de weg terug en verder
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
voor het laatst keer ik
dat wat komt de rug toe
wat zich nog zal aandienen
is reeds telkenmale geweest
sluit ik dan de ogen
of verblindt de verwachtende
werkelijkheid
het nog verder zien dan de kim
die de polsslag van het moment
uitvergroot in stenen beelden
in een diatheek van
botte herinneringen
op mijn dag des oordeels
die volgt op decennia
van grijze wolken
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
alsmaar door en door
drijvend op verleden tranen
van vreugde of verdriet
het is om het even
immers zaad sterft in groei
naar bloei
in wit en rood werd ik gewenst
mij groene rozen beloofd
met grijze gladiolen volgde ik
de ladder omhoog
of struikelde over de sporten
opdat mijn lippen zo vaak
de droge aarde kusten
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
de kleurenfilm
vertoont hoge bergen
op toppen, soms
door het lot of ego beklommen
evenzo het zwart-wit
overheersend in grijs uitgedrukt
door de jaren heen
tot en met
mijn geboorte terug
zo zie ik
mijn vleesgeworden ziel
*
uit de lotus
zucht de aarde
schoonheid
tot vergankelijkheid
terwijl schaduw
leven dicht
*
hoe de leegte zich vult
met vorst aan de grond
en de lentezon die
mijn ogen zoekt
tussen stammen door
denk ik terloops
zou een ijsheilige
zich zo voelen:
koud op aarde
warm in de wolken
het leidt me af
van de zwaarte
en laat mij zweven
in ochtendgedachten
die vol van leegte zijn
als dan ook nog
drie honden mij begroeten
geleid door een schone maagd,
althans zo wil ik dat zien
dan zijn hemelse genoegens
waard om in te geloven
het maakt niet uit of
de Schenker bestaat of niet
de mens, ik,
kan niet zonder een
groots Idee
het verlangen ernaar
is eigen aan het bestaan
(twijfel ook!)
foto
een schenkende natuur
lente lente lente
Deo Volente
dan springen de knoppen open
nog sterker
ik zie ze al
het groen
ontworstelt zich
aan cocons
in verlengde vingers
van uitgestoken armen
dik en dun
lang en kort
sprietig
of uibollig
*
ik trap in hondenpoep
vers gelegd
op paden die door
de nieuwe toekomst
slingeren
met een reuk
zo pril
maar het gevoel verzurend
ja, het zet mij weer
op aarde
klevend in de leg
van een huisdier
*
troeteldier der beschaving
dat eenzaamheid vult
en tot menselijk tussenstation
verheven
al dan niet aangelijnd
zo de baas is
lente lente
Deo Volente
foto
ik geef je te eten
ik geef je te eten
uitstel
het duurt maar even
zei de beul
seconden, twee in getal
langer zal je niet hangen
de nek is op meer
niet ingesteld
het lijf kan ik nog verlichten
door u naakt te laten gaan
wellicht dat we een flits
aan tijd kunnen toevoegen
doch de hoop zal daarin
de angst niet verschuiven
het denken is immers
verward en verdoofd
dan wel onderhavig
aan de afsluiting der luchtwegen
zodat de veronderstelde ruimte
vooral niets bijdraagt
even zullen de ogen nog
bollen en staren naar de einder
eigenlijk hangt u daar al
einde
lijk
foto

hallo jij
voel jij ook al,
buiten dan,
de prille schijn
van een nieuw begin
de herhaling
van voortgang,
de finale van de dood
ik zeg maar,
even ontwaar ik
kleuren
die als geschilderd
verschijnen dus
bruin, rot en zwart
luiden de klokjes
jubeltonen
die onhoorbaar klinken
over de doffe grond
van gevoel
vergetelheid of
gedempte temperament
kom maar op
bloemkes,
zie jullie toch wel
flirten
*
ik begrijp voor even
de eeuwige verwachting
waarin enkel hoop
het sterven mag begraven
foto
mijn vale jas
het was mijn vale jas
wellicht nog door vader
gemaakt van kleding in ruste
of in overgang
naar een tweede kans
ja zo was nog die tijd
en stond eens voor de Kodak
niet meer wetend
wie de spieker was
ik was mijn vale jas
met grote herenknopen
op een kinderdracht
waar mijn hoofd,
bleek getint, uitstak
boven volwassen revèrs
wat ogen werd genoemd
keek in de foto
eenzaam denkend
of langs me heen
het was voor een struik
ergens bij een laan
genoemd naar het paradijs
ik weet niet
of ik er van terug kwam
danwel naar op weg was
naast de kerk bloeide ook
het hof
van geaarden.
foto

kruip toch in me
soms schreeuwt
foto

de kade verlaten
bij naam willen noemen
of schreeuwen
over de kade
waar ijzeren schoenen
van houten karren
kletteren in een oceaan
van lawaai
ik vaar de haven uit
onder een opgeheven brug
handen als geklonken
aan het draaituig
waarvan het hart niet klopt
omdat de richting
door vuisten wordt gekozen
mijn rug schermt
het priemen af
terwijl witte doeken
op de steigers
het water ten afscheid deppen
tot beschildering van gemis
maar verdampen
zodra de rook is opgetrokken
neen, ik roep geen namen meer
foto
de mens eigen
soms
is mijn wereld
zo groot
dat het geringe
genoeg blijkt
zoals leegte
mateloos ruim
kan zijn in
verlatenheid
daarom
besproei ik
het uitzicht vaak
met stilte
natuurlijk
waterkant
zoeterand
ik glij uit op rietensprieten
in een zuigende
modderstroom
laarzen slepen door
het slikkende fundament
en ik stokken zinloos
achterwaarts duwend
centimeter bij centimeter
voorwaarts denkend
en gaande, zo ik wil
de zee dreigt
rond de heupen
in een Hollandse poldersloot
mijn zwaarte komt te vallen
terwijl sokken opstijgen
uit rubberen hoezen
als met klauwen
grijp ik pollen
van het kluwende gras
en hijg de angst
naar buiten
in tijgersluipgang
sleep ik mij omhoog
en lig uitgeput
verzopen
op het droge
kwak zegt
de kikker
als de natte vlakte
nog na borrelt

