Aardewaartse zinnen, een soort inkeer, het zoeken naar een zin en het woord in een zin en de zin van een woord.
Vrijdag 15 juli 2005
Het einde van het reizen
*
vandaag zoekt hij zich nog graag een trage weg, één zonder nood om op zijn stappen terug te keren een wandelpad, een doorgang een andere zon en avondrood
want tussen de scherpe stenen raakt die weg altijd versperd en scheurt het schoeisel er tot men bloedvoets verder strompelt
het blijkt zo moeilijk om ooit terug te keren zo laat hij dan zijn sporen na en kijkt dus niet meer om
zijn zinnen heeft hij al uitbundig op gebleekt papier beschreven en verzameld in een boek maar de bladeren hebben een vluchtig lot verkozen
zijn jaren zijn wel niet meer zo jong gebleven, ze zijn dan ook al eeuwen zoek
het stemt mij tijdloos als verteerde letters zwijgzaam wijken voor onleesbaar groen van korstmos
er woedt geen hellevuur meer er klinken geen zondvloed woorden er ligt geen grafgift meer op zwart marmer en arduinen stenen blijven grijsgetint voor eeuwen
dat ik ooit een ster was scherpt nog mijn leesgenot voor namen en een tijdvak voor hun jeugd een kosmos
hier rust...
zou het zijn eeuwige rust zijn die mij zo bekoort?
de koude heb ik ingehaald zo triomfantlijk met fanfare met tromgeroffel en bliksems die ik ver heb weggeslingerd zo ben ik, soms goddelijk Zeus of Thor zijn hamer
zoals het zou moeten en de regen altijd valt daar ben ik een witte wolk wat droef in hoge sferen dus jaag ik mijn bui omhoog en laat ze ijselijk wenen tot de lucht weer scheurt
het licht is maar symbolisch en niet een ziel die treurt het zijn is fragmentarisch en raakt teneergeslagen de droge aarde, en zucht
hij houdt zijn hoofd zo scheef zijn tong werd haast gebeten een hand klemt zo muurvast zijn zware pen die blad vergeten zinnen schreef met krullen aan de rand
hij versiert het woord verlucht zijn zwarte teksten om éénduidig waar te maken wat hem zoal bekoort
hij ziet zichzelf soms hemeltergend grijs in dwaze vormen die het licht hebben verdonkeremaand.
hij vraagt zich af, of een god nog wel bestaat, echt zinvol is en hem genegen hij zoekt de kleur van 't droef gewaad de ozongeur van onweerachtig streven is maar een prikkeling voor de geest hij is slechts beest, geen dierlijk wezen
hij ziet zichzelf ook in hellewaarts rood gedreven, want zelfs de rauwe dood is hem om het even
Poëzie is voor mij niet meer of minder dan "fantasie", waarbij je balanceert op de grenzen van de taal. Het is verbeeldingswerk, waar gewone woorden niet meer genoeg zijn om het hele scala van hetgeen ik zie of hoor of voel of proef te beschrijven.
We zijn zo beperkt met enkel onze zintuigen Het innerlijke heeft echter dat allemaal niet nodig, daar is rijkdom.
hij zegt - en altijd bijna onverstaanbaar - graaf diep, voorbij het stof nog dieper dan de zwarte aarde tot op de rotsen, tot het magma vloeibaar wordt
hij zegt - en altijd luchtig bijna onbegrijpbaar - zweef hoog, voorbij de wolken nog hoger dan de blauwe lucht tot aan de zon, totdat het licht verblindend wordt
met mijn voeten in de aarde en mijn hoofd in de wolken roep ik dan de bergen toe
ze groeiden immers uit de diepste aarde en klimmen naar het felste zonlicht toe
waarom staan jullie daar zo stijf en stram en ligt er sneeuw op jullie toppen en vloeit er water aan je voeten
en het gruis beneden antwoordt dan
we hebben ooit de hel ontmoet en de hitte heeft ons omgesmolten de koude in de hemel heeft ons hoofd gekraakt
nu wachten we op het malen van de aarde, en zoeken we weer de dieptes op.