Uyt den boecxe der vergeten droominghen (prosa)
Uyt den boecxe der vergeten droominghen
Hoe de groote droom der Etalurgie in scherven verviel
In die daeghen der eerste wordinge, doe het herte noch lichtelijk werd verlockt door alle dat verre ende wonderlijck scheen, en wist ick geene droomen van vlieghconste noch van brandspuyten. Andere jonghelingen plachten hun ooghen te richten naer de locht, daer waer de groote voghelen van yser hunne schaduwen trocken over de velden.
Maer mijn gheest en volgde die banen niet.
Eer bleef hij toeven tusschen postzeghelen, cleyne vensterkens op onbekende rijcken, waer uyt vreemde namen ende verre landen als stil ghefluyster oprezen.
Daerom en was het niet beschoren dat ick eens de wolcken soude doorsnijden noch de vlammen bestrijden.
Want noch mijn gestalte, noch mijn verstant op de schole gaf te kennen dat sulcx in de boecken der voorbeschickinge geschreven stond.
Soo wandelde ick voort door de nevelen der ongewisse wordinge.
Bleeck van aenschijn.
Sober van wezen.
Met een brilleken dat meer twijffel dan aansien verleende.
Ende de dagen ghinghen voorby gelijck water onder een brugghe.
Tot op eenen morgenstondt een woordt nederdaelde.
Niet met gedruysch.
Niet met trompetten.
Maer gelijk een sonnestrael die onverwacht een besloten vertrek binnendringht.
Etaleur.
Ick hoorde het.
Ick herhoorde het.
Ick liet het in mijn binnenste wederklinken.
Etaleur.
Als ware het een benaminghe uyt een vergeten gilde.
Als ware het de roepe eener bestemmelinghe.
Ende siet:
het herte verhief zich.
Want etaleren is geene gewone neringhe.
Neen.
Het is de stille conste der verlokkinghe.
De kunst om het oogh te voeren waerheen het niet van selfs soude gaen.
De gave om verlangen te doen ontstaen naer datgene waeraen niemant een oogenblick te voren gedacht hadde.
Sulcke conste wort niet alleene met handt ende oogh bedreven.
Zij woont oock in de verborgen gaenghen des menschenherte.
De eene noemt haar wijsheit.
De andere noemt haar bedroghe.
Maer tusschen beyde namen woont dikwijls de waerheyt.



