bel20-aex 27/12/2012
|
Slotkoers Bel20 27 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 27 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
bel20-aex 27/12/2012|
Slotkoers Bel20 27 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 27 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruinkopbaardvogel
![]() |
| B b B b 18 u 104 | |
| Bruinkopbaardvogel | |
|
De bruinkopbaardvogel (Megalaima zeylanica) is een baardvogel die voorkomt in India en Sri Lanka. De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788. Vóór 1990 werden de bruinkopbaardvogel en de gestreepte baardvogel (M. lineata) ook wel beschouwd als ondersoorten van dezelfde soort. Duits : Braunkopf-Bartvogel Frans : Le Barbu à tête brune |
|
Bruinkopbaardvogel auteur : Anton Croos CC 3.0 |
|
|
De bruinkopbaardvogel is 27 cm lang. Hij lijkt op de gestreepte baardvogel, want heeft ook een gestreepte borst, nek en kop. |
|
Megalaima zeylanica auteur : J.M.Garg CC 3.0 |
|
|
De bruinkopbaardvogel is een standvogel op het Indische Subcontinent, waar hij wijdverspreid voorkomt, ook in Bangladesh en op Sri Lanka. Het is een bosvogel die voorkomt in diverse types bos en zich gemakkelijk aanpast aan gebieden waar mensen wonen. De bruinkopbaardvogel mijdt dicht regenwoud. |
|
Bruinkopbaardvogel auteur : J.M.Garg CC 3.0 |
|
|
De bruinkopbaardvogel heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering. Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal stabiel blijft. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
Bruinkeelortolaan
![]() |
| B b B b 18 u 103 | |
| Bruinkeelortolaan | |
|
De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) is een als dwaalgast in West-europa voorkomend lid van de gorzenfamilie. De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Cretzschmar (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1827. De soort broedt in zuidoost Europa en een deel van Azië van Albanië en Macedonië in het westen tot in Syrië in het oosten. Daarnaast is er een geïsoleerde populatie in Marokko. Engels : Blue-headed Ortoloan Bunting, Cretzchmar's Bunting, Cretzschmar's BuntingDuits : Grauortolan Frans : Le Bruant cendrillard |
|
Bruinkeelortolaan auteur : Jan Svetlík CC 2.0 |
|
|
De Bruinkeelortolaan meet van het puntje van de snavel tot het uiteinde van de staart 16 centimeter. De soort lijkt erg op de hier inheemse Ortolaan, maar heeft een rossigbruine in plaats van gele keel. |
|
Emberiza caesia auteur : Jeroen Cornelissen www.jcfotos.be |
|
|
Zijn habitat : droge, stenige hellingen met verspreide struiken. Ook vaak in boomgaarden. Hij fourageert voornamelijk op de grond. De roep klinkt als tsip, de zang bestaat uit 3 of 4 keer pioe met de klemtoon op de laatste in de reeks. |
|
Bruinkeelortolaan auteur : Bernard Spaans op knnvhaarlem.waarneming.nl |
|
|
De Bruinkeelortolaan broedt in het open landschap op de grens van de woestijn en op rotsachtige flanken van heuvels met spaarzaam struikgewas. Het nest wordt op de grond gebouwd, vaak aan de voet van een struik en bestaat uit een kommetje van takjes, gevoerd met fijn materiaal zoals haar. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
Bruinkeelhoningzuiger
![]() |
| B b B b 18 u 102 | |
| Bruinkeelhoningzuiger | |
|
De bruinkeelhoningzuiger (Anthreptes malacensis) is een soort honingzuiger (Nectariniidae). De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Scopoli (Giovanni Antonio Scopoli was een Italiaanse arts en bioloog.) in 1786. De bruinkeelhoningzuiger komt voor in Zuidoost-Azië. Engels : Brown-throated Sunbird, Plain-throated SunbirdDuits : Braunkehl-Nektarvogel Frans : Le Souïmanga è gorge brune, Souimanga malais |
|
Bruinkeelhoningzuiger auteur(s) : NatureAtYourBackyard ltshears CC 2.0 |
|
|
Zoals andere honingzuigers voeden ze zich hoofdzakelijk op nectar, hoewel ze ook op insecten foerageren, vooral als ze jongen hebben. Ze hebben een snelle, directe vlucht en zij kunnen net als een kolibrie in de lucht op één plek blijven fladderen om nectar uit een bloem te halen, meestal strijken ze onder aan de bloem neer om bij de nectar de komen. De bruinkeelhoningzuiger is een relatief grote honingzuiger, met een forse snavel. Net als bij de meeste honingzuigers is het mannetje kleurrijker dan het vrouwtje. |
|
Anthreptes malacensis (mannetje) auteur : HowardB CC 3.0 |
|
|
Hij komt voor in een groot aantal laaglandbiotopen (minder de 900 m boven de zeespiegel) zoals halfopen bosland met ondergroei en struikgewas en mangrovebossen aan de kust, kokosplantages en tuinen in Zuidoost-Azië van Birma tot de Kleine Soenda-eilanden en het westen van de Filipijnen. |
|
Bruinkeelhoningzuiger (vrouwtje) auteur : HowardB CC 3.0 |
|
|
De bruinkeelhoningzuiger heeft een groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven uiterst gering. De grootte van de populatie is niet gekwantificeerd, maar er is geen aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal achteruit gaat. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
Bruinkapspecht
![]() |
| B b B b 18 u 101 | |
| Bruinkapspecht | |
|
De bruinkapspecht (Dendrocopos moluccensis, protonym Picus moluccensis) is een kleine soort specht uit de familie spechten (Picidae) die voorkomt in de Indische Archipel. De wetenschappelijke naam van deze soort is als voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Gmelin (Johann Friedrich Gmelin was een Hannovers natuurwetenschapper, botanicus, malacoloog en entomoloog.) in 1788. De bruinkapspecht komt op het schiereiland Malakka, Sumatra, Borneo, Java en de Kleine Soenda-eilanden. Engels : Brown-capped Woodpecker, Sunda Woodpecker, Sunda Pygmy WoodpeckerDuits : Braunscheitel-Specht, Braunscheitelspecht Frans : Le Pic nain |
|
Bruinkapspecht auteur : Lip Kee Yap CC 2.0 |
|
|
De bruinkapspecht lijkt sterk op de grijskapspecht. Beide soorten lijken een beetje op de in Europa voorkomende kleine bonte specht, met hetzelfde formaat en dezelfde zwartwittekening op de rug. Het opvallendste verschil is het verenkleed aan de onderzijde. Daarnaast is er een verschil in habitatkeuze. |
|
Dendrocopos moluccensis auteur : Dandeli CC 2.5 |
|
|
Het is een plaatselijk algemene vogel die vooral voorkomt in mangrovebos en bossen en gebieden met struikgewas langs kusten. Het verspreidingsgebied is vrij groot. |
|
Bruinkapspecht auteur : ©Kampang op www.birdforum.net |
|
|
Er is aanleiding te veronderstellen dat de soort in aantal toeneemt. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
bel20-aex 24/12/2012|
Slotkoers Bel20 24 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 24 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine zwartstipuil
![]() |
| B b B b 18 u 100 | |
| Bruine zwartstipuil | |
|
De bruine zwartstipuil (Xestia baja) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen. De wetenschappelijke naam van deze soort is als Noctua baja voor het eerst geldig gepubliceerd door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775. Komt voor in heel Europa van het Iberisch schiereiland tot de poolcirkel. Duits : Baja-Bodeneule Frans : la Belladone , la Noctulelle baie |
|
Bruine zwartstipuil auteur : Ernest van Asseldonk CC 3.0 |
|
|
De voorvleugellengte bedraagd 17 tot 21mm. Opvallend en kenmerkend is de dubbele of drievoudige zwarte stip langs de voorrand van de voorvleugel vlak bij de golflijn. Gelijkende soorten zijn de kastanjebruine uil (X. castanea), de zesstreepuil (X. sexstrigata) en de moerasheide-aarduil (Protolampra sobrina), ze missen de zwarte stip bij de vleugelpunt. |
|
Xestia baja foto op philgolder.org |
|
|
De bruine zwartstipuil is in Nederland een algemene en in België een niet zo algemene soort. Zijn habitat zijn bossen, heiden, struwelen, ruige en vochtige graslanden; soms tuinen. De waardplanten van de bruine zwartstipuilzijn diverse kruidachtige planten, waaronder brandnetel; in het voorjaar ook houtige planten en loofbomen, waaronder wilg, berk, sleedoorn en wilde gagel. |
|
Rups van de bruine zwartstipuil auteur : ©Jeroen Voogd op webh01.ua.ac.be |
|
|
De vliegtijd is van begin juli-half september in één generatie. De rups : augustus - mei. Meer over de Nederlandse naam : Xestia : xestos = opgewreven, glad, naar de glimmende voorvleugels van een aantal soorten in dit genus. baja : badius = heeft de kleur van kastanje. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - De Vlinderstichting/Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008. Vlindernet, versie 2 - tinternet |
Bruine witvleugeluil
![]() |
| B b B b 18 u 99 | |
| Bruine witvleugeluil | |
|
De bruine witvleugeluil (Aporophyla lutulenta) is een nachtvlinder uit de familie Noctuidae, de uilen. De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Denis (Johann Nepomuk Cosmas Michael Denis was een Oostenrijkse dichter, bibliograaf, bibliothecaris, vertaler en lepidopterist)& Schiffermüller (Johann Ignaz Schiffermüller was een Oostenrijkse zoöloog, met name lepidopterist) in 1775. Een atlantischmediterrane soort verbreid en zeer lokaal in Zuid-Europa tot de Krim. Naar het noorden tot Schotland, West-Noorwegen, Zuid-Zweden, Letland, Tatra en de Karpaten. Engels : Deep-brown DartDuits : Braune Glattrückeneule Frans : Aporophyla lutulenta |
|
Bruine witvleugeluil auteur : foto op www.unitedhallingbury.co.uk |
|
|
Hij heeft een spanwijdte van 15 tot 18 mm. Deze tamelijk fors gebouwde uil heeft een donkere warm bruinachtig grijze of zwartachtige voorvleugel met een nagenoeg rechte voorrand, de vleugel is vrij smal. De bruine witvleugeluil lijkt veel op de heidewitvleugeluil (A. lueneburgensis), die door sommige taxonomen beschouwd wordt als een vorm van de bruine witvleugeluil, is grijzer, heeft een smallere en spitser toelopende voorvleugel en een iets scherpere tekening. |
|
Aporophyla lutulenta auteur : Algirdas - vrije foto |
|
|
Een zeldzame soort die vrijwel uitsluitend voorkomt in de duinen. Zijn habitat zijn open gebieden op zandige en kalkrijke grond, zoals duinen, weiden en graslanden, soms bosranden en tuinen. De waardplanten van de bruine wapendrager zijn diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder zuring, brem en sleedoorn, ook grassen, waaronder smele. |
|
Rups van de bruine witvleugeluil foto : Jürgen Rodeland op www.lepiforum.de |
|
|
De vliegtijd is van begin september-begin oktober in één generatie. De rups : oktober - juni. Meer over de Nederlandse naam : Aporophyla : aporos = ingewikkeld, moeilijk en phule = een klasse, een groep, vrij geïnterpreteerd is dit ieder taxon boven die van soort. Dit verwijst naar de moeilijkheid om dit genus een goede plaats te geven in de systematiek. lutulenta : lutulentus = modderig, naar de grijsbruine grondkleur van de voorvleugels. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - De Vlinderstichting/Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008. Vlindernet, versie 2 - tinternet |
bel20-aex 21/12/2012|
Slotkoers Bel20 21 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 21 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine winterjuffer
![]() |
| B b B b 18 u 98 | |
| Bruine winterjuffer | |
|
De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die zeldzaam tot vrij zeldzaam in België en Nederland voorkomt. De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Vander Linden (Pierre Léonard Vander Linden was een Belgisch entomoloog.) in 1820. De soort komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Midden-Azië. Engels : Common Winter Damselfly, Winter DamselflyDuits : Gemeine Winterlibelle Frans : Le Leste brun, Brunette hivernale |
|
Bruine winterjuffer (vrouwtje) auteur : Rixonrixon CC 3.0 |
|
|
De bruine winterjuffer heeft een lengte van 34 - 39mm. Een lichtbruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans). In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden. |
|
Sympecma fusca (vrouwtje) auteur : Minutemen CC 3.0 |
|
|
Gelijkende soorten zijn de Noordse winterjuffer en vrouwtjes van de watersnuffel. In België is ze zeldzaam in de Antwerpse Kempen, in Nederland vrij algemeen in de duinem en op zandgronden. Zijn habitat zijn vennen, duinplassen, overige plassen en poelen met goed ontwikkelde verlandingsvegetatie. De bruine winterjuffer overwintert als imago (volwassen dier) in op heideterreinen goed verborgen tussen de vegetatie en wordt actief bij de eerste warme dagen, soms al in maart of april. |
|
bruine winterjuffer (mannetje) auteur : Piet Spaans CC 3.0 |
|
|
Samen met noordse winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert. (Gr.) sym-pyknos=nauwsluitend; verwijst naar de in rust gesloten vleugels, in tegenstelling tot de half open gehouden vleugels van de gelijkende pantserjuffers; door een leesfout van het oorspronkelijke manuscript is het bedoelde Sympycna in druk verschenen als Sympecma (L.) fusca=donker, donkerbruin |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - De Vlinderstichting, 2008. Libellennet - tinternet |
bel20-aex 20/12/2012|
Slotkoers Bel20 20 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 20 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine wapendrager
![]() |
| B b B b 18 u 97 | |
| Bruine wapendrager | |
|
De bruine wapendrager (Clostera curtula) is een vlinder uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae), die De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Linnaeus (Carl Linnaeus was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog.) in 1758. Deze tandvlinder komt verspreid over Europa voor tot aan Siberië. Engels : Chocolate-tipDuits : Erpelschwanz-Rauhfussspinner Frans : le Courtaud , la Hausse-queue blanche Oude Nederlandse naam : bruin matje, kleinste wapendrager |
|
Bruine wapendrager auteur : H.Baas op www.freenatureimages.eu |
|
|
Hij heeft een spanwijdte van 27 tot 35 mm. Heeft globaal hetzelfde uiterlijk als de beide andere inheemse Clostera-soorten. De bruine wapendrager lijkt veel op de donkere wapendrager (C. pigra), deze is kleiner en heeft bij de vleugelpunt een veel kleinere en lichtere roodbruine vlek, die niet duidelijk afgetekend is. |
|
Clostera curtula auteur : Fvlamoen CC 3.0 |
|
|
Een gewone soort die verspreid over het hele grondgebied van Nederland en België voorkomt. Zijn habitat zijn bossen, struwelen, populierenaanplanten en windsingels, ook parken en tuinen. De waardplanten van de bruine wapendrager zijn (ratel)populier en wilg. |
|
Rups van de bruine wapendrager auteur : Harald Süpfle CC 3.0 |
|
|
De vliegtijd is half april-half september in twee generaties. De rups : mei-begin oktober. Meer over de Nederlandse naam : Wapendrager is een al lang bestaande naam en wordt al gebruikt door Ter Haar in 'Onze vlinders'. Clostera : kloster = een spoel, naar de vorm van het abdomen die slank is en taps toeloopt in de anale segmenten. curtela : kurtos = gebogen, gebocheld, naar de rups die Linnaeus omschrijft als 'turrita' met torens of bochels. Pickard en Macleod houden het op curtus, afgehakt, een omschrijving van de bruine punt op de voorvleugel. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - De Vlinderstichting/Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008. Vlindernet, versie 2 - tinternet |
Bruine wants
![]() |
| B b B b 18 u 96 | |
| Bruine wants | |
|
De bruine wants (Eurygaster testudinaria) is een wants uit de familie Pentatomidae. De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Geoffroy (Étienne Geoffroy Saint-Hilaire was een Frans natuurvorser die het principe van homologieën tussen verschillende soorten ontdekte.) in 1785. Deze soort komt in heel Europa voor. Engels : Tortoise Bugs, Eurygaster testudinariaDuits : Schildkrötenwanze Frans : Eurygaster testudinaria |
|
Bruine wants auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 2.5 |
|
|
De wants is meestal bruin van kleur, maar groene, rode en zelfs gele exemplaren komen ook voor. Deze soort wordt soms ook wel schildpadwants genoemd, vanwege het scutellum dat het hele achterlijf bedekt, maar bij veel andere soorten wantsen veel kleiner blijft. |
|
Bruine wants auteur : zimbart CC 2.0 |
|
|
De bruine wants leeft op planten als grassen en zuigt de sappen op waar hij van leeft, liefst in wat vochtige omgevingen als graslanden. Ter verdediging kent de bruine wants een stinkende afscheiding die te vergelijken is met die van de groene stinkwants (Palomena prasina). De eitjes worden aan de onderzijde van bladeren afgezet, de nimfen vervellen vijf keer voor ze volwassen zijn. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
bel20-aex 19/12/2012|
Slotkoers Bel20 19 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 19 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine vuurvlinder
![]() |
| B b B b 18 u 95 | |
| Bruine vuurvlinder | |
|
De bruine vuurvlinder (Lycaena tityrus of Heodes tityrus) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes. De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Poda in 1761. De vrij kleine vlinder komt in graslanden, heiden en venen voor in heel Centraal- en Zuid-Europa. De bruine vuurvlinder is een schaarse standvlinder die in Nederland de noordgrens van zijn areaal bereikt. Engels : Sooty CopperDuits : Brauner Feuerfalter, Schwefelvögelchen Frans : l'Argus Myope, le Cuivré fuligineux Oude Nederlandse naam : bruin vuurvlindertje |
|
Bruine vuurvlinder (mannetje) auteur : Olaf Leillinger CC 3.0 |
|
|
De voorvleugellengte bedraagt ongeveer 14 millimeter. De onderkant van de achtervleugel heeft in tegenstelling tot de andere vuurvlinder-soorten een geelbruine grondkleur. De bruine vuurvlinder lijkt veel op de kleine vuurvlinder. |
|
parende bruine vuurvlinders (vrouwtje boven) auteur : Loz (L. B. Tettenborn) CC 3.0 |
|
|
In Nederland komt de vlinder voor op de zandgronden van de Veluwe, in Drenthe en delen van Twente. Zijn habitat zijn enerzijds droge gebieden op de zandgronden, zoals kruidenrijke heide en droge, schrale, bloemrijke graslanden, anderzijds vochtige gebieden, zoals schraal kruidenrijk grasland in laagveenmoerassen. De waardplanten van de bruine vuurvlinder zijn diverse soorten zuring, waaronder vooral schapenzuring en veldzuring. |
|
Bruine vuurvlinder (vrouwtje) auteur : Kenraiz CC 3.0 |
|
|
De vliegtijd is begin mei-eind juni en begin juli-eind augustus in twee generaties. De rups : half augustus-begin mei en begin juni-half juli. tityrus : Tityus is de naam van een schaapsherder genoemd in de Eclogues van Virgilius. In Nederland staat de bruine vuurvlinder op de rode lijst vermeld als zeldzaam. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - De Vlinderstichting/Werkgroep Vlinderfaunistiek, 2008. Vlindernet, versie 2 - tinternet |
bel20-aex 18/12/2012|
Slotkoers Bel20 18 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 18 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine vloot
![]() |
| B b B b 18 u 94 | |
| Bruine vloot | |
|
De bruine vloot is de aanduiding voor de professionele passagiersvaart (chartervaart) met traditionele zeilschepen en motorschepen in Nederland. |
|
De Eben Haëzer een Friese vrachtaak foto op zeilcharter.nl |
|
|
De vloot bestaat uit meer dan 500 schepen, waarmee in het verleden vracht werd vervoerd. Met deze schepen kunnen tegenwoordig vaarvakanties gemaakt worden variërend van 1 dag tot meer dan 4 weken. De term verwijst naar de oorspronkelijke kleur van de zeilen op deze schepen. De kleur ontstond door het tanen van de zeilen met cachou. |
|
de Bracksand op de wadden foto op www.kombuispraat.com |
|
|
De meeste van deze schepen zijn van het type platbodem en rondbouw, maar ook andere types als de rivierklipper worden daarbij geteld. Vaak worden alle varende monumenten gezien als "Bruine vloot", maar zeker niet alle historische schepen worden nog beroepsmatig gebruikt. Schepen van de vloot varen voornamelijk op het Markermeer, het IJsselmeer een de Waddenzee. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - tinternet |
bel20-aex 17/12/2012|
Slotkoers Bel20 17 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 17 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
Bruine vierbandspanner
![]() |
| B b B b 18 u 93 | |
| Bruine vierbandspanner | |
|
De bruine vierbandspanner (Xanthorhoe spadicearia) is een nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners. De wetenschappelijke naam van deze soort is beschreven door Denis & Schiffermüller in 1775. De vlinder is in Nederland en België algemeen. Engels : Red Twin-spot CarpetDuits : Heller Rostfarben-Blattspanner Frans : l'Oxydée Oude Nederlandse naam : valse vierbandspanner |
|
Bruine vierbandspanner auteur : ©entomart |
|
|
De voorvleugellengte bedraagt 12 - 13 millimeter. Vrij opvallend is de duidelijke dubbele vlek in het zoomveld, dicht bij de vleugelpunt, bij de meeste verwante soorten is deze vlek minder duidelijk of afwezig. De vierbandspanner (X. ferrugata) lijkt veel op de bruine vierbandspanner. |
|
Xanthorhoe spadicearia auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0 |
|
|
De kleur- en contrastvormen die elkaar in het midden raken leveren echter vaak een groot probleem op bij de determinatie. Zijn habitat zijn vooral tuinen, bossen, struwelen, graslanden, moerassen, natte heiden en duinen. De waardplanten van de bruine vierbandspanner zijn diverse kruidachtige planten. |
|
Rups van de bruine vierbandspanner auteur : James Lindsey at Ecology of Commanster CC 3.0 |
|
|
De vliegtijd is van half april-half oktober in twee, soms drie generaties. De rups : juni - augustus. Een woordje bij de Nederlandse naam : De bandspanners hebben een bandtekening dwars over de vleugels. Er zijn drie soorten in het Genus Xanthorhoe die aangeduid worden met vierbandspanner . Hier gaat het om de meest bruine van deze drie. Xanthorhoe : xanthos = geel en rhoe = een stroom, een rivier; verwijzend naar de gelige kronkellijnen die een aantal soorten van dit genus kenmerken. |
|
|
Bron : - Wikipedia CC 3.0 - vlindernet - tinternet |
bel20-aex 14/12/2012|
Slotkoers Bel20 14 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |
|
Slotkoers AEX 14 december 2012 |
Bron : De Telegraaf - DFT |