethe niet wedergeven, maer luysteren naer eenen wederklank tusschen Prometheus ende de Juliaanse taole. Uut Goethe's Duitschen zangh ontsproot dese herscheppinge.

Prometheus
Eene Juliaanse herscheppinge nae Goethe
.
Daerom zij dit gelesen als:
Eene Juliaanse herscheppinge nae Goethe. 🌾
.
Boven der wolcken
zocht ick.
Onder den zonnebrand
zocht ick.
In den hooghen glans
zocht ick.
Maer gheen stemme
quam.
.
Gheen oor
luysterde.
Gheen herte
antwoorde.
.
Doe keerde ick weder.
Niet verre.
Doch inwaerts.
Daer,
onder lagen van tijt,
onder assche
ende vergetelheyt,
bleef een gloet
bewaert.
.
Niet van goden.
Niet van heerschappije.
Niet van den dagh.
Noch van den nacht.
.
Maer een gloet
die van selfs
in mijne diepte rustte.
.
Ende luysterende
vernam ick haer.
.
Ende vernemende
volchde ick.
.
So wert de wegh.
Niet gegeven.
Niet bevolen.
Niet geschoncken.
.
Maer geboren.
Ende al wat ick wert,
wert uut die gloet.
.
Ende al wat ick verlies,
valt weder
in haren schoot.
.
Daerom en vrage ick niet.
Daerom en wachte ick niet.
.
Want die in sijn herte
den wederklank verneemt,
heeft reeds een wegh.
.
Ick en hef gheen bede
tot den hooghen.
Noch twist ick
met den hemel.
.
Want wat in mij
tot wordinge dringt,
en vraagt gheen toestemming.
.
De tijt
heeft haren gangh.
.
Het lot
sijne schreden.
.
Maer diep
onder der dingen schijn
waect een stilte,
ouder dan vreese,
ouder dan hope.
.
Daer rust
de onvernoemde gloet.
.
Niet gebiedende.
Niet verbiedende.
Maer zijnde.
.
Ende gaende
wordt den mensch
tot datgene
wat in hem besloten lach.
.
Niet door gunste.
Niet door macht.
Maer door getrouwe
aen het innerlijck gheheim.
.
Alsoo sit ick
onder den avondhemel.
.
Den windt
gaet deur het veld.
De wolcken
drijven haren wegh.
.
Ende in mijn herte
blijft de gloet.
.
Gheen stemme
quam neder.
.
Maer de wegh
wert geboren.
.
Ende die wegh
gae ick.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 00:00 Reageer op dit bericht

. Blaren vallen alle jaren

.
Blaren vallen alle jaren
.
Blaeren vallen alle jaren,
ghelijck de tijden wederkeeren.
In dit nu, daor ick nog toeve,
gaet mijn verledene mij voor.
De smalle dreve der ghedragen hope
slinghert tusschen mensch ende dier,
tusschen aerde ende hemelsch licht;
daer gaet de levensloope.
.
't Gaet ghelijck het gaet.
Hoevele keeren kiest ghij,
ofte ick, den weg?
Siet ghij het komen?
Wij dwalen immers altoos
in droomen,
of in den roep
dien ick gestadigh hoor.
.
Wederom verschuyve ick de stoelen.
Sal ick eene doen verdwijnen
om de ledighte te verzachten?
Of wassen dan de afstanden,
waermede men eenzaemheyt noemt?
.
Het tafelblad bewaert zijn maete,
rotsvast ende broos te gaeder.
En als ick dit houten autaer decke,
is het een stille omgangh
van herte tot herte,
of een hecke
met prikkeldraed?
.
Ach, ick weet het,
ghelijck eenieder weet.
Veel komt u te gemoet
langs den weg der dagen,
maer meer nog laet ghij achter
in de wordinge der tijden.
Dat is de wet
van het slijtende gewaed.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:09 Reageer op dit bericht

Knus

Knus

.

Graeuwgetinte heuvelen

teekenen haer wederklank

op de ruiten

van mine deursonckamer;

al is den somer

reeds verre op sijnen wederkeer,

ende den dach allenghs meer bekort,

noch ligt het stof

klaer ende onverborgen

op den vinylen vloer

ende het dressoir

.

de hooghe zetelen hebben,

door octoberlicht beschenen,

niets harer waerdigheyt verloren;

het gobelijn bloeyt

als hadde het eerst heden

sijn lente gevonden

.

alhoewel de zittinge

tot het verleden behoort,

vermag dese weelde

mi noch immer te bekoren;

ende ic,

nae mine aert,

vertoef in stille,

achter vertrouwde begonia's,

en staar

naer een buyten

vol klinkers

ende zwijghende wordinge.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 10:38 Reageer op dit bericht

Ghevleughelde snaren

Ghevleughelde snaren

.

Ghy straelt mi toe

in gracieuse lijnen omfloerst,

ende gaet in schaduwighe verwe

als een stille verschijninge

uw sprenckelende geuren

.

daervan en weet ic niet meer

dan dat ic begeere

dat sij in mi souden wonen

.

uw inghetoghen bekoorlyckheyt

geeft oogen vol betoveringhe,

ghedragen in een teederen tred

.

de kaecklijn,

somtijts met haren overschaduwt,

doet mi in 't herte roeren

ende boetseert beeltenissen;

schoonheyt wort in mi gheweckt

.

een sachte stemme

vercleurt het licht uwer siele,

dat verhaelt

van breekbare voelbaerheyt

.

uw aensicht doet verwonderen,

als waert ghy

tot mi gheleyt

.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 10:37 Reageer op dit bericht

Meer van Juliaanse Taal

↑ Terug naar de berichten