Van de eeuwighe roem
Wat ic worden sal?
Ic houde het cort.
Mine sterre sal rijsen.
Onaentastbaer op den hooghsten top.
Daer sal ic neder sien op u allen,
genietende van de vele sterren
die mi zijn voorgegaen
in het vallen.
Ghi bemerckt het reeds:
ic streef naer het hooghste.
Het sterckt mijn herte te weten dat ghi mij na mijn overlijdene niet vergeten en sult.
Nochtans...
so verre is het noch niet.
Wel is waer dat men lang heeft moeten zoeken eer men Vondel vond.
Daerom heette hi wellicht Vondel.
Men vond hem.
Ende bevond hem eene sterre.
Een gevallen sterre weliswaer,
maer toch eene sterre.
Want wat van den hemel valt
keert allicht weder op aerde.
Dat begrijpt een kind.
Nu meynt ghi vermoedelijck dat een vallende sterre iemand is die eerst stijght ende vervolgens ter aarde tuymelt.
Dat geschiedt seker.
De meesten verdwijnen ten langen leste in Hollandschen mest.
Daer bevinden zich reeds vele koeien,
vele varkens,
ende niet weinige dichters.
Het is een druk bevolckt gebied.
Selve mijnen buurman bewandelt het dichterspadt.
Weliswaer reeds vele jaren.
Ende meest op het Pieterpad.
Maer hij bewandelt een padt.
Dat valt niet te ontkennen.
Hij schrijft over brandnetelen.
Veel brandnetelen.
Een eerlijck onderwerp,
doch niet van dien aerd dat het de eeuwighe roem gewoonlijck dichterbij brengt.
Mijn vader saliger placht te segghen:
"Julius, indien ghi dichten wilt,
dan moet ghi grootsche werken verrichten."
Ende ic gehoorsaemde.
Ic kocht de kostelijckste vulpen.
Ic huurde een kamer onder het waeckende oogh van Simon Vinkenoog.
Ic verzamelde drank.
Ic verzamelde sjaggie.
Ic verzamelde slapeloose nachten.
Ende bovenal verzamelde ic kladblokken.
Vele kladblokken.
Zoo vele zelfs dat de Hema mi weldra als eene der voornaemste afnemers beschouwde.
Jarenlang ploeterde ic voort.
Vellen werden beschreven.
Stapels groeiden.
De wereld bleef onveranderd.
Doch dat mag een groot kunstenaer niet ontmoedigen.
Volgens den ouden regel moest ic vervolgens verdwijnen.
Daerom trok ic naer Parijs.
Ic werd clochard.
Dat hoort immers aldus.
Een dichter zonder ellende weckt wantrouwen.
Ic leefde van de milddadigheyd der passerende Hollanders.
Dat viel tegen.
Dikwijls schonken zij mij munten waarop nog een Juliaantje prijkte.
Daermede valt in eene eeuw van euro's moeijelijck te onderhandelen.
Derhalve wachtte ic geduldich.
De kenners zouden immers eenmaal verschijnen.
Zij zouden roepen:
"Dáár zit hij!
De lang verwachte Julius!"
Zij zouden mij redden uit de vergetelheyt.
Ende verheffen tot eene onsterffelijcke sterre.
In plaetse daervan verscheen de Fransche vreemdelingendienst.
Zij arresteerden mij.
Ende zetten mij het landt uyt.
Het verschil tusschen beide scenario's was niet gering.
Daerna werd ic postbode.
Ende, om de waerheyt te segghen,
het was voortreffelijck werk.
Nooit heeft een mensch meer woorden rondgedragen dan een postbode.
Waer ic verscheen,
snelden de menschen naer hunne brievenbus.
Men wachtte op mij.
Dat doet een mensch goed.
Zelfs een misluckt genie.
Ende wanneer ic eenmaal in den hemel verkeer,
sal wellicht iemand segghen:
"Weet ghi nog van dien ouden Julius?"
"Ja."
"Wat was hi dan?"
"Wel..."
"Hi had altijd iets mede te brengen."
Siet ghi wel?
Ghi zult mij na mijn dood toch niet vergeten.
🍂