de kade verlaten
bij naam willen noemen
of schreeuwen
over de kade
waar ijzeren schoenen
van houten karren
kletteren in een oceaan
van lawaai
ik vaar de haven uit
onder een opgeheven brug
handen als geklonken
aan het draaituig
waarvan het hart niet klopt
omdat de richting
door vuisten wordt gekozen
mijn rug schermt
het priemen af
terwijl witte doeken
op de steigers
het water ten afscheid deppen
tot beschildering van gemis
maar verdampen
zodra de rook is opgetrokken
neen, ik roep geen namen meer




