Naar de inhoud

Lut De Rudder

seniorennet.beseniorennet.be

De cellengang

Wie opgesloten zit in een cel kan niet naar buiten als het hem of haar belieft.  Een stevige deur sluit de bewoner op. Ik maak nu ook een plafond kenbaar, dat het gevoel van opgesloten zijn benadrukt: eerst in de cel, maar ook daarbuiten. Iemand merkte op dat deze tekening doet denken aan de deur van een bankkluis. Dat was ook de bedoeling: wie achter deze deur terechtkomt zit in beveilig(en)de bewaring.

Opgesloten

Vanuit het claustrofobisch gevoel dat me overvalt als er geen venster meer uitzicht biedt op de buitenwereld, kom ik bij de gevangeniscel terecht. De grond geef ik nog een extra lijn bij: zo kan de benepenheid van de cel opgeroepen worden. Er is nog een venster, maar die biedt in het beste geval uitzicht op een stukje hemel. Ik gebruik drie verticale kleine lijnen om de tralies voor dat venster op te roepen.

 

Soms hoor ik mensen spreken van het luxehotel dat de gevangenis haar bewoners aanbiedt. Meestal mensen die zelf heel riant wonen.

Tot de essentie

Wanneer ik de lijnen weglaat die het venster oproepen kom ik tot de minimale lijnen die nodig zijn om nog een kamer op te roepen. Nu komt de kaalheid in al zijn onbewoonbaarheid op je af.

Zoals bij het landschap

Zoals bij het landschap ga ik nu ook op zoek naar vereenvoudiging. Ik laat de lijnen weg die de bewoning oproepen om alleen een kale ruimte te bekomen. Die kaalheid roept tevens mogelijkheden op: wat kan je met die ruimte doen. Zoals je bij het tekenen van een contract voor de koop of huur van een woning staan de muren klaar en vullen je dromen de ruimte met meubels, apparaten en leven.

Binnenshuis

Na het landschap wil ik naar binnen trekken: het landschap van onze woning. Daarvoor heb je meer lijnen nodig. Binnenshuis betekent minimum drie lijnen zodat vloer en muren ontstaan die een kamer voorstellen. De verticale lijn onderaan rechts kan een staande lamp voorstellen, maar ook een kapstok of welk meubel ook. Tegen de achterwand heb je dan nog een meubel: het is een bewoonde ruimte. De vorm tegen de achterwand kan een schilderij oproepen, maar ik verkies een venster: zo kan je van binnen naar buiten kijken en vermijd je een claustrofobisch gevoel.

Even uitblazen

Vertrekkend van een beeld uit onze tuin, herneem ik het landschap maar maak er nu iets speelser van: drie bomen met kruin. In onze tuin staan mooie donkergroene dennen, maar ik maak het gebladerte geel en rood omdat de zon mag meekleuren. Het blauw onderaan verwijst naar water, de vijver in onze tuin. Na het intense zoeken naar eenvoud komt dit over als speeltijd: erg leuk om doen en zonder complexen, alsof het een zondag is uit mijn kindertijd.

Scheppingsverhaal of evolutietheorie

Voor we aan het verhaal beginnen bepalen we ons kader: het verhaal dat ik beluisterde in mijn kindertijd en dat ik overweldigend prachtig vond, vertel ik nu na zeventig jaar leven. Als volwassene leerde ik de evolutietheorie kennen. Ook een prachtige benadering. Met bewondering kijk ik naar Darwin: met wat een intuïtie heeft hij de wereld rondom hem bevraagd en durfde hij de conclusies trekken voor wat zich voor hem ontvouwde, tegen de gevestigde orde en scheppingsverhaal in.

 

 

Eerst was er een woeste leegte, waarin gods geest zweefde over de wateren. Wat een prachtig beeld. Daar kan het symbool van een wit blad niet tegen op: dat is leeg maar heeft niet de turbulentie van een ‘woeste’ leegte. Ik heb me altijd verbeeld dat die god zich wel moest vervelen als hij alleen maar in ‘leegte’ vertoefde, zelfs al maakte de woestheid ze wellicht iets dragelijker. Voor de wetenschappers is die leegte wellicht iets dat steeds meer ontsluierd wordt. Je moet dan wel een wetenschapper zijn die opgeleid is om met die formulering van ‘leegte’ om te gaan, maar ik kan me wel voorstellen dat ook zij enorm gegrepen zijn door wat ze ontdekken. Zoals ik de natuur rond mij genietend kan benaderen, zullen zij niet alleen een ‘wetenschappelijk’ genieten beleven, maar wellicht ook emotioneel betrokken zijn.

 

God, in een plotse opwelling, stelde dat het nu genoeg geweest was met die woeste leegte die tevens volheid was en barstte uit in een vorm van oerknal. Zo ontstond het licht en het donker en hemel en aarde, m.a.w.: god ontwierp dualiteit. Die oerknal stel ik me nu voor als een enorme energetisch gebeuren: het opgesloten zijn wordt verbrijzeld en de grens ontstaat. Zoals een kind evolueert vanuit de symbiose naar zelfstandigheid en daardoor ontdekt dat grenzen een niet-ik tot stand brengen.

 

Er werden nog meer grenzen aangebracht: het water moest allemaal naar de zee en het zand bijeengeveegd voor het land. En op het land zorgde god voor gras en planten. Als kind was ik vertrouwd met de oneindige poldervlaktes: een wei was daar nog een wei en een korenakker bleek eindeloos ver uit te deinen. In het evolutionaire verhaal ging het niet zo vlug. Daar moesten atomen ontstaan die dan evolueerden tot organische vormen. Terugkijkend was het een uitproberen van jewelste. Terwijl god wat vogels, vissen en vierpotigen schiep en opdracht gaf om zich te vermenigvuldigen, muteerden de organische vormen tot levensvatbare elementen en na lange tijd kwam er in het water zo iets als een vis te voorschijn en op het land ook allerlei gedierte.

 

En dan kwam de kers op de taart: de mens. God plaatste zijn lievelingsschepsel in een paradijs waarin het volmaakt gelukkig in symbiose kon leven met de natuur, onder toeziend oog van god, die zich nu niet meer verveelde want hij kon praten met de mens. Maar blijkbaar was er iets in de mens dat god niet onder controle kon houden: het bewustzijn. Bij de dualiteit door het ontstaan van een binnen en buiten, kwam er een derde dimensie: de diepte. Daardoor was de mens niet meer overgeleverd aan zijn leven als dier, maar werd hij bewust van zichzelf, van tijd en ruimte … de dualiteit werd doorbroken door verticaliteit … en het drama deed zijn intrede. De mens moest gaan nadenken hoe te overleven: elkaar doden of leren samenwerken, oorlog of solidariteit. In het Genesisverhaal vond ik het doodslaan van de ene broer door de andere een vreselijk gebeuren. Waarom aanvaardde god het offer van Abel wel en van Kaïn niet, waarom had god zijn lievelingetjes? Ik ben opgegroeid met vier broers zonder zussen en dat broederverhaal sloeg wel in. Ik vond dat niet rechtvaardig … maar dat sprak ik niet uit: je stelde de daden van god niet in vraag.

 

 

Verdreven uit het paradijs moest de mens nu voor zichzelf gaan zorgen m.a.w. de wereld omvormen zodat hij een leefbare omgeving kreeg. Daarvoor diende hij zich wel in het zweet te werken, kinderen te baren … en uiteindelijk samen te werken om de meeste overlevingskansen te creëren. Zo ontstond bv. de wetgeving (als attribuut van overleg en politieke beslissingen). God nam de nakomelingen van het paradijselijk koppel tot ‘uitverkoren’ volk. Maar wie waren dan de niet-uitverkorenen en hoe kwamen die soort mensen op de wereld terecht? Het fascineerde me: ‘uitverkoren’ zijn … want ik voelde me helemaal niet ‘uitverkoren’ als kind. Tot de verhalen van de Holocaust zich in mijn bewustzijn nestelden. Waar was die god toen?

 

 

Het verschijnsel mens evolueerde van de eerste oermensen tot de hedendaagse exemplaren. Het is voor ons een evidentie dat de wereld ons nu verschijnt zoals hij zich aanbiedt: elektriciteit, stromend water, afstandsbediening … en het eindpunt is nog niet bereikt. De mens geeft vorm aan de wereld … niet dat alles zo ‘super’ is. Als soort kan de mens alleen ‘mens’ blijven, maar er valt wellicht nog heel wat te ontdekken … en wie weet evolueert er uit de soort mens nog een andere mutatie, die het nog beter doet?

 

Ik heb weet van een realiteit die niet zo fraai is maar toch sta ik ’s morgens op en begroet het licht en de kleuren en geniet van de natuur in een godvergeten dorp als Werchter. Vanuit die beleving situeer ik me in deze wereld: mijn kader van verhalen vertellen.

    het kader: scheppingsverhaal of evolutietheorie

    een woeste leegte

    ontstaan van dualiteit

    schepping of mutatie

    de mens of ontstaan van zelfbewustzijn

de mens geeft vorm aan de wereld of een steeds verder evoluerende natuur

    is de schepping ‘af’ of blijft de evolutie zich doorzetten

    een van mijn verhalen

Het kader

Op een wit blad: een kaderlijn. Deze lijn bepaalt binnen welke ruimte het beeld of de verbeelding zich mag manifesteren. Dit kader maakt duidelijk van waaruit men het verbeelde vorm geeft. Op dit witte papier in deze situatie, verwijst het kader naar een tekenkundige actie. De vorige tekeningen maakten duidelijk dat het om een experiment van vereenvoudigen ging. Door een kader geef je de grenzen aan waarmee je aan de slag gaat.

 

Absolute waarheid bestaat niet. Het is steeds een verhaal van mensen, vanuit de mogelijkheden en begrenzingen van het menselijk bewustzijn. Boeiend is wel dat dit menselijk bewustzijn steeds dieper kan doordringen in de werkelijkheid naarmate de wetenschap middelen ontwerpt en gebruikt om die wereld te ontraadselen.

 

Ook de niet-wetenschapper kan niet buiten een ‘kader’. Een verhaal, gesproken of geschreven is afhankelijk van de concrete verteller en de toehoorder(s) of lezer(s) waarvoor het verhaal verteld wordt. Door een ‘kader’ neemt men een bepaalde plaats in: een oorlog krijgt andere bewoordingen als het de overwinnaar of de verliezer is die het verhaal vertelt, als het conflict nog met knotsen of met gesofistikeerde wapens is uitgevochten.

 

Luisteraar of vertellers weten dat het vertelde geen ‘absolute’ waarheid bevat, hoogstens een benadering. Beiden genieten echter om een realiteit op te roepen waarbij de fantasie aangesproken wordt. Een goed verhaal tilt een mens boven het alledaagse ‘gekend’ zijn uit. Zelfs een nieuw recept voor soep kan zo een boeiend verhaal leveren.

Horizontaliteit

En dan kan ik niet anders meer dan de reeks stoppen of de verticaliteit laten verdwijnen en alleen het horizontale tot taal maken. Het horizontale verdeelt de ruimte in een boven en een onder … maar voor de rest leegte.

 

Resten van het scheppingsverhaal komen bij me aanwaaien. Van een god die eerst de ruimte schiep om daarna er van alles aan toe te voegen. Ik heb dat altijd een mooi verhaal gevonden: zoals ‘Gods geest zweefde over de wateren’ … ik stelde me dan een god voor die als een soort mist boven de grote grachten van ons dorp zwierf, want de zee had ik toen nog niet gezien. Als kind uit het (vochtige) Waasland maakte ik elk jaar die mist mee: er was nog ruimte en vlakte genoeg om dat als iets ‘geweldigs’ te ervaren.

 

Plots besef ik dat ik een omgekeerd scheppingsverhaal getekend heb. Ik moet die werken eens op een rijtje zetten en kijken of het klopt.

Nog wat verder proberen?

Als ik nu die verticale lijn niet helemaal doortrek maar ze wat boven en onder de horizontale lijn laat uitkomen, wat dan? De vraag stellen is het experiment aangaan.

 

Het strakke van de vorige tekening verliest plots zijn uitdagende vormgeving. De verticale staat zo wat verloren in de ruimte. Net een uitproberen dat niet tot in zijn uiterste consequenties werd doorgetrokken wegens bv. angst voor het radicale.

 

Zoiets als een mens: zoveel mogelijkheden zijn in hem aanwezig … maar om te overleven kan dit wezen niet anders dan zich aanpassen aan de wetten, of het nu de natuurwetten of de wetten van de samenleving zijn.

Nog een stap verder

De rechtopstaande vorm heeft nog een zeker volume, ook dat mag verdwijnen. Daardoor ontstaan twee lijnen die verwijzen naar de twee principes die onze waarneming helpen bepalen: de horizontaliteit en de verticaliteit. Ik laat de beide lijnen doorlopen tot aan het kader, zo wordt het landschap in vier ongelijke vlakken verdeeld.

 

Deze tekening heeft een grijpend, bijna meedogenloos karakter. Net of de vormgeving van abstracte principes aan het absolute raakt. Het doet me ook denken aan Mondriaan.

Nog eenvoudiger

Als ik het attribuut dat de opwaartse vorm omgeeft nu eens weggelaat verkrijg ik nog meer essentie: louter verwijzing naar het verticale in het veld. Het boeit me enorm wat er plaats vindt bij het vereenvoudigen: hoe ver kan je gaan totdat de essentie van ‘landschap’ verdwijnt? Zolang wat in lijnen uitgedrukt wordt van toepassing is op de gedifferentieerde werkelijkheid zit ik nog goed.

 

Het lijkt een avontuur: ik weet niet waar ik uit zal komen. Maar bij het uittekenen van elke vereenvoudiging zie ik al andere mogelijkheden opdagen. Ik wil aan niets anders denken dan de volgende tekening.

Meer van Lut De Rudder

↑ Terug naar de berichten