Aen den vijvere ende de hijghende menschen
Ic sat aen den oevere van eenen vijvere ende liet mijn oghen dwalen over het stille water. De swanen trocken hare witte banen door de spiegelinge des lichts, sonder haeste, sonder bekommernisse. Hoogh boven al dit aerdsche gedoe stondt een reigher op den top eener geweltige boome. Hi scheen van steen gemaect, als hadde de tijt hem vergeten.
De zonne daelde langsaem ten westen, ende hare gloed spreidde eene ruste over water, boom ende herte.
Ic sloot de oghen ende liet mine ghedachten wandelen naer oorden daer geene menschen wonen ende geene vergaderingen worden gehouden.
Maer plotselinge werd ic opgheschrikt door hijghen dat van verre naderde. Niet langh daerna verschenen eenige lieden, rood van aensichte ende druypende van zweet. Zij snelden voorbij als waren alle duivelen des tijts haer op de hielen.
Mine oude soldatenzenuwen ontwaecten terstond.
"Wat nu weder?" dacht ic. "Is daer brandt, oorloghe oft eene ramp?"
Voor ic eenighe vrage konde stellen waren zij reeds verdwenen achter boomen ende struicken.
Toen den schricke weder uit mijn herte geweken was, erinnerde ic mi de dagen van den krijghsdienst. Ook wij holden destijts bepakt ende beladen door bosschen ende over heidevelden.
Waerheen?
Dat werd ons nooit gheopenbaert.
Misschien naer den vijandt.
Misschien van den vijandt af.
Misschien slechts in eene omtreckende beweginge, opdat de officieren niet zouden vergeten dat zij bestanden.
Terwijl ic hierop peisde hoorde ic weder een hijgher naderen. Deze bleef staen bij een reusachtigen boom ende begon met alle macht daerteghen te duwen.
Dat verwonderde mi.
Van nature begrijpt een man immers waerom een ander man achter eenen boom verdwijnt.
Maer dit was een ander bedrijf.
Hi duwde.
De boom bleef staen.
Hi duwde weder.
De boom bleef van gelijcken wille.
Ic trad nader.
"Waerde heer," sprac ic, "mocht ic vernemen waerom ghij tracht eenen boom van sijne geboorteplaetse te verplaatsen?"
De man sach mi ietwat verstoort aen.
Toen hi echter bemerkte dat ic geen belastinginner noch consultant was, antwoorde hi:
"Ic verrichte rek- ende streckoefeningen."
"Goh," seyde ic, "zijt ghij wellicht van de mindere middelen ende ontbreect u het gelt om lid te worden eener turnghilde? Zijn daer geene stedelijcke regelingen ter ondersteuninge?"
Daerop sach hi mi aen als een papegaey die onverwacht Latijn was begonnen te spreken.
"Neen," seyde hi. "Ic behoor tot de bovenmodale stande. Ic ben manager."
Dat woord alleen reeds deed mij een weinig eerbiedigh achterover leunen.
"Dan sal daer wel wijsheit achter steken," sprak ic. "Wilt ghij mij onderrichten in de conste des vruchteloosen boomduwens?"
De man ging op mijn bancxke zitten ende zweette parelen zoo groot als citroenen.
"Luystert," sprak hi. "Een boom die niet wijcken wil leert een manager veel. Vooreerst leert hi zweeten, opdat sijne meesters sien dat hi arbeidt. Ten tweeden leert hi gedult, want alle pogingen om het hoogher management te veranderen hebben omtrent dezelfde kans van slagen."
Daerop zwegen wij een wijle.
Toen vroeg ic:
"Ende die jongelingen die zooeven voorbij draefden, hooren die mede tot uwe gheselschappe?"
"Bedoelt ghij die met de woorden I AM A HORSE op hunne kleederen?"
"Dat moet ick hebben gemist," seyde ic. "Maer achteraf bezien hebt ghij ghelijck. Het was geen rennen maer draeven."
"Juyst," sprak hi. "Zij worden opgheset voor den stand van Blindt Peert, oftewel toekomstich middenkader. Men leert hen gehoorsaem luysteren, blind varen op de meerdere ende den juysten graed van slijmerigheyt ontwikkelen."
"Ende waerom draeven zij heden?"
"Om een devies te vinden voor eene nieuwe afdelingsstrategie."
Ic knikte zwaerwichtig.
"Ende weet ghij reeds wat daeruit voortkomen sal?"
"Natuurlijk," sprak hi glimlachende. "Een van de draevers is een vrient van mij."
Daerna stondt hi op.
"Dank u," seyde hi. "Ic heb mij in uw geselschap wonderwel ontspannen gevoeld."
Hi vertrock.
Ic richtte weder mijne blikke op den reigher.
De vogel deed niets.
Ende genoot van alles.
Hi krabde zich een weinig onder den rechter vleugel ende hervatte vervolgens zijn diepe beschouwing der wereld.
Ic dacht:
misschien is dat de hooghste vorme van management.
Niet het duwen tegen boomen.
Maer het stil zitten boven den rumoer.
Kort daerna naderde een ander gheluyt. Niet hijghen, maer kreunen.
Een man van omtrent mijne jaren strompelde voorbij.
"He vriend," riep ic. "Met welck doel begeeft ghij u aldus voort?"
De man schrickte.
"Ic tracht de jeugd bij te houden die hier passeerde," antwoordde hi. "Ic wil niet achter geraken."
Ic noodigde hem uit naast mij te rusten.
"Ziet ghij daer den reigher?"
"Ja."
"Die zit daer reeds uren. Hij ziet alle hijghers passeren. Nochtans heb ic niet den indruk dat hi achteropraakt."
De oude man knikte langzaam.
"Kom," seyde ic. "Draey een sjaggie van mij."
"Gaarne," hoestte hi.
En de reigher zweeg.
Gelijk alle ware wijzen.