Naar de inhoud

Juliaanse Taal

akke.beakke.be

Archief

Verbeeldinge

Nog een wijle
spreken mijne ogen
nog niet vermoghende
tot wederrust te neigen,
want zij aanschouwt mij immer aan.
.
Mochte zij mij willen,
mochte zij met mij
ten slaapwaerde gaen.
.
Zeker zal zij geuren
naer laet-herfstigh rozenbloet,
ende haere borsten
begeeren een lentebloesem te onthullen.
.
Het zijn mijne lippen
die dorsten naer teederheyd,
och, konde zij slechts
in mij wonen
.
Aldus draagt mijn grijs
nog een jeught in handen,
ofschoon het ademhalen
minder diep van verwe gekleurd is.
.
Nochtans zal mijne liefde
in haren hemelschen schoot belanden,
want het is de eeuwige droome
waerinne elk waerachtigh minnaar bemint.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 14:19 Reageer op dit bericht

Liturgie der Goddelijcke Vertwijfeling

Liturgie der Goddelijcke Vertwijfeling

I. Introitus

O mensche,

mijn beelde
in u ghevormt,

ick trede nader
tot uw herte,

ende beziele u
met ademende ghenade.

Laet ons te samen juichen,
ende ons beraden
in eens ghemeensaem licht.

Langs verheffende paden,
omghordt met altoos wederkeerende bloeseme,

laet ons soecken
naer een scheppende zeghen.


II. Kyrie

Mensche,

ick ontferme mij over u,

legh uwe hant
in de mijne.

Mensche,

ick ben binnen in u,

spieghelt uwe ziele
aen de mijne.

Mensche,

ick hebbe u van noode,

gevoelt mij
in het cleyne.


III. Gloria

Ghy, mensche,

het schoonste werkstuck
onser wordinge,

singt het liede der blijdschap
over de beeldende natuere,

die uwe vruchten draeght
ende uw zaet beschut.

Verheught u
in den rijckdom van menschelijck raken.

Bejubelt onse vrientschap,

onzichtbaer,
doch innigh van wederklanck.

Opent uwe handen,

ende treedt voort,

opdat ghy voor elkander
de liefde mooght scheppen.


IV. Credo

Mensche,

ick hoore uw roepen,

scherp van smarte,
moede van onvoldaenheit.

Ondanck stijght op
uit den diepten van uw herte.

Ja,

het is swaer
den sin der dingen te beleven

te midden van ongelijcke droefenisse.

Ick zie u gelooven
in vertwijfelinge,

alwaer de doot
duysentmael sterft.

Hoe soude ick u beloven

dat eens een eynde komen sal
aen den noot der ziele?

Mensche,

treckt op met elkander.

Ick zie de scheppinge ghedeelt,

in swart ende wit,

in verderf ende gemis,

in meer ende min bedeelden.

Nochtans bemoedige ick de heelheyt

met oprechte tranen,

vaeck machteloos

in een verloren ure.

Maer ick geloove
in kracht,

vergadert

in goetgunstige stonden.

Mijn goddelijck ghedult

is van eyndelooze duere.


V. Pater Noster

O menschen,

verstrickt in stoffelijcke schijn,

ende somtijts

tot duvelsche begoochelinge ghevoert,

ervaert nochtans

de volheyt der liefde.

Geniet de eenvoudigheyt

van het loutere zijn.

Siet het licht

in de ooghen van den ander.

Eerst dan ontfanght ghy

de verbindende kracht.

Eerst dan sal

de verwerringe

door warmte

sachtkens worden verzacht.


VI. Sanctus

Ghy, mensche,

sijt verheven,

ghevormt

uit mijn bloeiende verzuchtinge.

Ghy, mensche,

met gaven overstelpt,

ende nochtans

aenschouwe ick een spel,

een wonderlijcke kluchte

van eigenwille.

Ghy, mensche,

verheft de aerde.

Geeft u over.

Deelt met mij

het mensch-zijn.

Want dit stemt overeen

met mijn vurig verlangen.


VII. Agnus Dei

Menschenkint,

grootendeels kunt ghy

selve vernieuwend scheppen.

Menschenkint,

vertaelt uwe eigenliefde

tot een deylende wordinge.

Menschenkint,

draeght uwe vruchten uyt.

Sy sullen

heelheyt doen ontstaen,

als ringen in stil water,

als een wederklanck

die van herte tot herte gaet.

✠

Amen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 12:59 Reageer op dit bericht

Wederrust

wederrust
.
stilte en is niet altoos
gevuld met leegte.
somwijlen
rust daarin een vrede,
zeldzaam van geboorte.
zij komt niet.
zij is er.
en voor men het weet
ligt zij over herte en gedachte
zonder geweld.
dan is er slechts
alleenzijn,
en een tevredenheid,
waarin de ziele,
zonder woorden,
gekust wordt.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 00:00 Reageer op dit bericht

IN MEMORIAM Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

VOORZIJDE

✠


IN MEMORIAM


Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

onzen Karrie



Hij gingh ons voor,
ver voor.



1920 • 2006


BINNENZIJDE LINKS

Ter gedachtenisse

Het geschiede in die dagen dat den ouden Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm, onzen Karrie, de laetste bochte zijner wordinge genaderd was. Ende gelijk hem geheel zijn leven eigen geweest was, verkoos hij oock ditmael niet te wachten op den aengang der anderen. Hij en wilde niet achterblijven. Neen, hij gingh voor, ver voor.

Aldus verliet hij stilkens de werelt, gelijck een wandelaar die reeds aen gene zijde des heuvels verdwenen is, terwijl de achterblijvers noch hunne schreden tellen. Zelfs in zijne laetste ure bleef hij getrouw aen zijn spreucke. Wij mochten hem slechts geleiden tot aen het hecke. De laetste passen verlanghde hij alleen te gaen. Dat was zijn aert.

Karl was een man van verschijninge. Niet een die zich in de schaduwe verschool, maer een die gaerne voor de stoet uytgingh. Men zag hem eer men hem ontmoette. Bij fanfare, processie ofte andere plechtigheden was hij veelal te vinden daer waer het vaendel woegh ende de blikken der menschen samenkwamen. Hij droegh zijn ernst als een mantel ende zijn voorop-gaen als eene roepinge.

Dat neyginge tot vooraen te zijn scheen diep in het geslachte geworteld. Reeds de oudsten verhaelden van voorouders die hunne plaetse zochten nae den hertoghszetel ende nimmer achterwaerts zagen. Of zulcks een deughde ofte eene zonderlinge afwijkinge des herten was, daerover moghen de geleerden twisten. Karl zelf twijfelde er nimmer aen.

Voor zijne kinderen bleef hij veelal een gestalte aen den einder. Men zag hem gaen, doch zelden stilstaen. Alsof het leven een optocht ware ende hij belast met het openen van den weg.


BINNENZIJDE RECHTS

Misschien heeft hij daerom zoo weinig gesproken over zichzelven. Want wie gestadigh voorwaerts blikt, verliest licht het zicht op hetgeen achter hem leeft ende liefheeft.

Evenwel was hij een verzamelaar van kleyne wonderen. Suikerzackskens, uit verre oorden ende eenvoudige herbergen, vonden bij hem een toevluchtsoord. Zij waren de stille trofeeën zijner omzwervingen. Ende wanneer des avonds de cafeïne hem deed trillen als een blad in herfstewind, wist men dat wederom een dag met vrucht was verstreken.

Vrienden had hij weinig. "Ick heb geene behoefte aen meelopers," placht hij te segghen. Men kan hem moeilijk ongelijk geven; iemand die immer vooraen wil gaen, vindt achter zich slechts volgers. Dat is de eenzaemheyd van den voorlooper.

In zijn laetste jaren vond hij verblijff in het huys dat men De Laetste Hoop noemde. Hijzelf gaf daeraen een deftiger klank ende sprak liever van "De La Hoo". Daerin bleef hij dezelfde man: onveranderlijk, eigenwijs, een weinig grootsch, een weinig komisch, doch geheel zichzelf.

Nu is hij wederom voorgegaen, verder dan wij hem vermoghen te volgen. Wij staen noch aen het hecke, gelijk destijds, ende zien nae een weg die zich achter den nevel sluit. Daer gaet onzen Karrie, met vasten tred ende onbewogen aanschijn, den bocht om.

Moge hij ruste vinden in de stilte die hij verkoos.


ACHTERZIJDE

Karl-Eduard Dreyfsandt zu Schlamm

onzen Karrie


20 september 1920
Vreeshoven

✠

20 november 2006
Sint-Vesteren



"Hij gingh ons voor, ver voor.
Ende oock nu wilde hij niet achterblijven."



✠

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:25 1 reactie Reageer op dit bericht

Beklemminge

Beklemminge

Langhs d'ackers
van schroom ende schuwe stille,
slenter ick
teghenwindsche stappen,
aerzelende om onghericht
in een verwarrede droem
te treden ende te verdwalen.

Neerwaerts
ghekeerde ooghen
beghrenzen als
beklemmende bundelen
van swart licht,
die meer ende meer
de ademende borst
omhaelen met stomme banden,

Totdat de knechtende gheest
de noch resterende
levenssaeden
heeft ghedorscht
ende verstroyt
in eenen dorren wederklank.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 13:00 Reageer op dit bericht

De Houwelyckswoordinge

De Houwelyckswoordinge
naer Roza, in Juliaanse taole

't Was na vele jaeren wederom dat ick genoodicht wierd tot een houwelycksfeest. Ende de wettelijcke verbondenisse geschiedde niet in een statigh huys, maer in een boerenschuere van een dorpe soo kleyn ende vergeten, dat de kaerte haer naeuwelex en kende. Doch dat en doet ter saecke niet veel af.

Naer den aert des landts had een yeghelijck sijn schoonste Sonendaechsgewade aengedaen. Men sach dat menige beurse mildelijck geopent was geworden om wel ten voorschijn te comen. Een vrouwe droech zelfs een wonderlijcke dracht, met leder om de borst gesleten, als ware sij uit eene verre stede overghewaeyt.

Ick en hadde daermede geene swaerigheyt, maer het moet beleden: eenige lichtveerdige ghepeinsen quamen daerdoor in mijn herte op. De vrouwe zelve scheen ten hooghste behaecht met haren tooi, ende dat mocht haer geensins misgunt worden. Reeds het dragen van stedsche mode is voor sommighen een daet van moed.

Daerna toogh men de schuere binnen. Men nam plaetse op bancken, die, soo men naederhand vernam, met stroo oft diergelijcke stoffe gevult waren. Het verclaerde terstont de warme ende broeyende locht die tusschen de menschen hing. Mijn naeste buerman overwoogh sijne schoenen uyt te trecken, doch wierd op het leste oogenblick van dat voornemen wederhouden. Met reden, want waer reeds warmte huyst, en behoeft men geene bykomende geuren.

Tot mijne verwonderinge bevond sich in den hoeck een sangeghezeltschap, dat onverwijlt pooghde een ghemeyne stemminge van liefden te verwecken. Ghy kent die liederen wel, die met soete woorden de herten bewegen willen, opdat niemant vergeten soude waerom men daer vergadert was.

De sangh klonck in de Engelsche sprake. Dit alleen al deed vermoeden dat hier geene alledaegsche dorpelingen vereent waren. Voornaeme lieden, soo dacht ick. Aen het zachte sniffen ende pinken der traenen kon men vernemen dat de woorden wel begrepen werden. Dat is niet onbelanckrijck, want wy gedenken noch de tijden dat wy Latijn songen zonder te weten wat wy eigentlijck beleeden.

De ambtenaeresse van den burgerlijcken standt, een vrouwe van statigh voorkomen, gaf somwijlen een korte uytleg aen hen die de Engelsche sprake minder machtigh waren. Aldus wist althans ick een weinig waer de sangh over handelen mocht.

Sij was gehult in een schoone toga. Hare bode was eenvoudigher gecleet. Dese droech een breeden glimlach ende een kleet dat mij deed twijfelen of het een kortebroeck ware. Het verschafte eenige afleydinge in de tusschentijden.

Het hooghste oogenblick voor bruyt ende bruidegom was natuurlijck het jae-woordt. Daeraen gingen vele pligtplegingen vooraf, gelijck den gebruycke eyscht. Doch wat mijn herte dieper raeckte, was de vader der bruyt, die sijne dochter binnentrad ende haer met sichtbaere ontroeringe geleydde naer den man die voortaan haer lotgenoot soude zijn.

Ick soude niet anders gehandelt hebben.

Nochtans ghint mijn gheest op een sonderlinge dwaelweg. Wanneer een vader een dochter als het ware overgeeft, vraeght een Hollandsch herte onwillekeurigh wat daer tegenover staet. Hoevele koeien, hoevele varkens, ofte, daer dese jongeling een backer bleek, hoevele brooden, taerten ende koeken in de toekomende jaeren haeren weg vinden naer het ouderlijk huys?

Dese onderhandelinghen moeten zwaer gheweest zijn, want het geschiedde in het Zeeuwsche landt. Meer behoeft hier niet geseyt te worden.

Daerby leefde het paer reeds geruymen tijdt te samen. Men kan dus niet segghen dat de bruyt als een onbeschreven blad het houwelyck binnentradt. Mijn Hollandsche rekengeest vroeg sich af wat sulcx met de denkbeeldige marktwaerde doen mocht. Ach ja, een mensch verloochent sijn afkomst niet licht.

Misschien dacht de vader wel: nu komt rust in huys, ende moghe de tijdt ons een nazaet schenken.

Want daer lagh de waere hope. Heeft dese jonge backer voldoende goede granen in huys om het geslacht voort te dragen? Aen de bekoorlijkheyt der bruyt soude het voorwaer niet ontbreken.

Men sprak troostend: ghy hebt er een schoonsoon bijgekregen. Doch een dochter die vertrect laat een ledigheyt achter die niet door woorde alleen gevult wordt. Niet dat den jongeman eenige schuld droegh. Hij was welgekleedt, hoffelijck ende voortvarende van aert. Maer de jaeren moeten eerst toonen wat in hem besloten ligt.

De voorlesinge der acte ende het wederzijds jae-woordt waren schier in vijff minuten voltrocken. Toch had de geheele plechtigheyt een veel ruymere tijt beslagen. Levensverhalen werden verhaelt, oude liefde ghedacht, ende de bode vergat zelfs een stondenlang dat het paer den acte nog onderteekenen moest.

Ick begon te begrijpen waerom sommige belastingen immer stijgen.

Doch het wonderlijckste moest noch comen.

Toen alles ten eynde liep, verhief de ambtenaeresse hare stemme ende sprak: "Dit is het eynde van het houwelyck."

Een stilte viel. Daerna rumoer. Men keek elkander aen. Sommigen meenden niet wel gehoort te hebben.

Later vernam men dat de vrouwe vermoedelijk door eigen levenssorgen bezwaert was geweesten ende in een echtscheydinge verkeerde. Misschien had een onbewuste gedachte zich een weg naer buiten gebaent.

Geluckigh herstelde sij zich spoedigh ende sprak:

"Dit is het eynde der houwelyckssluitinge."

Daerdoor viel alle ongerustheyt weder van de schouderen. Men verstond dat niet het houwelyck, maer slechts de plechtigheyt ten eynde gekomen was.

Ende soo verlieten wy de schuere.

Met een jong paer dat aen een nieuw leven begon.

Met een vader die ietwat verloor ende ietwat won.

Met gasten die den feestmaelt tegemoet gingen.

Ende met een glimlach om de wonderlijcke wegen waerlangs menschen trachten liefde, wet ende hoop in eenerhande uur te vereenigen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 16:20 Reageer op dit bericht

Nutteloos Ghejammer

Nutteloos Ghejammer

Het licht laet sich deesen dach onstuymigh toonen,
't was eertijts een verblijdinge voer het herte.
De sonne stemde den mensch tot vriendelijcke moede,
alwaer de schaduwe somwijlen weder week.

Nochtans en is de sonne niet altoes een seghen;
het weder gaet sijn eyghen weghen.
Schalks handelt het klimaat met den regen,
ende de opwarminge der aerde voert een venijnigh sweert.

Den homo sapiens, dat sijn wij alle te gader,
siende blindt ende hoorende doof.
Ick en weet het naeuwelijcx anders te segghen:
in het loof gewaren wij min ende min den Beminden Schepper.

Ick ende den andere en connen slechts hopen,
ende gelooven aen een wonder van boven.
Het schijnt onmogelijck den ingheslagen wegh te ontgaen,
maer oock ick hebbe mij door swackheyt ende verlokkingen
door menigh duvel laten bekokstoven.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 14:34 Reageer op dit bericht

Mijn schild ende betrouwe

Mijn schild ende betrouwe
.
Uytterlijck ghebeeldt
in lijvelijcke omheyninge,
in blinkende
plechtighe toghen,
.
Alwaer die Schoonheyt
haere stoffelijcke goetheyt
te sien gheeft.
.
Maer daerboven
viert een sachte glansinge
in uwe beyder ooghen,
als een stille wederklanck
van licht.
.
Zij spiegelt
den ongherijpelijcken wegh
naer dat woordelooze ghevoelen,
.
Alwaer liefdevolle herkenninge
het wederzydsche bestaen
tot eene hopevolle eenheyt
verzeghelt.
Schouder aen schouder
met datgene
wat uyte liefdevollen verwachtinge
reeds tot wordinge quam,
.
Ende oock met de draghende ghetuyghen
wilt ghijlieden elkanderen
het jawoord toezinghen.
.
In die eeuwigheyt
van een enkel ogenblick
stoc de tijt,
Doch het herte vraeghde
om blijvende zaligheyt,
ende luysterde reeds
naer haren wederklanck.
;🌾( Uit 2008, nu in Juliaanse taole/taal)
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 09:47 Reageer op dit bericht

In den Avond der Inkeere (nae den gheest van Baudelaires "Recueillement") ...

In den Avond der Inkeere

O mine ziele, com nu naderby,
ende sit in stille wordinge neder.
Den dach en heeft syn laetste glansen niet meer,
maer sijn schaduwe dwaelt al over veldt ende steden.
.
Siet hoe de avonde nederdaelt,
als een sachten sluijer over menschenherte.
Den eenen vindt ruste in sijn huys,
den anderen blijft dolen met sijn smerten.
.
Laet hen gaen, die den rumoere dienen,
die haesten in ijdel gewin ende begeerte;
wy en sullen hunne wegen niet volgen,
maer luysteren nae de diepe sprake van 't herte.
.
Want oock Weedomme, die getrouwe gheselle,
comt weder aen de drempel staen.
Niet als een vyandin van den mensch,
maer als eene die oude waerheden bewaeren kan.
.
Siet hoe de avondt hem uytvouwt
boven daken, velden ende verre stroomen;
hoe de soncke glorie der uren
langzaem wederkeert in droomen.
.
Ende als de nachte ten lesten daelt,
met hare mantelinge van duystere vrede,
so buigh u, mine ziele, sonder vreeze,
onder der tijden eeuwighe schrede.
.
Want al wat vergaet, heeft wederklank;
al wat verstilt, blijft voortbestaen.
Ende in den diepen grondt der stilte
wordt geene liefdekracht verloren gedaen
.

Een zelfstandige herschepping in Juliaanse taal
.
In den Avond der Inkeere
.
(nae den gheest van Baudelaires "Recueillement") ...

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 14:26 Reageer op dit bericht

Juliaanse herscheppinge nae William Shakespeare --- Silvia

Juliaanse herscheppinge nae William Shakespeare
.
"Silvia" by William Shakespeare
.
Wie is Silve?
.
Wie is Silve? Wie mochte sij wezen,
dat alle herders haer prijsen ende noemen?
Heylich is sij, schoon van aenschijn, wijs van herte;
de hemel heeft haer sulcke ghenade ghegheven,
opdat sij in verwonderinge soude bloeyen.
.
Is sij soo mild als sij schoon is?
Want schoonheyt woont nimmer alleen,
maer gaet hand in hand met goedertierenheyt.
De Liefde selve zoekt toevlucht in haer ooghen,
om zijne blindheyt te vergeten;
ende, gheholpen, blijft hij daer wonen.
.
Laet ons dan van Silve singhen,
want bovenmate blinckt sij uyt.
Sij overgaet al wat sterfelijk is,
dat op dese matte aarde zijn dagen slijt.
Brengt haer kransen van bloey ende geuren,
vlecht haer een kroon van lof ende stilte.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door juliaansetaal om 20:25 Reageer op dit bericht

Meer van Juliaanse Taal

↑ Terug naar de berichten