Cartoons (Ereli)

|
cartoons |






Knudde
Cartoons (Ereli)
|
cartoons |






Knudde
Nog wat mooie foto'sz (Martina1)
|
nog wat mooie foto's |
zijn 3de verjaardag
close up van mol
olifantenfamilie
moederhen
dumbo aan het drinken
Extreme dierenliefde (Ereli)
|
extreme dierenliefde |

Knudde
Dikbil
Een dikbil is een rund met een overmatige spierontwikkeling. Dit fenotype wordt veroorzaakt door het dikbil- allel van het myostatine - gen dat normaal de spierontwikkeling remt. Dit allel komt door selectie heel vaak voor bij het Belgisch wit-blauwe runderras.
Bij schapen wordt een gelijkaardige mutatie callipyge ( Grieks voor "mooie bil") genoemd.
Amerikaanse sneeuwgeit
De onwankelbare en opvallend lenige sneeuwgeit voelt zich thuis op terrein waar zelfs doorgewinterde bergbeklimmers moeite mee hebben. Hij springt onbevreesd van richel naar ichel, op zoek naar de schaarse vegetatie die op de steile rotswanden van zijn Noord-Amerikaanse habitat groeit. Speciaal aangepaste hoeven functioneren als zuignappen, waardoor hij houvast heeft op steile, ruwe rotsen.
Gedurende de paartijd die eind herfst en in de winter valt, strijden de bokken om de gunst van de vrouwtjes. Ze vechten agressief en rammen flanken en romp van hun tegenstander. Hun scherpen hoorns kunnen ernstige verwondingen veroorzaken. In deze tijd van het jaar zijn de bokken dominant en staan de vrouwtjes lager in rangorde, maar de rest van het jaar domineren juist de vrouwtjes de groep. Eind voorjaar of begin zomer zoekt het drachtige vrouwtje een afgezonderd plekje op een steile berghelling waar ze haar jongen ter wereld kan brengen. Ze werpt één tot drie jongen en zoogt deze drie tot vier maanden. Wanneer de moeder een jaar later opnieuw op het punt van werpen staat, jaagt ze de jongen weg.
Sneeuwgeiten behoren tot de grazende herbivoren en leven strikt vegetarisch. Het menu is afhankelijk van wat het seizoen biedt en bestaat onder andere uit varens, bloemen, biessoorten, grassen en bladeren en takken van struiken. Tijdens de winter eten ze voornamelijk mossen en korstmossen. De dieren halen het nodige water uit plantensappen en uit de eeuwige sneeuw van hun ijzige leefgebied. Grazende dieren moeten grote hoeveelheden plantaardig materiaal eten om voldoende energie binnen te krijgen, en sneeuwgeiten doen tijdens hun actieve periode dan ook niets anders dan grazen. Ze grazen op relatief open vlakten en mijden plekken waar bomen het uitzicht belemmeren en mogelijke belagers verbergen.
In de winter en het voorjaar leven de sneeuwgeiten in grote groepen, maar tijdens de zomer kiezen ze voor kleinere familiegroepjes of zwerven alleen rond. Ze beginnen hun dag bij zonsopgang, zijn tot de middag bezig met voedsel te zoeken en rusten dan tot zonsondergang. Tijdens de nacht slapen de sneeuwgeiten in een ondiepe kuil in de grond. Als het erg warm is, gebruiken ze hun bed ook als verkoelend stofbad. Wanneer het herfst wordt trekt de sneeuwgeit van de hoger gelegen voedsel- en werpgebieden naar het lager liggende winterkwartier, vaak via bestaande routes die bekend staan als treksporen. Het gaat bij die trektochten soms om afstanden van zeven tot zestien kilometer. De sneeuwgeit trekt in het voorjaar en de zomer ook naar zoutlikplaatsen (plekken in het wild waar natuurlijke zoutafzettingen voorkomen) voor de noodzakelijke spoorelementen die ontbreken in zijn normale voedsel.
Hoewel deze diersoort niet echt bedreigd wordt en op vele plaatsen verordeningen van kracht zijn, kan de illegale jacht een probleem zijn. Mensen jagen vooral op de sneeuwgeiten als trofee om op te zetten en aan de muur te hangen, al is ook hun dichte vacht in trek.
(worldexplorer)
Fretkat
De fretkat is het enige lid van zijn geslacht, Cryptoprocta. Met zijn stompe, hondachtige neus, puntige snijtanden, katachtige ogen en gedrongen lijf, lijkt de fretkat een vreemde kruising tussen en hond en een poema, die op zoek naar prooi onopvallend door de tropische wouden van Madagaskar sluipt. Met snelle, vloeiende bewegingen klimt en springt dit lenige dier door de bomen en als hij een prooi heeft gevangen, verscheurt hij die met zijn tanden en klauwen.
Rare dieren (Ereli)
|
rare dieren |

Pinkat
Rode Wolfmus 
Katuil
Labrameeuw
Papehondgaai
Paardekatpapegaai

Chinchillameeuw
Knudde
Klein geaderd witje (Ereli)
| Klein geaderd witje | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Pieris napi ( Linnaeus , 1758 ) | ||||||||||||
| {{{Plaatje3}}} |
Het klein geaderd witje (Pieris napi ) is een dagvlinder uit de familie Pieridae , de witjes.
Het klein geaderd witje komt in grote delen van Europa . De vlinder vliegt van zeeniveau tot 2000 meter in berggebied. Het heeft geen specifice eisen aan zijn omgeving en kan daarom overal worden aangetroffen.
De vleugel heeft een lengte van 20 tot 24 millimeter en is sterk geaderd.
De vlinders komen in twee tot drie generaties voor. De vliegtijd is van april tot en met november . Ze overwinteren in het popstadium .
| Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen zijn te vinden op de pagina Pieris napi op Wikimedia Commons |
Knudde
Cartoons (Ereli)







Knudde
Grappige dierenfoto's (Ereli)





Knudde
De kleine plevier of charadrius dubius (Ereli)
De kleine plevier of charadrius dubius
Trekvogel, eind maart tot oktober. Waadvogel met het formaat van een vink. Verschilt van de vergelijkbare bontbekplevier door de zwarte (niet oranje-gele)snavel; de grijzige tot vleeskleurige (niet oranje) poten en de citroengele oogring. In de vlucht geen witte band zichtbaar zoals hij de bontbekplevier. Verder is de stem zeer kenmerkend. Jonge vogels en vogels in rustkleed hebben geen zwarte tekening op de kop. Holt zoals alle plevieren met snelle dribbelpasjes en stopt plotseling. Verspreiding en woongebied : broedvogel in het ganse Europese binnenland, niet langs de kust, behalve in het hoge Noorden. bij ons verspreid voorkomend, maar nergens talrijk. Heeft een voorkeur voor vegetatie-arme vlakten in de buurt van water. Is door waterregulering afgenomen. Broedt nu in grindgroeves, maar ook in boerderijen ver van de bebouwing en steenbergen, waardoor het bestand weer enigszins hersteld en zelfs uitgebreid is. Voortplanting : vlak nest op de grond, vaak met kiezels. De vier kiezelkleurige eieren zijn lichtgrijs met donkere punten en worden tussen april en juni gelegd. In de regels slechts één legsel per jaar. Beide ouders broeden 22-28 dagen. De jongen kunnen met 25-30 dagen vliegen. Voedsel : insecten en andere kleine diertjes, die van de grond gepikt worden.

Mopshond (Ereli)
| Mopshond kleine gezelschapshond - eenvoudig vachtonderhoud - veel beweging nodig - goede waakhond |
|
LAND VAN HERKOMST : Engeland GESCHIEDENIS |

Sybil de machtigste kat (Martina1)
|
Sybil, de machtigste kat |

De eend (Ereli)
|
|
Knudd
Wilde eend (Ereli)
|
Wilde eend
Klasse: Aves (vogels)
|
|
| Kenmerken | Watervogel met oranje poten, zwemvliezen, brede platte snavel en paarsblauwe spiegel. De woerd (mannetje) heeft een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart. Het vrouwtje heeft een onopvallend bruine kleur en een oranje-bruine snavel. Tijdens de najaarsrui onderscheidt de woerd zich door zijn gele snavel van het vrouwtje. Veel exemplaren tonen opvallende kleurafwijkingen door vermenging met gekweekte vormen en zijn soms moeilijk te herkennen. |
| Biotoop | Leeft in en bij meren, rivieren, sloten en plassen. |
| Verspreidingsgebied | Europa, Azië en Noord-Amerika. |
| Maten | Ongeveer 60 cm lang en weegt 1,25 kg |
| Paartijd | De paartijd is in de herfst en de broedtijd in het voorjaar. |
| Aantal jongen | 10 tot 12 lichtgroene eieren worden in 3 tot 4 weken uitgebroed door het wijfje. Na 9 tot 12 maanden zijn de kuikens volwassen. Meerdere legsels komen regelmatig voor. |
| Leefgewoonte | Zwemmen, duiken, poetsen en (`s nachts) voedsel zoeken . In het najaar trekken ze soms een stuk naar het zuiden. |
| Voedsel | Insekten, larven, wormen, jonge kikkers, padden en visjes, gras, waterplanten, zaden, zoals graankorrels, bessen en eikels. |
Vrouwtjes laten het meest van zich horen
Alleen vrouwtjes kunnen kwaken. Mannetjes fluiten of maken wat zachte geluiden. De Wilde eend behoort tot de grondeleenden, ook wel zwemeenden genoemd. Deze eenden staan vaak met hun kop onder water te zoeken naar voedsel (grondelen). In ons land broeden ongeveer 300.000 paar Wilde eenden. De meesten blijven hun hele leven in ons land. Veel Wilde eenden uit Noord-Europa brengen de winter in Nederland door. Dan bivakkeren hier regelmatig zo'n miljoen Wilde eenden.
Goede drijvers en snelle vliegers
Tussen de donsveren wordt lucht vastgehouden om het drijfvermogen te verhogen. De eend zwemt als het ware met opgevouwen vleugels in een donzen "roeiboot". Het brede lichaam blijft bij wind en golfslag gemakkelijk in balans. Wilde eenden duiken niet gauw en meestal niet dieper dan een meter. Daarna worden de vleugels zorgvuldig druppelvrij gemaakt. Dankzij hun lange en spitse vleugels kunnen ze vrijwel loodrecht uit het water opstijgen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de duikeenden die een lange aanloop nodig hebben om te kunnen opstijgen. Het zijn "slagvliegers"; ze kunnen niet zweven, maar behoren wel tot de snelste vliegers van het vogelrijk.
Huwelijk
In de wintermaanden is het gedrag dat hoort bij "verliefd, verloofd en getrouwd" goed te volgen. Het begint met bijeenkomsten van mannetjeseenden, de woerden, op het water. Ze proberen indruk op elkaar te maken door allerlei dansjes op te voeren en door veelvuldig met hun snavel te wijzen naar hun fraai gekleurde spiegel. De vrouwtjes volgen dit pronken en stoer doen nauwlettend. Als een mannetje voor een bepaald vrouwtje valt, maakt hij zijn liefde duidelijk door onder meer regelmatig met zijn snavel druppels water in de richting van zijn uitverkoren vrouwtje te gooien. Wanneer ze eenmaal verkering hebben, wijst het vrouwtje met haar snavel de mannetjes aan die door haar geliefde weggejaagd moeten worden.
Nadat het huwelijk is gesloten, wordt er dagelijks op het water gepaard. Zonder water is er ook geen paring. Na een paring zwemt het mannetje een rondje om z'n vrouwtje en vervolgens nemen ze een bad. In maart maken ze "verkenningsvluchten" om een geschikte woning te zoeken. De man beslist uiteindelijk waar de woning komt. De vrouw zorgt voor de inrichting van het nest en legt zo'n tien eieren. Deze eieren worden uitsluitend door het vrouwtje bebroed omdat zij in tegenstelling tot haar man goede schutkleuren heeft. Eerst blijft de woerd nog in de buurt van het nest. Vaak begeleidt hij zijn vrouwtje als ze het nest even verlaat voor haar ontbijt en avondmaal. Na een week houdt het mannetje het voor gezien en verlaat voorgoed zijn vrouwtje. Een woerd ziet dus nooit zijn eigen jonkies. Op het water is de eend voor roofdieren moeilijk te vangen. Maar om te broeden moet het wijfje het land op. Daar is ze kwetsbaar, al is ze uitstekend gecamoufleerd.
Eendenkuikens moeten vaak aan land om te rusten. In sloten en vijvers met steile oevers verdrinken veel jonge eendjes: die kunnen de kant niet opkomen en raken uitgeput.
|
|
|
Dagindeling
Wilde eenden eten in de wintermaanden voornamelijk gras. In het voorjaar worden Wilde eenden "vleeseters". Ze eten dan onder andere slakken en
waterinsecten. 's Zomers en in de herfst gaan ze weer over op een vegetarisch dieet dat vooral bestaat uit zaden van grassen en granen.
Eendenkuikens eten allerlei kleine diertjes, zoals muggen en waterslakjes.Wilde eenden zoeken vooral 's nachts naar voedsel. Omdat "eendjesvoeren" overdag gebeurt, denkt men vaak dat eenden overdag voedsel zoeken. Veel eenden verlaten tegen de avond echter het water en vliegen dikwijls voor hun maaltijd naar het boerenland. Tegen de ochtend keren ze huiswaarts en gaan dan slapen. 's Middags nemen ze uitgebreid een bad en wordt er druk gepoetst. Boven hun staart hebben ze een vetklier: een soort tube met vet. Daarmee smeren ze dagelijks met hun snavel de veren in, zo blijft het verenpak waterdicht.
|
|
|
|
Slobberen
Als eenden grondelen zuigen zij met hun vlezige, gevoelige tong water op door de snavelspits en slaan dit met gesloten snavel via de randen weer naar buiten. Hierdoor ontstaat het bekende snaterende/slobberende geluid. Het voedsel is voornamelijk plantaardig. Zwemeenden gaan vooral 's nachts op zoek naar eten. Voedselvluchten vinden plaats over 10 km en meer.
![]() |
![]() |
Een andere jas
Een vogelveer is een wonderlijk staaltje van vernuft. Het weegt bijna niks, is veerkrachtig, waterafstotend en isolerend. Het enige nadeel is dat een veer slijt. Daarom ruilen vogels minstens één keer per jaar hun oude "jas"
in voor een nieuwe; dit wordt rui genoemd. Eenden verliezen in korte tijd alle grote veren vanuit hun vleugels en kunnen een maand lang niet vliegen.
Mannetjes krijgen dan hetzelfde bruine onopvallende verenkleed als vrouwtjes, zodat ze in deze kwetsbare tijd niet opvallen. Ze zijn 's zomers
dus wel aanwezig maar worden door hun bruine outfit niet herkend als mannetjes. Alleen aan de groengele kleur van de snavel kun je zien dat het
een mannetje is, vrouwtjes hebben een bruinoranje snavel. Pas in september krijgen de mannetjes hun mooie prachtkleed terug.
Knudde
Een lachtertje tussendoor
|
Een lachertje tussendoor |

Het wouwaapje (Ereli)
Het wouwaapje of ixobrychus minutus
Trekvogel (april tot oktober). Deze reiger met de afmetingen van een Vlaamse gaai, leeft in het riet. In de vlucht steekt bij alle kleden een groot, licht veld af tegen de donkere bovenkant, vooral markant bij de mannetjes. Het vrouwtje heeft eenzelfde kleed als de jonge vogels. Vliegt laag, met brede vleugels en hangende poten korte stukjes boven het riet. Bij gevaar staat de vogel als een paal met opgerichte kop. Verspreiding en woongebied : een broedvogel in gans Europa, behalve Engeland en Scandinavië. Is bijna overal met uitsterven bedreigd. In dicht riet- en wilgenland langs het water. De vogel overwintert voornamelijk ten zuiden van de Sahara. Voortplanting : een nest in dichte vegetatie. Legtijd : mei en juni - één tot twee legsels - vijf tot zes matwitte eieren. Beide ouders broeden 17-19 dagen. De jongen lopen met 8-10 dagen al rond en kunnen na een maand vliegen. Voedsel : kleine visjes, dikkopjes, kikkers, insecten, wormen en weekdieren.

De oehoe (Ereli)
Uilen doen, dankzij hun ronde uiterlijk en hun grote ogen, een beroep op onze positieve gevoelens. We ervaren ze als "lief." Oehoeboeroe van Paulus de boskabouter en mijnheer de Uil zijn goedmoedige, wijze personen met een vertrouwenwekkende bromstem. Toch bestaan ook de uitdrukkingen "Zo dronken als een uil; "Zo dom als een uil" en "Ieder meent zijn uil een valk te zijn." Daarnaast zijn uilen geduchte nachtrovers; de letterlijke doodsschrik van vele kleine en grotere dieren. Ook spelen ze, door hun nachtelijke leefwijze en soms lugubere schreeuw, een belangrijke rol in het bijgeloof.
UILEN ALGEMEEN
Systematisch gezien horen de uilen tot de vogelorde der Strigiformes, met 133 soorten verdeeld over twee families.
Tot de familie der Tytonidae rekent men de negen soorten kerkuilen, die op grond van enkele lichamelijke verschillen worden onderscheiden van de "echte" uilen of Strigidae.
Het zachte, bol staande verenkleed van de uilen zorgt voor een geruisloze, spookachtige vlucht door de nachtelijke stilte. Door die bedekking met veren lijkt de kop groot en de hals kort.
De ogen staan onbeweeglijk voorin de kop. Hierdoor is het blikveld klein, maar het vermogen om afstand te schatten goed ontwikkeld. Dit is voor roofdieren essentieel, bij alle groepen ervan liggen de ogen naast elkaar. Om de onbeweeglijkheid van de ogen te compenseren, kunnen uilen de kop zeer ver ronddraaien; tot 270 graden rondom en 180 graden naar boven, hierdoor kan ze letterlijk "ondersteboven" gehouden worden. Om voldoende licht te kunnen opvangen in het halfdonker (in het pikkedonker zien zelfs uilen niets) zijn de ogen groot; de oogbol is soms even groot als die van de mens. Alleen pupil en iris zijn zichtbaar omdat het oog, in een plat gezicht, door een krans van veertjes, DE SLUIER, is omgeven.
Om de gevoelige ogen overdag te kunnen beschermen, trekt er vanuit de ooghoek een derde ooglid, het knipvlies, overheen. De in alle vogelogen aanwezige beenring is bij de uilen tot een op het netvlies uitkomend kokertje uitgegroeid,waardoor echte teleskoopogen ontstaan.
Van de lichtgevoelige cellen zijn vooral de staafjes, het "schemerzintuig", goed ontwikkeld; het kleurenzien d.m.v. de kegeltjes is echter ook aanwezig.
Voor gespecialiseerde nachtjagers op kleine dieren zijn goede oren van belang. In de kop bevinden zich oorspleten, de randen van deze gehooropeningen zijn tot bevederde kleppen omgebouwd. Deze kunnen in de richting van het geluid gedraaid worden en de zeer gevoelige oren geheel bedekken. Deze oorkleppen zijn niet identiek aan de vederbosjes op de koppen van ooruilen, die dienen louter voor de versiering. Om de prooi te kunnen grijpen, doden en verscheuren beschikken uilen over sterke grijpvoeten en een haaksnavel. Kleine prooien worden wel in hun geheel ingeslikt, de uitgebraakte onverteerbare delen kennen we als uileballen.
De voortplantingstijd ligt vroeg in het voorjaar, in het algemeen worden geen nesten gemaakt; de eieren zijn rond en bijna zuiver wit.
De meest opvallende der Strigidae zijn de oehoe's of ooruilen, met elf soorten over de hele wereld verspreid.
OEHOE
Van "de" Oehoe (Bubo bubo) komen ca. 20 ondersoorten voor. Het is een enorme, tonvormige ooruil, 60 à 75 cm groot met een vleugelspanwijdte van 160 à 188 cm. De gezichtsschijf is vrij donker en de sluier niet sterk ontwikkeld. De ondersoort bubo heeft glanzende oranje ogen, bij andere ondersoorten gaan de ogen meer naar geel toe. Deze ogen en de brede, lichtgekleurde keel vallen sterk op; ze geven het dier zijn "vriendelijke" uiterlijk. De snavel is zwart.
BIOTOOP
Hoewel sommigen stellen dat de oehoe geen cultuurvluchter is, beschouwt men hem algemeen als bewoner van de laatste wildernissen, vrij van verstoring; voorkomend in alle gebieden en klimaatzones waar zo'n grote, niet gespecialiseerde predator nog voldoende voedsel en nestelgelegenheid kan vinden. Meestal is dat onherbergzaam terrein of gebieden die op andere wijze gevrijwaard zijn van menselijke verstoring. Met het verdwijnen van deze gebieden nam de populatie van de oehoe in de 19e eeuw af. Andere oorzaken van de achteruitgang waren het uithorsten van nesten en in de landbouw gebruikte gifstoffen. Na nestbescherming en uitzetprogramma's nam het aantal oehoe's in sommige landen weer toe.
In alle populaties komen zwerfgevallen voor buiten het normale verspreidingsgebied. De centraaleuropese en noordeuropese ondersoort bubo (andere ondersoorten zijn bv. hispanus interpositus en ascalaphus) wordt wel aangetroffen in Schotland, het Witte Zeegebied en de toendrazone.
VOEDSEL
Het niet gespecialiseerd zijn van de oehoe blijkt o.a. uit de, vergeleken met andere uilen, kleine gehoorspleten.
De oehoe jaagt vooral onmiddellijk na zonsondergang, in noordelijke gebieden, tijdens de lange zomerdagen, ook wel overdag. Hoewel soms in bossen wordt gejaagd, gaat de voorkeur uit naar spaarzaam bebost terrein. Hier wordt een uitkijkpost opgezocht, die ongeveer iedere vijf minuten wordt verwisseld voor een die 50 à 100 m verder is gelegen. De vlucht gaat vlak boven de grond of de boomtoppen, het verhaal gaat dat dan slapende prooien worden geslagen. Ook wordt verteld dat rotsholten op prooien worden afgezocht en dat eiders op het nest worden gegrepen. Kraaienesten en horsten van de buizerd, inclusief de volwassen vogels, worden in enkele nachten geplunderd. Op visarendenmanier worden vissen uit het water en zelfs uit visnetten omhooggehaald. Een oehoe kan een volwassen eider minstens 500 meter door de lucht dragen, men heeft er zelfs een waargenomen die een volwassen vos in de vlucht meevoerde. Bij het nest zijn prooien tot een gewicht van drie kilo aangetroffen.
Op het menu staan allerlei zoogdieren zoals muskusratten, alle marterachtigen (tot jonge dassen toe), wilde katten, jonge varkens, reeën, honden schapen en zelfs runderen. Bij de vogelprooien trof men, naast een volwassen reiger en een andere oehoe, haviken, buizerds, valken en vele andere soorten aan. Ook reptielen, amfibieën, kevers en vele grote en kleine vissen worden niet versmaad.
TERRITORIUM, VOORTPLANTING
Oehoe's vormen een paar voor het leven. In gevangenschap kunnen ze meer dan zestig jaar oud worden, in het wild wordt deze leeftijd waarschijnlijk nooit gehaald. De oudste geringde vogel was minstens 21 jaar.
Het territorium is ongeveer 10 à 20 km groot; de buitengrenzen zijn niet strikt, de territoria overlappen elkaar. Oehoe's tolereren zeker geen slechtvalken in het territorium, deze worden als eersten geëlimineerd. Een zo absolute toppredator in de voedselpyramide als de oehoe duldt geen concurrentie, op zijn menu staan naast elf soorten dagroofvogels niet minder dan acht soorten collega-uilen!
De oehoe is niet echt schuw; wanneer hij zich op de roestplaats bevindt kan hij vrij gemakkelijk benaderd worden. Bij bedreiging leunt de vogel voorover, staart naar de bedreiger, zet de borstveren op, spreidt de staart uit, tilt de gekantelde vleugels op, sist en knapt met de snavel. Op zulke momenten kreeg zelfs Paulus het benauwd!
In de broedtijd wordt echter geen verstoring verdragen; die kan leiden tot het onmiddellijk verlaten van nest en jongen. Het nest wordt gemaakt in het vroege voorjaar op de grond, bovenaan een steile helling, in een grot of onder een overhangend gedeelte; meestal in de buurt van enige begroeiing. Soms worden ook wel oude nesten van andere vogels gebruikt.
Het mannetje schraapt de nestholte uit, waarin 2 à 6 eieren worden gelegd. Na een broedtijd van 34 - 36 dagen komen de jongen uit, ze blijven vijf maanden van de ouders afhankelijk. Bij voedselgebrek eten de oudere jongen, soms geholpen door de moeder, de later uitgekomen broertjes en zusjes op. Zoals alle roofvogels begint de oehoe al te broeden bij het eerste of tweede ei, bij een tekort aan prooidieren overleven alleen de eerstuitgekomen en/of sterkste jongen. Dit is een van de manieren waarop, in natuurlijke omstandigheden, de populatie in evenwicht blijft met zijn prooidieren.

De wintertaling of anas crecca (Ereli)
|
|

De wintertaling of anas crecca
Zwerf- en trekvogel, doortrekker en wintergast. De kleinste van de grondeleenden. Meestal in groepen langs lage, modderige oevers. Alleen de mannetjes in prachtkleed zijn probleemloos te herkennen. Verspreiding en woongebied : verbreide, in het binnenland verspreid voorkomende broedvogel. In de broedtijd verstopt langs meren en poelen, maar ook in het bos. Voortplanting : nest is verstopt in de grond, in de buurt van water. Legtijd : van april tot juni. Acht tot elf eieren, gelig-grijs tot lichtgroen. Het vrouwtje broedt zo'n 21-23 dagen. Voedsel : kleine diertjes en plantaardig afval.

De glanskop of parus palustris (Ereli)
De glanskop of parus palustris
De glanskop lijkt als twee druppels water op de matkop. De gelijkenis is zo sterk, dat pas begin deze eeuw is ontdekt dat de 'zwartkopmees' bestond uit twee soorten met een totaal verschillende leefwijze. Alleen nauwkeurige waarnemers zien de verschillen. Glanskoppen houden van droge voeten en zijn vooral te vinden in de oudere loofbossen, terwijl de matkop juist de nattere wilgen- en berkenbossen verkiest.
Kenmerken
De glanskop verschilt van de zwarte mees door het ontbreken van de witte wangen en nekvlek. Lengte : 11,5 cm.
Voedsel
Glanskoppen eten vooral insecten en spinnen in het broedseizoen. Ze eten zaden, bessen en noten tijdens de rest van het jaar.
Wintervoedering
zaden en restjes
Nest
Glanskoppen nestelen in natuurlijke holtes laag boven de grond. Matkoppen hakken hun eigen nestholte uit in oud rottend hout. De bodem van het nest wordt gevoerd met mos.
Broedgegevens
Maanden april tot augustus - één legsel - zeven tot acht witte eieren met een paar bruine vlekjes - broedtijd : 13-15 dagen door het vrouwtje - vliegvlug : na 17-20 dagen; zelfstandig na 8-14 dagen.
