|
Het bruin zandoogje (Maniola jurtina; Epinephele jurtina; Epinephele, Satyrus janira) is een dagvlinder uit de subfamilie Satyrinae, de zandoogjes en erebia's.
Voor het eerst beschreven door Linnaeus in 1758.
Carolus Linnaeus beschreef het mannetje en het vrouwtje aanvankelijk als twee verschillende soorten, en meende dat het mannetje een "bosvlinder" was.
Het mannetje kreeg de wetenschappelijke naam janira, maar alhoewel het mannetje eerder in de tekst stond dan het vrouwtje, wordt aan jurtina tegenwoordig de voorkeur gegeven.
Het bruin zandoogje komt voor in het West-Palearctisch gebied.
De vlinder komt niet voor in Midden- en Noord-Scandinavië.
De vlinder geeft de voorkeur aan matig voedselrijk grasland als leefgebied.
In Nederland en België is de soort zeer algemeen.
Engels : Meadow Brown
Duits : Grosses Ochsenauge
Frans : Le Myrtil |
|
In Nederland is het verspreidingsgebied de afgelopen eeuw nauwelijks gewijzigd.
De soort komt verspreid over het hele land voor, maar is in delen van de Betuwe, Noord-Brabant en Noord- en Zuid-Holland wat schaarser.
De oorzaak hiervan is onbekend.
Het is een algemene standvlinder en de soort waarvan waarnemers de meeste individuen doorgeven.
|
|
De levenscyclus verloopt als volgt :
Rups : half augustus-eind juni.
De soort overwintert als jonge of halfvolgroeide rups, verscholen in een graspol, bij zacht winterweer komen de rupsen soms tevoorschijn om te foerageren. De verpopping vindt plaats in een zijden spinsel aan de waardplant, vrij laag boven de grond.
Zijn habitat zijn vooral ruigere graslanden en ruigten met structuren in het landschap zoals houtwallen, hagen, bermen of slootkanten, ook landbouwgebieden, stedelijk groen en braakliggende terreinen.
De waardplanten zijn diverse grassen, waaronder grote vossenstaart, gewoon reukgras, kropaar, ruwe smele, kweek, rood zwenkgras en engels raaigras.
Maniola : maniola is een verkleinwoord van Mania of Manes, de zielen van de verlatenen. Schrank wil aangeven dat ook deze plezierig aandoende vlindersoort zijn schaduwzijde heeft en beschouwt ze als bewoners van verborgen krochten in tegenstelling tot de vlinders van het Pierisgeslacht, die wit zijn en in plezieriger omstandigheden thuishoren.
jurtina : het woord jurtina bestaat helemaal niet en is mogelijk een foute schrijfwijze van Jurturna, de naam van een geneeskrachtige bron vlakbij Rome. Linnaeus beschouwde mannetje en vrouwtje als verschillende soorten. Jurtina was het vrouwtje en lager op de lijst, op dezelfde pagina staat het mannetje als janira. Janira was een van de Nereïden, een nimf van de Middellandse Zee. Linnaeus zegt wel dat deze soorten veel op elkaar lijken en omschrijft de verschillen, jurtina zou een grassoort zijn en janra een bosvlindner. Vroeger had jarina de voorkeur maar jurtina heeft nu de prioriteit.
|