Een dekentje van bloemen
We komen samen met de familie om naar het graf van Arne te gaan. Deepak heeft twee boeketten rozen gekocht, witte en rode. Een voor een leggen we ze op het graf. Het is net of we Arne toedekken met een dekentje van bloemen. We blijven dan een poos staan, dicht bij Arne, ieder in zijn of haar wereld.
Het zijn momenten waarop de pijn zich plots scherp aanwezig stelt: de pijn van zoveel jaren gemis, de pijn van leven zonder hem.
In heel wat godsdiensten is er uitzicht op een leven ‘na’ de dood. Het is een hoop of geloof dat men uitspreekt als vorm van troost. Ik hoop noch geloof dat ik Arne na dit leven terug zal zien. Sterven is voor mij een definitief verlaten van het ‘zijn’. En ik weet niet of de spanning aanhouden naar een leven na de dood zo ‘troostend’ is. Ik zie soms mensen hun verlangen richten op dat leven ‘na’ de dood, waardoor ze niet meer kunnen aarden in het leven zelf. Natuurlijk is het wreed om iemand waarvan je zielsveel hield te moeten afstaan aan het ‘niets’. De openheid van het verlangen confronteert je voortdurend met een weerzien ‘later’. Geeft dat rust of wordt de tijd daardoor vijand omdat het weerzien zo lang duurt? Het ‘niets’ is iets definitief: je hebt geen keuze meer. Rouwen is heen en weer geslingerd worden tussen tegenstrijdige gevoelens, het confronteert je met het diepste van jezelf. Maar eens je kan aanvaarden dat de geliefde ‘weg’ is uit de wereld van levenden komt er een vorm van verzoening opzetten met de realiteit. Voor mij is die realiteit : zolang ik hier ben wil ik verder leven en mijn verlangen richten op ‘hier en nu’. Ik weet dat ieder een eigen weg moet gaan, dat de pijn soms ondraaglijk is. Hopelijk ontdekt iemand door de zwaarte van het rouwen hoeveel ‘graag zien’ er was en is. Die ontdekking stemt me dankbaar: ik mocht Arne heel graag zien en dat graag zien blijft als een warme aanwezigheid in mij verder leven.
Verzoening met wat gebeurde is die wereld van rouwen, de wereld van de geliefde, niet verdonkeremanen alsof die niet bestaan heeft. Integendeel, die wereld vraagt om vormgeving, om gedeeld te worden met anderen. Zo komen we in Leuven maandelijks samen met ouders die een kind verloren door zelfdoding: we leren over onze dode kinderen spreken, zodat ze een nieuw leven geschonken worden in ons bewustzijn, zodat ze aanwezig blijven in ons bestaan.
En niet alleen ‘praten’ behoort tot die vormgeving, maar ook een dekentje van bloemen leggen op een graf en daar rond staan alsof Arne van uit zijn dood-zijn opnieuw in de levende intimiteit van het gezin opgenomen wordt.
















