Kumbe in het Geriatrisch Centrum Damiaan I


Woensdagnamiddag zijn Jos en Jan, twee tekenleraren van de school voor buitengewoon onderwijs Terbank (type 2), de werken van hun leerlingen gaan ophalen in de Universiteitshallen in Leuven en hebben ze terug opgehangen in het Geriatrisch Centrum Damiaan in Tremelo in het kader van de toekomstige tentoonstelling van Kumbe (kunstenaars met beperking). De leerlingen zijn van 2 tot 14 jaar en hebben een matige tot ernstige mentale handicap.
De werken zijn allemaal zorgvuldig ingekaderd. Die kaders zijn een gift van een service-club. Ze laten die maken door een schrijnwerker, zodat ze stevig in elkaar zitten, want ze worden vaak gebruikt.
De werken moeten naar de eerste verdieping. We kunnen via de lift. Door de verbouwingswerken moeten we een lift in een andere gang nemen. Die zit wel ingewikkeld ineen. Om op de eerste verdieping te raken moet ik op 6 duwen. Geen probleem, ik worstel er me wel doorheen. Wanneer Jos en ik terug naar het gelijkvloers willen duwen we op 0 en neen, dit is niet de verdieping die we zoeken. Nog eens 0 indrukken … en we zijn weer op de eerste verdieping. Gelukkig komt er iemand met een keukenkar uit een andere lift. Die helpt ons verder: op 5 duwen en we zakken naar het gelijkvloers. Ik moet nog wat draden en haken voor het ophangsysteem bijvragen. Zo maak ik kennis met Nancy. En ja, ze gaat even mee om me te tonen hoe we met de lift naar de vierde verdieping kunnen. Daar komen de bewoners alleen om nog even tv te kijken en te slapen. Het personeel heeft daar voorlopig ook zijn eetruimte. We moeten dan wel door een gesloten afdeling van bewoners met een psychiatrische problematiek. Nancy weet niet of de confrontatie met die bewoners wel zo evident is voor buitenstaanders. Maar de geëxposeerde werken kunnen ook via de trap bereikt worden, en bezoekers die minder mobiel zijn kunnen dan via die lift.
Dan ben ik weer bij Jos en Jan die volop aan het ophangen zijn. Je ziet dat ze daarin vaardigheid hebben. De werken zijn prachtig. Ik voel me altijd warm worden als ik zo’n werken zie. Je kijkt door het schilderij heen naar de persoon er achter. Komt er een energie in me opzetten van: zie je wel hoe kostbaar zo’n mens is, want je weet hoe kwetsbaar die kunstenaars zijn.
De confrontatie met de bewoners van het Geriatrisch Centrum werk andersom. Hier zitten mensen samen die in meerdere of mindere mate dementeren. Het doet me pijn vast te stellen hoe iemand tegen zijn levenseinde aan niet alleen lichamelijk maar ook mentaal moet inleveren. Ik weet dat weldra mijn beurt komt om de boeken hier te sluiten. Ik kan me zo moeilijk voorstellen dat ik wellicht over enkele jaren een plaats moet innemen naast mensen zoals ik die vandaag aantref. Toch is de sfeer niet wanhopig. De mensen zien er verzorgd uit. Het personeel gaat heel zachtaardig met ze om.
Nancy vertelt dat in België mensen maar een beperkte tijd meer in de psychiatrie kunnen verblijven. Daarna dienen ze door te stromen naar speciale verzorgingstehuizen zoals de gesloten afdeling hier. Op die afdeling verblijven mensen die al hun ganse volwassen leven ‘binnen’ zitten. Maar ook hier tref ik mensen aan die verzorgd zijn, meubilair dat fris aandoet. De bewoners zelf zitten verzonken in zichzelf, murmelen voor zich uit, ééntje roept, een ander geeft me een hand. Ik kan niet anders dan aan mijn zoon denken. Dat was een toekomstbeeld waar ik zo’n angst voor had en waarschijnlijk hij ook. Hij wist goed genoeg dat hij levenslang gekregen had. Schizofrenie is een vernielingzaaiende mentale kanker. Maar deze mensen zijn hier feitelijk goed af: ze krijgen de zorgen die ze nodig hebben en als ze geen weet meer hebben van hun situatie is dit misschien nog dragelijk. Ben ik laf omdat ik het troostend vind dat mijn zoon dit niet meer moet gaan? Dat hij gekozen heeft om uit de hel van zijn leven weg te gaan?
Het doet me deugd de jongere generatie bezig te zien. Je moet als leraar maar bereid zijn om op je vrije woensdagnamiddag met een camionette te gaan rondtoeren en te zorgen dat de werken van je leerlingen naar buiten kunnen. Ze zijn fier op hun ‘kinderen’. Ik zie hoe het personeel met veel geduld iemand terug naar de afdeling brengt, koffie schenkt, een vraag beantwoord.
De mens is toch een mooi gegeven. Naast het oorlog voeren dat altijd al bestaan heeft is er ook die andere beweging, van zorg dragen en liefhebben. De kleuren van de kinderen drukken dat zo sterk uit. Iets om dankbaar voor te zijn










