Even
even leek het
dat jij me kende
jouw hand
raakte mijn arm
het was een
herinnering
die mij verwende
Eveneven leek het
dat jij me kende
jouw hand
raakte mijn arm
het was een
herinnering
die mij verwende
de dichter in mijwat voegt dit nog toe
vraag ik me af
herhalen doe ik
oké, iets anders
geformuleerd dan
jij dat doet
soms aangepast aan
de heersende stijl
zo die er is
of aan mijn stijl
zo die naar
herkenbaarheid neigt
en maar trachten
weer te geven
wat ik, jij, hij, zij
wij dus
willen uitdrukken
moeten schrijven
gedwongen worden
dus om ons zelf maar
te manifesteren
dwangmatigen herkennen
zich er in wanneer
het potlood niet
geslepen behoeft te worden
en het papier de spiegel is
van het moment
de wanhoop is dan nabij
ja, je neemt het juist waar
het is autobiografisch
ik zet mezelf in de etalage
neen, zonder rosse kleuren
maar wel bezield
zo mag ik soms zeggen
en naakt maar dan
met kleding aan
ik wil gehoord
en gezien worden
of mijn gedicht
gelezen wordt
of het wel echt
een gedicht is
dat net gedicht is
als netgedicht
het eeuwig wachten
na de ejaculatie
(het euforisch gevoel bij
een afgerond gedicht)
de snijdende onzekerheid
(wachten op een cijfer
hoger dan vijf,
dat mijn gemiddelde
verstevigt)
ooit, ja ooit
komt het wel eens voor
dat ik me belangrijk voel
zonder achting van derden
achter het stuur van de auto
of met een lege aktetas wachtend
op de intercity naar Lutjebroek
of als ik alleen in
stationsrestauratie zit
en mijn lege agenda opensla
maar mijn borst zwelt altijd op
als mijn gekozen woorden
prachtig, goed, uniek
kortom superlatief
aangeprijsd worden
ja, dan denk ik
"doe ik het dan
toch niet voor niets,
dat dichten
in een nat hemd
tot diep in de nacht"
ja, ik ben goed bezig
in de aanloop
naar mijn memoires
er wacht de wereld
een open boek
vol met genummerde
pagina's
een aards gevangeenzaamheid kent
vaak een verleden
hoe men ook
de steen
des aanstoots
zoekt in het heden
in liefde
in haat
de pijn kan niet
worden vermeden
de bezeerde ziel
is dan blind,
soms dagen
en nachten lang
men voelt zelfs niet
door wie men
wel
wordt bemind
het zijn uitzichtloze
momenten
in een aards gevang
foto
slechts het heden telthoop legt een kleed
over adem van vandaag
waaronder verlangen
broeit naar alles;
in beelden,
in geuren en kleuren
of iets omgerijmds
dat nog vaag is omschreven
en in mijn grijze cellen
zoekt naar zin
het kan liefde zijn
of de wedstrijd van morgen,
ook God wacht zeker op mij
komend bezoek
dat mij
middels wederopstanding
uit dood of ziekte redt
immers hoop vult
gevoeld gemis
ik honger uit
als ik niet gevoed word
droog uit,
huil zonder tranen
omdat stromen bevroren
kunnen raken
neen, mij ontbreekt niets
daar niemand zo verrijkt is
met zon en schaduw
als ik, deze mens
wie haalt mijn denken in
terwijl ik slenter
als een slak
en dagenlang
daken op huizen schep,
woorden in zinnen
met bergen afval
wat wil ik nog meer
ik heb de stilte zo liefgelijk de klepel
bungel ik
de grootste afstand,
heen en weer
ook nog eens
op de verste verte
van boven
in het ritme
van mijn tijd
het is als rust
in riet
schommelend
langs waterstromen
laat mij maar
en zoek niet
ik draag de morgen
in een enkel woord
de avond in mijn hart

de weg terug en verder
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
voor het laatst keer ik
dat wat komt de rug toe
wat zich nog zal aandienen
is reeds telkenmale geweest
sluit ik dan de ogen
of verblindt de verwachtende
werkelijkheid
het nog verder zien dan de kim
die de polsslag van het moment
uitvergroot in stenen beelden
in een diatheek van
botte herinneringen
op mijn dag des oordeels
die volgt op decennia
van grijze wolken
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
alsmaar door en door
drijvend op verleden tranen
van vreugde of verdriet
het is om het even
immers zaad sterft in groei
naar bloei
in wit en rood werd ik gewenst
mij groene rozen beloofd
met grijze gladiolen volgde ik
de ladder omhoog
of struikelde over de sporten
opdat mijn lippen zo vaak
de droge aarde kusten
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
de kleurenfilm
vertoont hoge bergen
op toppen, soms
door het lot of ego beklommen
evenzo het zwart-wit
overheersend in grijs uitgedrukt
door de jaren heen
tot en met
mijn geboorte terug
zo zie ik
mijn vleesgeworden ziel
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
hoe de leegte zich vultmet vorst aan de grond
en de lentezon die
mijn ogen zoekt
tussen stammen door
denk ik terloops
zou een ijsheilige
zich zo voelen:
koud op aarde
warm in de wolken
het leidt me af
van de zwaarte
en laat mij zweven
in ochtendgedachten
die vol van leegte zijn
als dan ook nog
drie honden mij begroeten
geleid door een schone maagd,
althans zo wil ik dat zien
dan zijn hemelse genoegens
waard om in te geloven
het maakt niet uit of
de Schenker bestaat of niet
de mens, ik,
kan niet zonder een
groots Idee
het verlangen ernaar
is eigen aan het bestaan
(twijfel ook!)
foto
een schenkende natuurlente lente lente
Deo Volente
dan springen de knoppen open
nog sterker
ik zie ze al
het groen
ontworstelt zich
aan cocons
in verlengde vingers
van uitgestoken armen
dik en dun
lang en kort
sprietig
of uibollig
*
ik trap in hondenpoep
vers gelegd
op paden die door
de nieuwe toekomst
slingeren
met een reuk
zo pril
maar het gevoel verzurend
ja, het zet mij weer
op aarde
klevend in de leg
van een huisdier
*
troeteldier der beschaving
dat eenzaamheid vult
en tot menselijk tussenstation
verheven
al dan niet aangelijnd
zo de baas is
lente lente
Deo Volente
foto
ik geef je te eten
uitstelhet duurt maar even
zei de beul
seconden, twee in getal
langer zal je niet hangen
de nek is op meer
niet ingesteld
het lijf kan ik nog verlichten
door u naakt te laten gaan
wellicht dat we een flits
aan tijd kunnen toevoegen
doch de hoop zal daarin
de angst niet verschuiven
het denken is immers
verward en verdoofd
dan wel onderhavig
aan de afsluiting der luchtwegen
zodat de veronderstelde ruimte
vooral niets bijdraagt
even zullen de ogen nog
bollen en staren naar de einder
eigenlijk hangt u daar al
einde
lijk
foto
hallo jij
foto
mijn vale jashet was mijn vale jas
wellicht nog door vader
gemaakt van kleding in ruste
of in overgang
naar een tweede kans
ja zo was nog die tijd
en stond eens voor de Kodak
niet meer wetend
wie de spieker was
ik was mijn vale jas
met grote herenknopen
op een kinderdracht
waar mijn hoofd,
bleek getint, uitstak
boven volwassen revèrs
wat ogen werd genoemd
keek in de foto
eenzaam denkend
of langs me heen
het was voor een struik
ergens bij een laan
genoemd naar het paradijs
ik weet niet
of ik er van terug kwam
danwel naar op weg was
naast de kerk bloeide ook
het hof
van geaarden.
foto
kruip toch in me