PUZZEL BIJNA AF (2)
Mijn leven ging zo normaal mogelijk
zijn gangetje. Maar 'normaal' was een understatement in mijn jonge leven.
Ik vertoefde bijna voltijds op de kamer van Mon, maar ging toch nog
tweemaal in de maand op bezoek bij mijn pleegouders. Niet echt uit liefde of volle
goesting, maar de bruggen volledig opblazen durfde ik niet. Tenslotte was ik
nog altijd minderjarig.
Mon had mij ook laten beloven dat ik tegenover mijn pleegouders zou zwijgen als het graf over de brieven die ik gevonden had.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan! Want ik was, toen ook al, een
notoire flapuit. Onrecht verdroeg ik niet, en wanneer ik het zag gebeuren kon
ik niet anders dan er wat van zeggen, ook al brak mij dat vaak zuur op.
Bij elk bezoek dat ik hen bracht zat ik op mijn stoel te draaien en te keren van de zenuwen.
Telkens ik binnenkwam was ik er op voorzien dat ik donder en bliksem over
mij heen zou krijgen omdat men de verdwijning van de brieven had ontdekt.
Maar zij waren zich van geen kwaad bewust. In hun gedachten waren de brieven veilig opgeborgen voor
mijn ogen opgeborgen.
Uiterlijk was ik rustig en vriendelijk naar hen toe en hielp mijn pleegmoeder bij de huishoudelijke klusjes. Dit laatste enkel om mijn zenuwen te baas te kunnen blijven, toch mijn pleegmoeder interpreteerde dit anders. Volgens haar bevestigde dit dat haar harde aanpak jegens mij de juiste bleek te zijn.
Mon had een plan bedacht opdat ik misschien
toch nog aan het mij rechtmatige verzekeringsgeld kon komen, of tenminste een
deel ervan.
Maar dat moest stiekem gebeuren zodat mijn pleegouders al geen maatregelen zouden kunnen
treffen nog voor we ons plannetje konden uitvoeren. Maar Mon was op zee en zou pas binnen drie weken terug
aan wal zijn. Dus doen alsof en zwijgen als vermoord was essentieel.
Mon was goed bevriend met een adjunct commissaris van de rijkswacht.
Ik had de man een keer gezien tijdens een bezoekje aan een dancing gingen in Brasschaat.
Mon vertelde toen zo'n beetje mijn verhaal aan die man en hij beloofde om het nodige te
doen om het tij te doen keren.
Hij gaf ons toen afspraak op zijn kantoor. maar door de vele huwelijks beslommeringen waren we dat een beetje uit het oog verloren. Na het bezoek aan
de deurwaarder in voege met ons huwelijk en dat in feite op niets was
uitgedraaid, had M. hem gebeld.
Op de dag van die afspraak zaten wij te wachten. Tot zolang moest ik de komedie volhouden.
Ook mijn pleegouders zwegen over het feit dat ik op de kamer van Mon logeerde. Zij rijfde tenslotte nog altijd mijn toelage binnen en wisten niet dat ik daarvan op de hoogte was.
Meestal ging ik op zaterdag bij
hen op bezoek want van daaruit ging ik naar het café van mijn Moederke.
Op zaterdag bakte mijn pleegmoeder meestal frieten. Zo van die lekkere echte frieten die eerst werden voorgebakken in een echte ouderwetse gietijzeren frietketel om daarna kort te worden afgebakken. Maar ik ving dan steeds bot. Voor mij er nooit een portie.
"We kunnen toch niet weten dat je komt" was steeds haar uitvlucht. Dan trok ik maar naar de frituur. Maar dat viel niet in goede aarde bij mijn pleegmoeder, want dan begon mijn pleegbroer te zeuren dat die frituur frieten vele lekkerder waren en hij er ook wou. Dus werd mij bevolen om geen frieten meer mee te brengen. "Je eet maar na je bezoek" of je eet maar in die vieze kroeg.
Trouwens, ik at heel lekker in het restaurant waar Mon zijn kamer
huurde.
Er bleef vaak genoeg over van de dagschotel op het menu zodat ik gratis mocht
mee eten met het personeel van de zaak. In ruil hielp ik dan met opdienen tijdens een drukke zondag of stak in de keuken een handje toe.
Het was allemaal fijn geregeld vond ik, en stilaan kwam ik tot rust.
Maar voor de zoveelste keer in mijn leven zou ook dat niet blijven duren.




