ik geloof niet meer in
hemelse liefde
het is wolken aaien
op een uitgeschoven ladder
zo ook twijfel ik aan
het zachte van de aarde
ze is te gebonden aan bloed
en blinde vlekken
toen ik mezelf aankeek
zei ik in stilte
ja, ik ben genegenheid
maar gehavend
door oorlogen en nachten,
door mens te zijn
mijn handen reiken aldoor,
immers dat stel ik boven alles
doch de glazen stolp
schuift mee en dan,
zo doorzichtbaar glas is,
over mij heen,
als op de lijkkist
de dekselschroeven
worden aangedraaid
en waarvan de gestorvene
geen weet heeft
oh, ik zie wel
wie je bent
maar hoor de echo
van mijn stem
rondwaaien
zoals de goudvis
luchthapt
in zijn viskom
doe ik, als mens,
anders?