De Groote Oorlog V

Er was een vergadering gepland om het project ‘Gasthoven invites 2014' aan de deelnemende kunstenaars voor te stellen en de namen van de slachtoffers toe te wijzen. Ik kon niet gaan en daarom vroeg ik iemand om in mijn plaats de mij toegekende naam in ontvangst te nemen.
Het werd: ‘Michiels Ludovicus Gustavus, 17/11/1883, Aarschot, treinoverste 31 x’.
Meer informatie werd er niet gegeven.
In ‘Woensdag 19 augustus 1914’ geeft een getuige volgend verslag:
‘In de Amerstraat, waar ik op nr. 77 woonde, stond mevrouw Chapeuville aan de deur om de Duitse soldaten een tas warme koffie aan te bieden. Enkele soldaten stieten de vrouw opzij en de man werd brutaal buiten geduwd. Toen ik dat zag maakte ik dat ik weg kwam. Dat lukte me, want een half uur later zat ik opzolder van Monne Peeters, het hoekhuis van Begijnhof en Staionstraat. Het is vanop die zolder dat ik drie mensen met opgeheven armen zag doodschieten op de wei van Milis. Het gebeurde precies op de plek waar thans het bureau is gevestigd van de steenkapper Renier, voor de bareel aan het pinklicht van de Betekomsesteenweg.’ Het betrof hier Frans Chapeauville, Staf Michiels en Isidoor van Gaubergen.
Over de moord op deze drie brave vaders zijn we bijzonder goed ingelicht door mevrouw Michiels (Cecile Corens) zelf, die haar eigen echtgenoot moest horen doodschieten.
Luister:
‘Ik woonde met mijn man en ons kindje van zeven maand in de Amerstraat. Het was die woensdagochtend rond 9 uur dat er kogels in en op ons huis terecht kwamen en wij alledrie in de kelder naast ons, bij de familie van Gaubergen (Amerstraat 104), gingen schuilen. Een weinig later beukten de Duitsers de deur in en haalden ons uit de kelder. We werden gedwongen voor een vijftiental gewapende soldaten vooruit te lopen. Ik droeg mijn kind. Mevrouw Van Gaubergen droeg ook haar pasgeboren kleintje, terwijl vader van Gaubergen zijn tweejarig dochtertje Mariette droeg. We moesten opstappen naar het kapelleke aan het sas dus ongeveer driehonderd meter verder. Achter ons kwamen vader en moeder Chapeauville. Deze laatste werd aan de brug Van Thielen terug naar huis gestuurd. Aan het kapelleke was het halt houden. Langs de andere kant van de steenweg lag de grote wei van Milis. Wij vrouwen werden dan door een drietal Duitsers verplicht achter het kapelleke te gaan staan. De kleine Mariette werd uit de armen van haar vader tegen de kasseien gesmeten. Moeder van Gaubergen liep er naar toe en raapte haar kind op. Het kind was niet dood maar kreeg plotseling en herhaaldelijk stuipaanvallen. Die aanvallen hebben zich blijven voordoen. Wij stonden een paar minuten achter die kapel toen plots een zestal schoten weerklonken. ‘Nu zullen ze dood zijn’, riep mevrouw Van Gaubergen. Achteraf is gebleken dat juist Isidoor, haar man, dodelijk getroffen nog een paar meter is kunnen wegkruipen en eerst verder met een banjonet werd afgemaakt. Dan kwamen al die Duitsers tot bij ons. Ze verboden ons formeel naar onze echtgenoten te gaan zien en bevolen ons zo snel mogelijk naar huis te lopen.
‘Op het middaguur ben ik helemaal alleen naar die executieplek gegaan. Ik moest mijn man nog éénmaal zien. De drie lijken lagen met een gezwollen en bebloede kop. Benevens een kogel in het hoofd had mijn man een bajonetsteek in de bil en in de arm gekregen. Hij was reeds stijf. Ik heb dan zijn portemonnee, zijn zakuurwerk en zijn trouwring meegenomen en ben naar de Zusters van de school gegaan om te vragen dat ze die lijken, gezien de warmte, toch zouden begraven. Maar hier werd mij geantwoord dat zij die lijken niet konden of durfden begraven. Achteraf heb ik vernomen dat Gustaaf Ectors en Fons Zoutberghs (de Bats) ze hebben moeten begraven.















