VERSTOORDE YDILLE
Daar zaten we dan!
Knusjes op ons appartementje.
R ging nog regelmatig naar zijn ouderlijk huis slapen,
kwestie van de kerk in het midden te houden.
Want met elke dag die voorbij ging werd de boosheid van zijn ouders groter.
Ik vergooide zijn toekomst volgens hen.
Welke toekomst zij voor ogen hadden weet ik niet. Tenslotte was R maar een gewone bouwvakker. Weliswaar gediplomeerd, maar toch.
Maar ik was gelukkig met de situatie.
Ik was onder de pannen en vooral onder alle juk vandaan.
Het werk op de confiserie was saai bandwerk.
De ganse dag hetzelfde... doosje openvouwen…. snoepgoed er in leggen…. doosje
toevouwen... op pallet zetten….doosje open vouwen……en dit acht uur lang
Maar ik verdiende er geld mee en ik had fijne collega’s.
Ik had besloten om avondschool te gaan volgen om zo alsnog mijn middelbaar te
kunnen afmaken.
Het dreigement van R’s moeder "dat ik nog bittere tranen zou wenen" was ik al
lang vergeten.
Maar ik zou er vlug aan herinnerrd worden.
Op een avond, ik was alleen thuis want R moest om 21.00H
thuis zijn als hij daar ging slapen.
(Ongelooflijk voor een man van vijfentwintig, maar hij schikte zich zonder
morren.)
Op een avond dus, ging de bel.
Politie!
“Wie woont hier, juffrouw?”
Vermits ik nog steeds bij mijn pleegouders stond opgeschreven, en de huur op R’s
naam stond, antwoordde ik naar waarheid.
”En wie ben jij dan en wat doe jij hier?”
Ik vertelde hen dat af en toe bleef logeren.
Zij noteerden mijn naam en adres en gingen vriendelijk groeten weer naar
buiten.
Ik vertelde het voorval aan R.
Maar hij reageerde er maar flauwtjes op, beetje ontwijkend, beetje afwezig.
Dat viel mij niet meteen op, pas later toen alle puzzelstukjes in elkaar vielen
kwam dat beeld terug voor mijn geest.
Een zaterdagmorgen heel vroeg, weer de deurbel.
Wij lagen nog lekker in bed.
R sprong vlug in zijn broek en ging opendoen.
Groot was mijn verrassing toen R terug naar boven kwam met in zijn kielzog drie politieagenten en het hoofd van de Jeugdbrigade, Meneer Verkoeyen. Ik zal zijn naam nooit vergeten.
“Aankleden en meekomen” beet hij me toe.
Het leek net een scène uit een oorlogsfilm over de vervolging van de Joden.
”Waarom?” vroeg ik “en naar waar?"
”Nu,” snauwde hij me toe.
”Als je niet meteen gevolg geeft dan zullen deze heren je een handje helpen”
en hij wees daarbij naar de politieagenten.
Trillend als een espenblad deed ik wat men van mij verlangde.
Huilend riep ik naar R “Doe iets”.
Maar die deed er de ganse tijd het zwijgen toe en zat wat apathisch op de zijkant
van het bed.
Geflankeerd door de politie ging ik naar beneden.
Daar stond een politie combi op me te wachten, daarachter de politieauto van
de jeugdbrigade.
(In die tijd poetsten mensen op zaterdagmorgen nog veelal de straat en Ik durfde niet op of om kijken, ik kon wel door de grond zinken van schaamte.)
De politie agenten duwden mij de combi in en vertrokken.
Het hoofd van de jeugdbrigade was achter gebleven bij R.
De politie reed met mij naar het centrum van Antwerpen en
wat ik vreesde werd waarheid.
Men bracht mij voor een tweede keer naar het ‘Justitiepaleis’
Weer naar die enge cellen.
De celdeur viel achter mij in het slot.
En al wat ik kon doen was wachten.
Wachten en gissen.
©Huismusje













