De bruinkopbijeneter (Merops leschenaulti) is een bijeneter die voorkomt in Zuid-Azië, van India tot Indonesië.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Vieillot (Louis Jean Pierre Vieillot was een Frans ornitholoog.) in 1817.
De bruinkopbijeneter is inheems op het Indische subcontinent van Oost-Indië tot Zuidoost-Azië , met inbegrip van Thailand , Maleisië en Indonesië.
Engels : Bay-headed Bee Eater, Bay-headed Bee-eater, Chestnut headed Bee eater, Chestnut-headed Bee Eater Duits : Blaukehlspint, Braunkopfspint, Malaienspint Frans : Le Guêpier de Leschenault
Het is - zoals alle bijeneters - een felgekleurde vogel met overwegend een groene kleur, met een lichtblauwe romp en onderbuik.
Geel onder de snavel en een zwarte oogstreep.
De kop en nek hebben een bruine kastanjekleur.
Mannetjes en vrouwtjes zijn gelijk gekleurd, jonge vogels zijn niet zo fel van kleur.
Megalaima zeylanica
auteur : p.supat op ibc.lynxeds.com
De bruinkopbijeneter broedt in het subtropische open woud, meestal in de nabijheid van waterpartijen.
Veelal terug te vinden in hoger gelegen gebieden.
Zoals de naam doot vermoeden zijn het insecteneters, voornamelijk bijen, wespen en hoornaars, die worden gevangen in de vlucht.
Ze nesten in grote kolonies op zanderige gronden, ze maken een relatief lange tunnel waarin ze vijf of zes witte eieren leggen die voornamelijk worden uitgebroed ddor zowel het mannetje als het vrouwtje.
Bruinkopbijeneter
auteur : sohnjoo's photography/aviangallery op mountainsbeyond.org/
De bruinkopbijeneter heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd maar lijkt toe te nemen.
Om deze redenen staat deze bijeneter als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkopbaardvogel (Megalaima zeylanica) is een baardvogel die voorkomt in India en Sri Lanka.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788.
Vóór 1990 werden de bruinkopbaardvogel en de gestreepte baardvogel (M. lineata) ook wel beschouwd als ondersoorten van dezelfde soort.
Het soorttoevoegsel zeylanica slaat op Zeylon, Ceylon, het huidige Sri Lanka.
Engels : Brown headed Barbet, Brown-headed Barbet, Green Barbet, Large Green Barbet, Oriental Green Barbet Duits : Braunkopf-Bartvogel Frans : Le Barbu à tête brune
De bruinkopbaardvogel is 27 cm lang.
Hij is — net als de andere Aziatische baardvogels — vrij plomp van bouw en van boven groen gekleurd.
Hij heeft een forse, rood gekleurde snavel met borstels aan de basis.
Hij lijkt op de gestreepte baardvogel, want heeft ook een gestreepte borst, nek en kop.
De gele oogring is bij hem veel duidelijker en de kop oogt donkerder bruin.
De bruinkopbaardvogel is een standvogel op het Indische Subcontinent, waar hij wijdverspreid voorkomt, ook in Bangladesh en op Sri Lanka.
Het is een bosvogel die voorkomt in diverse types bos en zich gemakkelijk aanpast aan gebieden waar mensen wonen.
Deze baardvogel wordt ook gezien in parken, tuinen en verstedelijkte gebieden en in boomgaarden met mango, papaja, banaan et cetera.
De bruinkopbaardvogel heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd.
Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal stabiel blijft.
Om deze redenen staat deze baardvogel als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) is een als dwaalgast in West-europa voorkomend lid van de gorzenfamilie.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Cretzschmar (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1827.
De soort broedt in zuidoost Europa en een deel van Azië van Albanië en Macedonië in het westen tot in Syrië in het oosten. Daarnaast is er een geïsoleerde populatie in Marokko.
Engels : Blue-headed Ortoloan Bunting, Cretzchmar's Bunting, Cretzschmar's Bunting Duits : Grauortolan Frans : Le Bruant cendrillard
Zijn habitat : droge, stenige hellingen met verspreide struiken. Ook vaak in boomgaarden.
Hij fourageert voornamelijk op de grond.
Eet meestal zaden, ook insecten.
De roep klinkt als tsip, de zang bestaat uit 3 of 4 keer pioe met de klemtoon op de laatste in de reeks.
Bruinkeelortolaan
auteur : Bernard Spaans op knnvhaarlem.waarneming.nl
De Bruinkeelortolaan broedt in het open landschap op de grens van de woestijn en op rotsachtige flanken van heuvels met spaarzaam struikgewas.
Het nest wordt op de grond gebouwd, vaak aan de voet van een struik en bestaat uit een kommetje van takjes, gevoerd met fijn materiaal zoals haar.
Het legsel bestaat uit 4 of 6 vuilwitte of grijsblauwe donkerder gevlekte eitjes die 19 millimeter groot zijn.
Er worden per jaar twee broedsels grootgebracht.
De bruinkeelhoningzuiger (Anthreptes malacensis) is een soort honingzuiger (Nectariniidae).
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Scopoli (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1786.
De bruinkeelhoningzuiger komt voor in Zuidoost-Azië.
Engels : Brown-throated Sunbird, Plain-throated Sunbird Duits : Braunkehl-Nektarvogel Frans : Le Souïmanga è gorge brune, Souimanga malais
Bruinkeelhoningzuiger
auteur(s) : NatureAtYourBackyard ltshears CC 2.0
Zoals andere honingzuigers voeden ze zich hoofdzakelijk op nectar, hoewel ze ook op insecten foerageren, vooral als ze jongen hebben.
Ze hebben een snelle, directe vlucht en zij kunnen net als een kolibrie in de lucht op één plek blijven fladderen om nectar uit een bloem te halen, meestal strijken ze onder aan de bloem neer om bij de nectar de komen.
De bruinkeelhoningzuiger is een relatief grote honingzuiger, met een forse snavel.
Hij is 14 centimeter lang en weegt 7,4 tot 13,5 gram.
Net als bij de meeste honingzuigers is het mannetje kleurrijker dan het vrouwtje.
Het mannetje is iriserend groen en paars van boven, kastanjebruin op de vleugeldekveren en de schouderveren.
De keel is lichtbruin en de buik is voornamelijk geel.
Het vrouwtje is olijfgroen boven en geel van onder.
Anthreptes malacensis (mannetje)
auteur : HowardB CC 3.0
Hij komt voor in een groot aantal laaglandbiotopen (minder de 900 m boven de zeespiegel) zoals halfopen bosland met ondergroei en struikgewas en mangrovebossen aan de kust, kokosplantages en tuinen in Zuidoost-Azië van Birma tot de Kleine Soenda-eilanden en het westen van de Filipijnen.
Bruinkeelhoningzuiger (vrouwtje)
auteur : HowardB CC 3.0
De bruinkeelhoningzuiger heeft een groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering.
De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd, maar er is geen aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal achteruit gaat.
Om die redenen staat deze honingzuiger als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruinkapspecht (Dendrocopos moluccensis, protonym Picus moluccensis) is een kleine soort specht uit de familie spechten (Picidae) die voorkomt in de Indische Archipel.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788.
De bruinkapspecht komt op het schiereiland Malakka, Sumatra, Borneo, Java en de Kleine Soenda-eilanden.
Engels : Brown-capped Woodpecker, Sunda Woodpecker, Sunda Pygmy Woodpecker Duits : Braunscheitel-Specht, Braunscheitelspecht Frans : Le Pic nain
De bruinkapspecht lijkt sterk op de grijskapspecht.
De bruinkapspecht is iets kleiner (13 cm).
Beide soorten lijken een beetje op de in Europa voorkomende kleine bonte specht, met hetzelfde formaat en dezelfde zwartwittekening op de rug.
De koptekening is anders, beide soorten hebben een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep.
Het vrouwtje van de bruinkapspecht heeft een bruine kap en de grijskapspecht heeft een grijze (vaak zwart lijkende) kap.
Het opvallendste verschil is het verenkleed aan de onderzijde.
De bruinkapspecht heeft een gespikkelde borst op een witte ondergrond en de grijskapspecht is daar okerkleurig met zwarte streepjes.
Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal toeneemt.
Om deze redenen staat de bruinkapspecht als niet bedreigd op de rode lijst van de IUCN.
De bruine zwartstipuil (Xestia baja) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen.
De wetenschappelijke naam van deze soort is als Noctua baja voor het eerst geldig gepubliceerd door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775.
Komt voor in heel Europa van het Iberisch schiereiland tot de poolcirkel.
Via het noordelijke Middellandse Zeegebied (zonder de eilanden) tot de Zwarte Zee.
Oostelijk hiervan via Turkije en de Kaukasus tot Iran (noordzijde van het Elburs-gebergte).
Via de gematigde zone tot Oost-Azië, inclusief Tibet en Mongolië.
Engels : Dotted Clay Duits : Baja-Bodeneule Frans : la Belladone , la Noctulelle baie
Bruine zwartstipuil
auteur : Ernest van Asseldonk CC 3.0
De voorvleugellengte bedraagd 17 tot 21mm.
Opvallend en kenmerkend is de dubbele of drievoudige zwarte stip langs de voorrand van de voorvleugel vlak bij de golflijn.
De dwarslijnen, de ringvlek en de niervlek zijn zwak getekend.
De niervlek is doorgaans licht geringd en de binnenste lob is donker gevuld.
De grondkleur van de voorvleugel varieert van roodachtig licht- of donkerbruin tot warm grijsachtig bruin.
De achtervleugel is bruinachtig met een zwakke middenvlek.
Gelijkende soorten zijn de kastanjebruine uil (X. castanea), de zesstreepuil (X. sexstrigata) en de moerasheide-aarduil (Protolampra sobrina), ze missen de zwarte stip bij de vleugelpunt.
Xestia baja
foto op philgolder.org
De bruine zwartstipuil is in Nederland een algemene en in België een niet zo algemene soort.
Zijn habitat zijn bossen, heiden, struwelen, ruige en vochtige graslanden; soms tuinen.
De waardplanten van de bruine zwartstipuilzijn diverse kruidachtige planten, waaronder brandnetel; in het voorjaar ook houtige planten en loofbomen, waaronder wilg, berk, sleedoorn en wilde gagel.
De vliegtijd is van begin juli-half september in één generatie.
De vlinders komen zowel op licht als op smeer en bezoeken bloemen.
De rups : augustus - mei.
De rups foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag laag bij de grond.
De soort overwintert als jonge rups en verpopt zich in de grond.
Meer over de Nederlandse naam :
De vlinder van de bruine zwartstipuil is bruin, zelfs kastanjebruin volgens de Latijnse soortnaam, en de zwarte stipjes bij de vleugelpunten zijn kenmerkend.
Xestia : xestos = opgewreven, glad, naar de glimmende voorvleugels van een aantal soorten in dit genus.
De bruine witvleugeluil (Aporophyla lutulenta) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775.
Een atlantischmediterrane soort verbreid en zeer lokaal in Zuid-Europa tot de Krim. Naar het noorden tot Schotland, West-Noorwegen, Zuid-Zweden, Letland, Tatra en de Karpaten.
Bruine witvleugeluil
auteur : foto op www.unitedhallingbury.co.uk
Hij heeft een spanwijdte van 15 tot 18 mm.
Deze tamelijk fors gebouwde uil heeft een donkere warm bruinachtig grijze of zwartachtige voorvleugel met een nagenoeg rechte voorrand, de vleugel is vrij smal.
De tekening varieert in intensiteit en is soms onduidelijk.
Vaak is er een brede middenband waarin een donkere middenschaduw te zien is.
De achtervleugel van het mannetje is wit en heeft soms een centrale dwarslijn die bestaat uit een rij kleine zwarte vlekjes of streepjes, de achtervleugel van het vrouwtje is donkergrijs.
De antennen van de mannetjes zijn licht geveerd.
De bruine witvleugeluil lijkt veel op de heidewitvleugeluil (A. lueneburgensis), die door sommige taxonomen beschouwd wordt als een vorm van de bruine witvleugeluil, is grijzer, heeft een smallere en spitser toelopende voorvleugel en een iets scherpere tekening.
Beide soorten vliegen over het algemeen niet door elkaar, omdat ze niet dezelfde habitatvoorkeur hebben.
Aporophyla lutulenta
auteur : Algirdas - vrije foto
Een zeldzame soort die vrijwel uitsluitend voorkomt in de duinen.
Zijn habitat zijn open gebieden op zandige en kalkrijke grond, zoals duinen, weiden en graslanden, soms bosranden en tuinen.
De waardplanten van de bruine wapendrager zijn diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder zuring, brem en sleedoorn, ook grassen, waaronder smele.
Rups van de bruine witvleugeluil
foto : Jürgen Rodeland op www.lepiforum.de
De vliegtijd is van begin september-begin oktober in één generatie.
De vlinders zijn vanaf de schemering actief en komen matig op licht.
Ze bezoeken bloemen en overrijpe bramen en komen op smeer.
De rups : oktober - juni.
De rups foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag dicht bij de grond.
De soort overwintert als jonge rups.
De verpopping vindt plaats in de grond.
Meer over de Nederlandse naam :
De witvleugeluilen hebben witte achtervleugels. Het betreft het Genus Aporophyla. De grondkleur van de bruine witvleugeluil is donkerbruin.
Aporophyla : aporos = ingewikkeld, moeilijk en phule = een klasse, een groep, vrij geïnterpreteerd is dit ieder taxon boven die van soort. Dit verwijst naar de moeilijkheid om dit genus een goede plaats te geven in de systematiek.
lutulenta : lutulentus = modderig, naar de grijsbruine grondkleur van de voorvleugels.