ART . NR . 37 . c , - FIG . 12 . CONTRUCTIE

Teken en schildercursus fritske3
ART . NR . 37 . c , - FIG . 12 . CONTRUCTIE
PLAAT III
PLAAT IV
PLAAT V
PLAAT VI
PLAAT VII
ART . NR . 37 . c , - PLAAT VIII
ART . NR . 37 . b , - ANATOMIE VAN DE HAND .Art . Nr . 37 . b ,
Anatomie van de Hand.
A ) Skelet en geledingen .
Het skelet bestaat uit drie delen :
De handwortel , de middelhandsbeenderen en de vingerkootjes .
De handwortel valt samen met de pols . Hij is samengesteld uit acht kleine beentjes ( zie A op plaat I : palmzijde van de hand ) , onderling geleed en ook met de onderuiteinden van de beenderen der onderarm , spaakbeen aan de kant van de duim en ellepijp aan die van de pink . Deze gewrichtsbandachtige geledingen zorgen voor de soepelheid van de pols .
Op het lichaam kan men deze beentjes , onder de zachte delen , waardoor zij bedekt worden , moeilijk voelen , behalve het erwtenbeen en het groot veelhoekig been , die naar buiten uitsteken , het eerste in het verlengde van de pink , het tweede in dat van de duim . Boven de handwortel voelt men het benige relief van het spaakbeen en de ellepijp .
Het oppervlak van de handwortel is licht hol aan de binnenzijde van de hand om plaats te geven aan de bloedvaten , de zenuwen en de pezen van de vingerbuigers , die van de onderarm naar de vingers lopen . Zijn rugzijde is enigszins bol .
De middelhandsbeenderen zijn vijf in getal en veel langer . Hun uiteinden zijn iets bolvormig . In het midden zijn zij driehoekig van doorsnede en in de lengte vertonen zij een vrij sterke buiging , die overeenkomt met de holte van de hand . Tesamen vormen zij het middengedeelte van de hand . Hun uiteinden zijn verbonden met gewrichtsbanden , enerzijds met de onderste rij van de handwortelbeentjes , anderzijds met de eerste vingerkootjes . Kleine tussenbeensspiertjes zorgen voor hun ondelinge saamhorigheid .
Wanneer de hand gebogen is , ziet men duidelijk het buiteneinde van het middelhandsbeen , dat aan de middelvinger vastzit , vooral bij magere en bejaarde personen . Men nummert hen te beginnen bij de duim ( 1e , 2e , 3e enz. ) .
De vingerkootjes vormen het skelet van de vingers . Ieder heeft er drie , behalve de duim , die er maar twee heeft ( evenals de grote teen ) . Deze beenstukjes vertonen een vrij grote gelijkenis met de middelhandsbeenderen , met dit voorbehoud dat deze gelijkenis afneemt met hun lengte , die geringer wordt van de eerste naar de laatste , waarbij de eerste diegene is , die grenst aan het middelhandsbeen .
Ieder eerste kootje of grondkootje is aan de ene zijde geleed met het uiteinde van het middelhandsbeen en aan de andere zijde met het tweede of middelkootje , dat op zijn beurt geleed is met het derde of nagelkootje . Deze geledingen zijn gehuld in een soort van gewrichtsbandachtig kousje , die de benige uitsteeksels verzachten en het volume vergroten van de koppen der kootjes . De belangrijkste kootjes ziet men op de hoogte van de geledingen van middelhandsbeenderen en grondkootjes op de rug van de hand . De kop van ieder middelhandsbeen vormt een gootje , dat aansluit aan een afgerond "elleboogje "
( zie B - plaat I : rugzijde ) . Bij gesloten vuist ziet men vier knokkels verschijnen , waarvan die van de middelvinger de grootste is . ( Zie C - plaat I ) . De geledingen tussen de beenderen van de onderarm en de handwortel en tussen de handwortel en de middelhandsbeenderen maken het strekken ( achterover buigen ) en het buigen ( voorover buigen ) van de hand mogelijk , waarbij het strekken voornamelijk het werk is van eerstgenoemde geleding en het buigen van de laatstgenoemde .
Het opzij buigen van de hand aan beide kanten en de wenteling om zijn as zijn weer het werk van de handwortel . Behalve de bewegingen van buiging en strekking , staan de geledingen tussen handwortel en middelhandsbeenderen van de vier laatste vingers deze slechts een zeer geringe achterwaartse strekking toe . Daartegenover zijn de bewegingen van de duim veel gevarieerder : buiging , waarbij zijn uiteinde zich verplaatst naar de andere vingers teneinde er een tang mee te vormen , strekking naar buiten en naar binnen , tenslotte wenteling , dit alles is mogelijk bij hem .
Wat de geledingen tussen de middelhands beenderen en de vingerkootjes betreft , zij maken buigen en strekken mogelijk , alsook bewegingen naar buiten en naar binnen ( dus het zich naderen en verwijderen der vingers ) , wenteling en een beperkte passieve rotatie , die men een vinger kan laten uitvoeren door hem een weinig om zijn as te laten draaien .
De geledingen tussen de vingerkootjes onderling tenslotte zijn slechts tot buigen en strekken in staat . Alles bijeen is de hand een instrument van een onvergelijkelijke soepelheid , hetgeen wij dagelijks kunnen constateren bij alle denkbare handelingen en tijdens de meest uiteenlopende soorten van werk .
Resumerend moet men opmerken dat het skelet van de hand zeer verbrokkeld is . Wanneer de vingers aaneengesloten zijn , zou men zijn omtrek ovaal kunnen noemen . Zijn dikte is gering . Zijn rugzijde is enigszins bol en zijn palmzijde enigszins hol .
B ) Spieren .
In tegenstelling tot de rug van de hand is de plam goed van vlees voorzien . Men ziet er twee verhevenheden , de ene bolvormig , bij de duim (duimmuis ) en de andere langwerpig , bij de pink (pinkmuis ) , beiden veroorzaakt door spiergroepjes , die bij deze vingers behoren ( zie plaat II en fig . 11 ) .
Door de werking van een dezer spieren wordt de duim naar de binnenzijde van de hand gevoerd ( aanvoering ) en het is vooral in deze stand dat de duimmuis zijn volle omvang verkrijgt . Maar hij kan ook , evenals de pink , een tegengestelde beweging uitvoeren ( afvoering ) .
Er zijn ook dieper liggende spieren
( spoelwormspieren en tussenbeensspieren ) die gedeeltelijk bedekt worden door degene , die wij hierboven vermelden en door de pezen van de buigspieren , die uit de onderarm komen . Onder de huid wordt de hand bijna geheel bedekt door een vezelachtig vlies , dat sterk en elastisch is en driehoekig handpalmvlies genoemd wordt . Eenzelfde vlies bevindt zich ook aan de rugzijde . Op die rugzijde , vooral bij gebalde vuist , voelt en ziet men duidelijk de anderen en de waaiervormige verhevenheden van de pezen der hand - en vingerstrekkers , die eveneens uit de onderarm komen . Wanneer de duim aangevoerd is , dus de wijsvinger raakt , ziet men de zwelling van de eerste tussenbeensspier van de rugzijde .
C ) Huid
De palm van een hand wordt doorgroefd door meer of minder sterke rimpels , die zich daar gevormd hebben als gevolg van de vasthechting van de huid aan het handplamvlies en door de werking van herhaald uitgevoerde bewegingen . Deze rimpels ziet men , weliswaar met afwijkingen , op alle handen . Let daarbij ook op de buigplooien van de vingers , die verschillen van degenen , die op de rugzijde verschijnen , wanneer men de vingers strekt . Deze laatste onstaan door de slapheid van de huid , die op die zijde groter is . Door het buigen der vingers is deze namelijk van lieverlede uitgerekt , zoals het geval is met de ellebogen van een versleten kledingstuk .
Tenslotte merken wij op dat het interessant kan zijn om de vorm en de wijze van inplanting der nagels te bekijken .
ART . NR . 37 . b , - PLAAT I - SKELET VAN DE HAND .
ART . NR . 37 . b , - PLAAT I - SKELET VAN DE HAND

Art . Nr . 37 . b ,
Plaat I
Skelet van de hand.
A , palmzijde - c , scheepvormig been -
d , maanvormig been - e , erwtebeen - f , driehoekig been - g , groot veelhoekig been - h , klein veelhoekig been - i , gehoofde been - j , gehaakte been ( tesamen de handwortel vormend ) - k , de vijf middelhandsbeenderen ( de middelhand ) - 1 , 1' , 1'' , vingerkootjes . -B , rugzijde . In a , uiteinde van het spaakbeen - in b , van de ellepijp - in c , verhevenheid van de kop van een middelhandsbeen bij het buigen van het aangrenzende vingerkootje .
PLAAT II - DE HAND
Plaat II
ART . NR . 37 . b , - FIG . 11 . - SPIEREN
Art . Nr . 37 . b ,
ART . NR . 37 . a , - ENKELE BELANGRIJKE ONDERDELEN DE HANDEN .
FIG . 4 . - POTLOODTEKENING VAN SCHULTZ - DAL.
Fig . 4 .
FIG . 5 EN 6 . - TEKENINGEN IN TWEE KLEUREN KRIJT VAN DEZELFDE KUNSTENAAR
FIG . 6 .
FIG . 7 . - TEKENING IN TWEE KLEUREN KRIJT .
FIG . 8 . - PENTEKENIG VAN SCHULTZ - DAL
FIG . 9 . PENTEKENING VAN SCHULTZ - DAL .
ART . NR . 37 . a , - FIG . 10 - HAND DOOR HOLBEIN.