Knus
Knus
.
Graeuwgetinte heuvelen
teekenen haer wederklank
op de ruiten
van mine deursonckamer;
al is den somer
reeds verre op sijnen wederkeer,
ende den dach allenghs meer bekort,
noch ligt het stof
klaer ende onverborgen
op den vinylen vloer
ende het dressoir
.
de hooghe zetelen hebben,
door octoberlicht beschenen,
niets harer waerdigheyt verloren;
het gobelijn bloeyt
als hadde het eerst heden
sijn lente gevonden
.
alhoewel de zittinge
tot het verleden behoort,
vermag dese weelde
mi noch immer te bekoren;
ende ic,
nae mine aert,
vertoef in stille,
achter vertrouwde begonia's,
en staar
naer een buyten
vol klinkers
ende zwijghende wordinge.

