spreuken

Weerspreuken
In de Lage Landen horen bij deze maand de volgende weerspreuken:
- Juniregen is Gods zegen. Komt zonneschijn daarbij, dan maakt hij boer en stadslui blij.[1]
- Een boon in juni geplant, geeft vijftig in een hand.
- De eerste juni kil en wak, brengt veel koren in de zak.
- Juni met veel donder, brengt de oogst ten onder.
- Waait in juni de noordenwind over het land, dan krijgt de boer veel koren in z`n hand.
- Is de juniavond mistig, dan het weer met gaven kwistig.
- Juni vochtig en warm, dan maakt ze de boeren niet arm.
- Is er in juni pas zonneschijn, dan wordt de zomer klein maar fijn.
- Niet te koel, niet zwoel, niet te nat, en niet te droog, juni vult de schuren hoog.
















