de mens eigen
soms
is mijn wereld
zo groot
dat het geringe
genoeg blijkt
zoals leegte
mateloos ruim
kan zijn in
verlatenheid
daarom
besproei ik
het uitzicht vaak
met stilte
natuurlijk
waterkant
zoeterand
ik glij uit op rietensprieten
in een zuigende
modderstroom
laarzen slepen door
het slikkende fundament
en ik stokken zinloos
achterwaarts duwend
centimeter bij centimeter
voorwaarts denkend
en gaande, zo ik wil
de zee dreigt
rond de heupen
in een Hollandse poldersloot
mijn zwaarte komt te vallen
terwijl sokken opstijgen
uit rubberen hoezen
als met klauwen
grijp ik pollen
van het kluwende gras
en hijg de angst
naar buiten
in tijgersluipgang
sleep ik mij omhoog
en lig uitgeput
verzopen
op het droge
kwak zegt
de kikker
als de natte vlakte
nog na borrelt
foto
horen, zien en zwijgen
vertelt mijn stilte
over waarheid
of verzwijgt zij
duisternis
beheerst mijn ademen
golven van indrukken
en denk ik
om maar niets
te hoeven weten
*
ik spreek
met gespleten tong
over uitzicht
en van inzicht
met dubbele bodem
*
hoor mij aan
tenware u mij
begrijpt
foto
als licht en donker azen
het is nog
ochtend vroeg
of nachtelijk laat
als ik jou schrijf
over lege gedachten
uitgesponnen
of nog in heipalen
die huishouden
op brakke grond
het is op de
scheiding van
een tijdsidee
dat denken
de versnelling vergeet
of weigert of juist niet
om naar zijn eerste
dan wel achteruit
te springen
immers
handelen
is nu nog dood
het is wel weten
dat een wiel gaat draaien
omdat inademen
volgt op uitblazen
zo is het
wanneer
het ei met de dag breekt
of het donker
wegzakt achter
de kim
afwikkelen
afwikkelen deed ik
laag voor laag
maar heb het niet over
afstropen van vel
dat zou dan bloederig heten
of verwijderen van verband
gedraaid over en om al mijn
levenswonden
neen, de donkere kamer
waar licht schijnt
opdat het niet nacht lijkt
aldaar draai ik de film
uit de koker
en zie mijn leven
voorbij trekken
ben ik dood dan
schiet mij te binnen
of zweef ik tussen
de etages van de hel
hoort u mij
meneer?
komt u maar
rustig bij geest,
wakker noemen we
dat op aard
zei de zusterkundige
met zwoele stem
voorspelbaar
waarom vergroot ik
het gras uit
terwijl het groen is
stook ik liefde op
als het hout
nog smeult
en kijk ik diep
het heelal in
avond na avond
om maar niets te
te kunnen zien
terwijl het grootse
zich voor mij ontvouwt
ik doe dat al
sinds mensenheugenis
foto
waar is liefde
ik geloof niet meer in
hemelse liefde
het is wolken aaien
op een uitgeschoven ladder
zo ook twijfel ik aan
het zachte van de aarde
ze is te gebonden aan bloed
en blinde vlekken
toen ik mezelf aankeek
zei ik in stilte
ja, ik ben genegenheid
maar gehavend
door oorlogen en nachten,
door mens te zijn
mijn handen reiken aldoor,
immers dat stel ik boven alles
doch de glazen stolp
schuift mee en dan,
zo doorzichtbaar glas is,
over mij heen,
als op de lijkkist
de dekselschroeven
worden aangedraaid
en waarvan de gestorvene
geen weet heeft
oh, ik zie wel
wie je bent
maar hoor de echo
van mijn stem
rondwaaien
zoals de goudvis
luchthapt
in zijn viskom
doe ik, als mens,
anders?
foto

belaagd door de wind
de wind viel
foto

ja, mijn blik versmalt
donkerte nog vlugger
dan een schicht
ik warm mij op
aan nummer drie
van de schakelaar
en werk de lijst
steeds meer af
eer ik de naam
van het kind noem
mijn aarde krimpt
alsof mijn glazen
beslagen raken
het gevoel
onderscheidt zich niet meer
van de smaak van wortelen
slechts een verschil
in lengte neem ik waar
zo wacht ik op dat
wat komt
of zo gezegd
wegblijft
*
geuren gladiolen
enkel nog op
vurenhout?
ja, mijn blik versmalt
foto

zo ook de mens roest
hoe mooi is mooi
foto
zweven in de schepping
nu ervaren wij
moeder van de moeders
adem de winter in

