rijgenoten
*
ach,
geen weemoed denkt ooit terug
aan te korte dagen, de voeten
in afgedragen wollen sokken
waarin de blote tenen gaapten
woelden en de kou geniepig
voelden
we stampten daarbij op de grond
totdat die week en zacht werd
als een opgezwollen lijk
bleek dat er plassen groeiden
in het slijk
we wachtten toen op zondagen
met een weke buik in te lange rijen
---

