Zwarte Furie I
Terwijl ik thuis aan mijn tekentafel vel na vel volschrijf met het vraag- en antwoordspel van de catechismus, werk ik in de academie een herinnering uit die ik ‘Zwarte Furie I’ noem, want er zitten nog Zwarte Furies in mijn aanbod.
De eerste ‘Zwarte Furie’ gaat terug naar het tweede en laatste jaar van het regentaat (1963). Ik volgde de richting Nederlands-geschiedenis. We deden eindexamen, daarna zouden we een diploma krijgen en het veld ingestuurd worden. Omdat een vriendin, interne, het moeilijk vond om op haar eentje geschiedenis te studeren, besloten we dat samen te doen. Het was een heerlijke zondagnamiddag. We installeerden ons op haar kamer en met het raam open werkten we uur na uur. Ongelooflijk hoe stil het was in de anders zo drukke school. Tot we even wilden pauzeren en een sigaret opstaken. Het grootste deel van onze klas rookte toen, meer uit ook eens willen roken, nieuwe dingen uitproberen, dan echt verslaafd zijn en het roken niet laten kunnen. Maar voor de sigaret op was vloog de deur open, een ziedende non vloog binnen en stuurde me met uitgestrekte arm huiswaarts: hoe durfden we!
Ik was er onderste boven van: waarom werd ik naar huis gestuurd, terwijl we niets anders deden dan hard en braaf studeren om door de examens te geraken? Wanneer ik ’s anderendaags mijn vriendin zag, wist die ook niet waarom die non zo kwaad was en er werd verder ook niets over gezegd.
Nu probeer ik te begrijpen wat er toen voorgevallen is. Roken was voor ons jongeren al iets evident maar het paste niet in het concept van de vorming die de school ons wilde meegeven. Maar die non had geen woorden om die misdaad te benoemen. We werden opgevoed in verkeersbordentaal: doe dit, laat dat en daar hoefde geen uitleg bij. Je hoefde niet te begrijpen waarom je iets moest doen of laten: de opvoeders wisten wat het beste voor je was en daarom diende je er eraan te houden. Punt. Ik denk niet dat brandgevaar al om de hoek kwam kijken, want dan zou dit wel verteld zijn nadien. Er kwam gewoon verbod van roken, ook niet op de kamer. Hoewel dit een redelijk verbod is, kwam het bij niemand op om naar die redelijkheid te vragen of die uit te leggen. Alles zat in hokjes van ver- of gebod. Zo’n autoritair optreden werd als normaal beschouwd: de evidentie zelf. Gelukkig kwamen de jaren ’68 en hun nasleep aan, maar dat wisten we toen nog niet.
Op de tekening zie je op de voorgrond de zwarte schaduw van de woedende non. Rechts achter: de vakjes waarin de ge- en verboden ingemetseld zijn. Links, de rode vakjes, is de weegschaal waarmee geoordeeld werd: je had de brave leerlingen die gewaardeerd werden en de problematische leerlingen. Waarom een bepaald gedrag problematisch was kon niet gezegd worden, alles moest in één grote symbiotische beleving zonder woorden ‘gevat’ worden, het woord ‘waarom’ werd geweerd uit de woordenschat, dat was te moeilijk.
Neen, ik ben niet getraumatiseerd door dat voorval. Het tekende alleen de tijd: de jongeren die iets uitprobeerden zonder kwaad opzet en de gevestigde orde die een kruisvaart ontketende tegen zoveel onheil.
Wat die non er nu van denkt? Ze herinnert zich me niet meer. Voor de rest is ze gepensioneerd en actief in de parochie. Zou ze nu wel rokers bezoeken?












