ik geef je te eten
ik geef je te eten
uitstel
het duurt maar even
zei de beul
seconden, twee in getal
langer zal je niet hangen
de nek is op meer
niet ingesteld
het lijf kan ik nog verlichten
door u naakt te laten gaan
wellicht dat we een flits
aan tijd kunnen toevoegen
doch de hoop zal daarin
de angst niet verschuiven
het denken is immers
verward en verdoofd
dan wel onderhavig
aan de afsluiting der luchtwegen
zodat de veronderstelde ruimte
vooral niets bijdraagt
even zullen de ogen nog
bollen en staren naar de einder
eigenlijk hangt u daar al
einde
lijk
foto

hallo jij
voel jij ook al,
buiten dan,
de prille schijn
van een nieuw begin
de herhaling
van voortgang,
de finale van de dood
ik zeg maar,
even ontwaar ik
kleuren
die als geschilderd
verschijnen dus
bruin, rot en zwart
luiden de klokjes
jubeltonen
die onhoorbaar klinken
over de doffe grond
van gevoel
vergetelheid of
gedempte temperament
kom maar op
bloemkes,
zie jullie toch wel
flirten
*
ik begrijp voor even
de eeuwige verwachting
waarin enkel hoop
het sterven mag begraven
foto
mijn vale jas
het was mijn vale jas
wellicht nog door vader
gemaakt van kleding in ruste
of in overgang
naar een tweede kans
ja zo was nog die tijd
en stond eens voor de Kodak
niet meer wetend
wie de spieker was
ik was mijn vale jas
met grote herenknopen
op een kinderdracht
waar mijn hoofd,
bleek getint, uitstak
boven volwassen revèrs
wat ogen werd genoemd
keek in de foto
eenzaam denkend
of langs me heen
het was voor een struik
ergens bij een laan
genoemd naar het paradijs
ik weet niet
of ik er van terug kwam
danwel naar op weg was
naast de kerk bloeide ook
het hof
van geaarden.
foto

kruip toch in me
soms schreeuwt
foto

de kade verlaten
bij naam willen noemen
of schreeuwen
over de kade
waar ijzeren schoenen
van houten karren
kletteren in een oceaan
van lawaai
ik vaar de haven uit
onder een opgeheven brug
handen als geklonken
aan het draaituig
waarvan het hart niet klopt
omdat de richting
door vuisten wordt gekozen
mijn rug schermt
het priemen af
terwijl witte doeken
op de steigers
het water ten afscheid deppen
tot beschildering van gemis
maar verdampen
zodra de rook is opgetrokken
neen, ik roep geen namen meer
foto
de mens eigen
soms
is mijn wereld
zo groot
dat het geringe
genoeg blijkt
zoals leegte
mateloos ruim
kan zijn in
verlatenheid
daarom
besproei ik
het uitzicht vaak
met stilte
natuurlijk
waterkant
zoeterand
ik glij uit op rietensprieten
in een zuigende
modderstroom
laarzen slepen door
het slikkende fundament
en ik stokken zinloos
achterwaarts duwend
centimeter bij centimeter
voorwaarts denkend
en gaande, zo ik wil
de zee dreigt
rond de heupen
in een Hollandse poldersloot
mijn zwaarte komt te vallen
terwijl sokken opstijgen
uit rubberen hoezen
als met klauwen
grijp ik pollen
van het kluwende gras
en hijg de angst
naar buiten
in tijgersluipgang
sleep ik mij omhoog
en lig uitgeput
verzopen
op het droge
kwak zegt
de kikker
als de natte vlakte
nog na borrelt
foto
horen, zien en zwijgen
vertelt mijn stilte
over waarheid
of verzwijgt zij
duisternis
beheerst mijn ademen
golven van indrukken
en denk ik
om maar niets
te hoeven weten
*
ik spreek
met gespleten tong
over uitzicht
en van inzicht
met dubbele bodem
*
hoor mij aan
tenware u mij
begrijpt
foto
als licht en donker azen
het is nog
ochtend vroeg
of nachtelijk laat
als ik jou schrijf
over lege gedachten
uitgesponnen
of nog in heipalen
die huishouden
op brakke grond
het is op de
scheiding van
een tijdsidee
dat denken
de versnelling vergeet
of weigert of juist niet
om naar zijn eerste
dan wel achteruit
te springen
immers
handelen
is nu nog dood
het is wel weten
dat een wiel gaat draaien
omdat inademen
volgt op uitblazen
zo is het
wanneer
het ei met de dag breekt
of het donker
wegzakt achter
de kim
afwikkelen
afwikkelen deed ik
laag voor laag
maar heb het niet over
afstropen van vel
dat zou dan bloederig heten
of verwijderen van verband
gedraaid over en om al mijn
levenswonden
neen, de donkere kamer
waar licht schijnt
opdat het niet nacht lijkt
aldaar draai ik de film
uit de koker
en zie mijn leven
voorbij trekken
ben ik dood dan
schiet mij te binnen
of zweef ik tussen
de etages van de hel
hoort u mij
meneer?
komt u maar
rustig bij geest,
wakker noemen we
dat op aard
zei de zusterkundige
met zwoele stem
voorspelbaar
waarom vergroot ik
het gras uit
terwijl het groen is
stook ik liefde op
als het hout
nog smeult
en kijk ik diep
het heelal in
avond na avond
om maar niets te
te kunnen zien
terwijl het grootse
zich voor mij ontvouwt
ik doe dat al
sinds mensenheugenis

