De straat


Terwijl ik schrijf en schrijf (eer de volledige catechismus overgeschreven is zal ik dikwijls ophouden met kramp in de vingers) laat ik de herinneringen hun weg gaan. Tussendoor, om even te bekomen, maak ik ontwerpen voor later: hoe geef je die herinneringen vorm? De eerste vier ontwerpen hebben betrekking op mijn geboortedorp: het dorp, de straat, het huis … en tenslotte mijn eerste herinnering. Ik gebruik daarvoor een naïeve tekenstijl. Bijna alsof ik in de huid kruip van het kind dat ik toen was en van daaruit de wereld beschrijf, mijn wereld, die niet verder ging dan een dorp, wat straten, het huis waar we woonden. Toch is het geen kindertekening. Ik gebruik de ervaring die ik opgedaan heb, om de tekening op papier te zetten.
Nu wil ik me concentreren op de straat waarin ik woonde. We woonden op zo’n 200m afstand van het station. Aan de andere kant, een kilometer verder, stond de school. De straat maakte een T-kruising met de andere straten en de school lag aan het bovenste lijntje van de T. Vanaf mijn drie jaar ging ik twee keer per dag de weg naar school heen en weer. ’s Morgens rond acht uur vertrokken we om ’s middags thuis warm te eten en tegen half twee moesten we weer op school zijn om tegen vier uur weer naar huis te gaan, of was het half vier. In elk geval, vanaf het derde leerjaar mocht ik Franse les volgen: dat was ’s middags of ’s avonds een half uur nablijven. Ik herinner me ook dat er nog op zaterdag les werd gegeven.
Op die straat kwamen andere straten en steegjes uit. Naarmate de weg naar school korter werd, kwamen er meer kinderen bij. Soms ging ik een vriendinnetje ophalen bij haar thuis. De eerste keer was dat voor mij een hele ervaring. Het ging er anders aan toe dan bij ons. Het huis was pas gebouwd met voor mij heel grote ramen, er stonden andere meubelen en om mijn vriendinnetje melk te doen drinken werd er een verstopspelletje gespeeld … die fantasie zou bij ons thuis nooit opgevoerd zijn. Omdat ik dreigde het spelletje te doorbreken met mijn aanwijzing deed de moeder teken van te zwijgen, nadien zei ze dat het een manier was om haar dochter haar melk te doen drinken. Ik ben dat vriendinnetje vaak gaan ophalen, maar nu wist ik dat ik het spelletje niet mocht verstoren en dat die moeder tijd had om op een speelse manier met kinderen om te gaan.
Er stonden toen nog zwarte houten telefoonpalen in de straat. Als de telefoonmannen bovenaan iets moesten doen, deden ze ronde ijzeren klauwen aan de voeten, die rond de paal grepen en waarmee ze zich in het hout vast haakten. Zo klommen ze inslag na inslag naar boven. Dat vond ik altijd heerlijk om zien. Helden waren het. Zelf hebben we in dat huis nooit telefoon gehad. Er werd geen telefoon gebruikt. Er was wel een telefoonnummer van buren die zaken deden: die kon men vragen of ze ons een bepaalde boodschap wilden doorgeven.
Op mijn twaalfde verhuisde het gezin naar een nieuwbouw. Daar kregen we na een paar jaren wel telefoon, maar nog met een oproepsysteem: eerst de centrale bellen, nummer zeggen en zij brachten de verbinding tot stand.
In die straat stonden ook boerderijen: bij een van die boeren gingen we om melk en kochten we boter. Ze hadden een knecht op die boerderij: een jongen die niet te slim was. Hij woonde in. Soms zaten ze allemaal aan tafel: boer, boerin, een hele resem kinderen en de knecht. Op een middag stond de deur naar een soort kelder open: daar stond het bed van de knecht en nog een stoel, meer plaats was er niet. Er lag ook nog een hoopje kleren. Waarschijnlijk werd zijn slaapplaats zo verlucht. Dat gaf me wel een schok. Zo moeten slapen! Toch was dit niet ongewoon. Hygiëne kwam nog niet aan bod: als de melk maar goed gezeefd en in gewassen bussen gedaan, waren de verbruikers al erg tevreden. Trouwens, de melk werd toch gekookt.
Langs een paadje dat op onze straat uitkwam, kwam je uit op het voetbalveld. Verder was het achter de huizen één brok natuur met veel weiden, boomgaarden, graanvelden. Wellicht is het meeste veld nu verkaveld. Zoals Werchter. Toen we hier bijna 15 jaren terug kwamen wonen, was het nog een slapend dorp dat eens per jaar wakker werd bij Rock-Werchter. Nu wordt de ene verkaveling na de andere volgebouwd. Het zal druk worden: meer mensen die ’s morgens naar hun werk trekken, meer kinderen op school, de rij bij de bakker nog langer … en de mensen die de oude familieverhalen nog kennen, zullen langzaam verdwijnen. Alsof het dorp een wedergeboorte gaat ondergaan.











