De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die zeldzaam tot vrij zeldzaam in België en Nederland voorkomt.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Vander Linden (Pierre Léonard Vander Linden was een Belgisch entomoloog.) in 1820.
De soort komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Midden-Azië.
Engels : Common Winter Damselfly, Winter Damselfly Duits : Gemeine Winterlibelle Frans : Le Leste brun, Brunette hivernale
Bruine winterjuffer (vrouwtje)
auteur : Rixonrixon CC 3.0
De bruine winterjuffer heeft een lengte van 34 - 39mm.
Een lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans).
De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig.
In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend.
De ogen hebben dan vaak blauwe berijping.
Pterostigma’s (een verdikt en opvallend gekleurd vlekje dat bestaat uit een of meerdere vleugelcellen in de vleugel van een insect) lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels.
In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden.
De donkere strepen op de borststukrug hebben een rechte onderkant.
De donkere streep op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) is relatief breed.
Sympecma fusca (vrouwtje)
auteur : Minutemen CC 3.0
Gelijkende soorten zijn de Noordse winterjuffer en vrouwtjes van de watersnuffel.
In België is ze zeldzaam in de Antwerpse Kempen, in Nederland vrij algemeen in de duinem en op zandgronden.
De soort is aan een opmars bezig en wordt vrij algemeen aangetroffen op warme heideterreinen en rond vennen.
Zijn habitat zijn vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie.
Sporadisch ook in laagveen. Overwinteringshabitat : beschutte plaatsen in heide en halfopen bossen.
De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april.
De voortplanting is in april en mei en in het zuiden van het verspreidingsgebied kan overlap optreden tussend de overwinterde en de nieuwe generatie.
De jonge winterjuffers komen tevoorschijn vanaf augustus en vliegen tot in de herfst.
Elk jaar zijn er dus twee generaties te zien, één in het vroege voorjaar en één in de zomer.
De eieren worden afgezet in stengels van drijvende, rottende planten in ondiep water.
De dieren vormen meestal een tandem voor de paring en de eileg.
Het vrouwtje boort met haar legboor gaatjes in de stengel, en plaatst vervolgens in ieder gaatje een eitje.
bruine winterjuffer (mannetje)
auteur : Piet Spaans CC 3.0
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert.
De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden.
In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet.
Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen.
Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.
(Gr.) sym-pyknos=nauwsluitend; verwijst naar de in rust gesloten vleugels, in tegenstelling tot de half open gehouden vleugels van de gelijkende pantserjuffers; door een leesfout van het oorspronkelijke manuscript is het bedoelde Sympycna in druk verschenen als Sympecma
De bruine wapendrager (Clostera curtula) is een vlinder uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae), die
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus (Carl Linnaeus was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758.
Deze tandvlinder komt verspreid over Europa voor tot aan Siberië.
Engels : Chocolate-tip Duits : Erpelschwanz-Rauhfussspinner Frans : le Courtaud , la Hausse-queue blanche Oude Nederlandse naam : bruin matje, kleinste wapendrager
Bruine wapendrager
auteur : H.Baas op www.freenatureimages.eu
Hij heeft een spanwijdte van 27 tot 35 mm.
De voorvleugellengte bedraagt 13 tot 18 millimeter.
Heeft globaal hetzelfde uiterlijk als de beide andere inheemse Clostera-soorten.
Karakteristiek is de brede, scherp afgetekende donkerbruine met roodbruine vlek die aan de buitenzijde van de dikke witte buitenste dwarslijn ligt en daarmee sterk contrasteert.
De bruine wapendrager lijkt veel op de donkere wapendrager (C. pigra), deze is kleiner en heeft bij de vleugelpunt een veel kleinere en lichtere roodbruine vlek, die niet duidelijk afgetekend is.
Gelijkt ook op de kleine wapendrager (C. anachoreta), deze heeft een duidelijk afgetekende bruine vlek bij de vleugelpunt van de voorvleugel die wordt doorsneden door de witte buitenste dwarslijn. Opvallend zijn de (meestal) twee zwarte vlekjes bij de binnenrandhoek.
Een gewone soort die verspreid over het hele grondgebied van Nederland en België voorkomt.
Zijn habitat zijn bossen, struwelen, populierenaanplanten en windsingels, ook parken en tuinen.
De waardplanten van de bruine wapendrager zijn (ratel)populier en wilg.
Rups van de bruine wapendrager
auteur : Harald Süpfle CC 3.0
De vliegtijd is half april-half september in twee generaties.
De vlinders komen op licht, meestal laat in de avond.
De rups : mei-begin oktober.
De rups verbergt zich overdag tussen samengesponnen bladeren en komt ´s nachts tevoorschijn om te foerageren.
De verpopping vindt plaats tussen samengesponnen bladeren van de waardplant.
De poppen van de herfstgeneratie vallen met de bladeren op de grond en overwinteren.
Meer over de Nederlandse naam : Wapendrager is een al lang bestaande naam en wordt al gebruikt door Ter Haar in 'Onze vlinders'.
Wat achter wapendrager gezocht moet worden is onduidelijk. Bij de Clostera's zou het betrekking kunnen hebben op het in rust boven de vleugels uitstekende lichaamsuiteinde.
Het is ook goed mogelijk dat met wapen een medaille wordt bedoeld. De wapendragers hebben alle een medaille in de punt van de voorvleugel.
Bruine verwijst naar de mooie bruine kleur van de voorvleugelpunt van deze soort.
Clostera : kloster = een spoel, naar de vorm van het abdomen die slank is en taps toeloopt in de anale segmenten.
curtela : kurtos = gebogen, gebocheld, naar de rups die Linnaeus omschrijft als 'turrita' met torens of bochels. Pickard en Macleod houden het op curtus, afgehakt, een omschrijving van de bruine punt op de voorvleugel.
De bruine wants (Eurygaster testudinaria) is een wants uit de familie Pentatomidae.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Geoffroy (Étienne Geoffroy Saint-Hilaire was een Frans natuurvorser die het principe van homologieën tussen verschillende soorten ontdekte.) in 1785.
Bruine wants
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 2.5
De wants is meestal bruin van kleur, maar groene, rode en zelfs gele exemplaren komen ook voor.
De maximale lengte is ongeveer 11 millimeter, en het lichaam is bijna rond van vorm, de kleur is bruin met lichtere, brede dwarsstrepen op de rug.
Deze soort wordt soms ook wel schildpadwants genoemd, vanwege het scutellum dat het hele achterlijf bedekt, maar bij veel andere soorten wantsen veel kleiner blijft.
Een typisch kenmerk zijn de twee uit-stekende punten van het rugschild vooraan bij de kop.
De bruine wants leeft op planten als grassen en zuigt de sappen op waar hij van leeft, liefst in wat vochtige omgevingen als graslanden.
De soort komt in heel Europa voor en omdat de wants polyfaag is en meerdere plantenfamilies lust is de soort niet zo schadelijk als sommige andere soorten wantsen.
Ter verdediging kent de bruine wants een stinkende afscheiding die te vergelijken is met die van de groene stinkwants (Palomena prasina).
De eitjes worden aan de onderzijde van bladeren afgezet, de nimfen vervellen vijf keer voor ze volwassen zijn.
De bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus of Heodes tityrus) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Poda in 1761.
De vrij kleine vlinder komt in graslanden, heiden en venen voor in heel Centraal- en Zuid-Europa.
De bruine vuurvlinder vliegt van zeeniveau tot 2500 meter in berggebied.
De bruine vuurvlinder is een schaarse standvlinder die in Nederland de noordgrens van zijn areaal bereikt.
Engels : Sooty Copper Duits : Brauner Feuerfalter, Schwefelvögelchen Frans : l'Argus Myope, le Cuivré fuligineux Oude Nederlandse naam : bruin vuurvlindertje
Bruine vuurvlinder (mannetje)
auteur : Olaf Leillinger CC 3.0
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 14 millimeter.
De onderkant van de achtervleugel heeft in tegenstelling tot de andere vuurvlinder-soorten een geelbruine grondkleur.
Zowel op de voor- als op de achtervleugel bevinden zich oranje achterrandvlekken die scherp zwart zijn afgezet.
De bovenkant van de voorvleugel van het mannetje is bruin met enkele zwarte vlekken, langs de achterrand bevinden zich oranje vlekjes.
Bij het vrouwtje is de bovenkant van de voorvleugel oranje met zwarte vlekken.
De bruine vuurvlinder lijkt veel op de kleine vuurvlinder.
parende bruine vuurvlinders (vrouwtje boven)
auteur : Loz (L. B. Tettenborn) CC 3.0
In Nederland komt de vlinder voor op de zandgronden van de Veluwe, in Drenthe en delen van Twente.
Zijn habitat zijn enerzijds droge gebieden op de zandgronden, zoals kruidenrijke heide en droge, schrale, bloemrijke graslanden, anderzijds vochtige gebieden, zoals schraal kruidenrijk grasland in laagveenmoerassen.
De waardplanten van de bruine vuurvlinder zijn diverse soorten zuring, waaronder vooral schapenzuring en veldzuring.
Bruine vuurvlinder (vrouwtje)
auteur : Kenraiz CC 3.0
De vliegtijd is begin mei-eind juni en begin juli-eind augustus in twee generaties.
De vlinders besteden relatief veel tijd aan het zoeken van nectar.
Vlinders van de eerste generatie zijn vooral te vinden op braam, die van de tweede generatie op struikhei, gewone dophei en akkerdistel.
De mannetjes verschijnen enkele dagen eerder dan de vrouwtjes en verdedigen een territorium vanaf een nectarplant.
De rups : half augustus-begin mei en begin juni-half juli.
De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag.
De verpopping vindt plaats in op de bodem tussen strooisel.
tityrus : Tityus is de naam van een schaapsherder genoemd in de Eclogues van Virgilius.
In Nederland staat de bruine vuurvlinder op de rode lijst vermeld als zeldzaam.
De bruine vloot is de aanduiding voor de professionele passagiersvaart (chartervaart) met traditionele zeilschepen en motorschepen in Nederland.
De Eben Haëzer een Friese vrachtaak
foto op zeilcharter.nl
De vloot bestaat uit meer dan 500 schepen, waarmee in het verleden vracht werd vervoerd.
Met deze schepen kunnen tegenwoordig vaarvakanties gemaakt worden variërend van 1 dag tot meer dan 4 weken.
De term verwijst naar de oorspronkelijke kleur van de zeilen op deze schepen.
De kleur ontstond door het tanen van de zeilen met cachou.
de Bracksand op de wadden
foto op www.kombuispraat.com
De meeste van deze schepen zijn van het type platbodem en rondbouw, maar ook andere types als de rivierklipper worden daarbij geteld.
Vaak worden alle varende monumenten gezien als "Bruine vloot", maar zeker niet alle historische schepen worden nog beroepsmatig gebruikt.
Schepen van de vloot varen voornamelijk op het Markermeer, het IJsselmeer een de Waddenzee.
Vrij opvallend is de duidelijke dubbele vlek in het zoomveld, dicht bij de vleugelpunt, bij de meeste verwante soorten is deze vlek minder duidelijk of afwezig.
Een ander tamelijk constant kenmerk is de meestal heldere tekening en de duidelijke witte afzetting aan de buitenzijde van de vaak bleke purperachtige middenband.
Het lichte bandje dat hier nauw aan grenst, is vrij breed en contrasteert scherp met de grondkleur van de vleugelzoom.
De vierbandspanner (X. ferrugata) lijkt veel op de bruine vierbandspanner.
Algemeen wordt aangenomen dat exemplaren met een diep zwarte middenband altijd behoren tot de vierbandspanner (X. ferrugata) en exemplaren met een bleke purperachtige middenband tot de bruine vierbandspanner (X. spadicearia).
Xanthorhoe spadicearia
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De kleur- en contrastvormen die elkaar in het midden raken leveren echter vaak een groot probleem op bij de determinatie.
Vaak wordt genoemd dat de vierbandspanner een duidelijkere inkeping aan de binnenzijde van de middenband heeft, dicht bij de voorrand, maar dit kenmerk wordt door anderen in twijfel getrokken.
Ook zou de onderkant van de achtervleugel minder getekend zijn.
Beide soorten zijn variabel en sommige exemplaren zijn zonder genitaliënonderzoek niet van elkaar te onderscheiden.
Zijn habitat zijn vooral tuinen, bossen, struwelen, graslanden, moerassen, natte heiden en duinen.
De waardplanten van de bruine vierbandspanner zijn diverse kruidachtige planten.
Rups van de bruine vierbandspanner
auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0
De vliegtijd is van half april-half oktober in twee, soms drie generaties.
De vlinders zitten overdag vaak op bladeren en zijn gemakkelijk op te jagen uit struiken en lage vegetaties.
Ze vliegen vanaf de schemering en komen op licht, bij het neerstrijken op het laken houden ze vaak hun vleugels opgeklapt.
De rups : juni - augustus.
De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag.
Een woordje bij de Nederlandse naam : De bandspanners hebben een bandtekening dwars over de vleugels. Er zijn drie soorten in het Genus Xanthorhoe die aangeduid worden met vierbandspanner . Hier gaat het om de meest bruine van deze drie.
De grondkleur van deze soort is, zeker bij de eerste generatie, bruin.
Xanthorhoe : xanthos = geel en rhoe = een stroom, een rivier; verwijzend naar de gelige kronkellijnen die een aantal soorten van dit genus kenmerken. spadicearia : spadix = een bruintint; de kleur van de mediane dwarsband. Deze naam zou meer geschikt geweest zijn voor X. ferrugata.
Bron : - Wikipedia CC 3.0
- vlindernet
- tinternet