Vele beginners verwaarlozen de tekening van her oor en zelfs menig kunstenaar besteedt te weinig aandacht aan dit detail . De reden hiervoor is gemakkelijk te begrijpen : ten eerste is het geheel of gedeeltelijk bedekt door het haar ; ten tweede schijnt het alsof het oor slechts weinig bijdraagt tot de algehele expressie van het gelaat . Niets is minder waar en het zou een grote vergissing zijn , indien wij de studie van het oor achterwege lieten . Een onverantwoorde constructie van het oor of de verkeerde plaatsing daarvan in de kop , zou de eenheid van een portretstudie kunnen verstoren . Een andere reden zou de kunstenaars juist moeten prikkelen om het oor goed te tekenen ; evenals dit het geval is bij de handen , is ook het weergeven van het oor geen gemakkelijke taak en daarom is een erstige studie van dit onderdeel juist zo 'n goede oefening . Geen twee oren lijken immers op elkaar ! De algemene vorm van een oor kan men vergelijken met een schelp of een afgeplatte trechter , welke eindigt in een kleiner soepel aanhangsel : de oorlel ( fig . 26 ) . Maar zie nu eens wat een grote verscheidenheid van vormen wij kunnen ontdekken . Allereerst al in de wijze van aanhechting . Sommige zijn nauw verbonden met de schedel ; andere staan wijder uit . Kijk ook eens hoe grillig de kraakbeenachtige gedeelten gevormd kunnen zijn ; hoe verschillend van vorm zijn de oorlellen . Vaak zijn deze geheel opgenomen in de oorschelp . Je ziet het , de studie van het oor vergt een nauwkeurig observeren . Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om een pijnlijk juiste detaillering , doch wel om het verkrijgen van een juist begrip van de bouw , met meteen daaropvolgend een verantwoorde aanhechting aan de schedel . Zoals je weet ligt het oor direct achter de verticale deellijn , welke de kop in profielstand in twee gelijke helften deelt ( fig . 12 - B ) . De plaats van de oorlel valt samen met de opgaande kaaklijn en met de horizontale lijn welke wij door de neustop trekken . De bovenrand raakt de horizontale lijn welke door de pupil loopt . Wanneer men deze hulplijnen trekt , ook bij koppen in " afgedraaide " standen ( zie fig . 14 ) , dan kunnen veel fouten worden voorkomen . Let ook vooral goed op , dat je het oor niet te groot of te klein weergeeft . Vergelijk zijn hoogte - en breedtemaat met een ander onderdeel van de kop .
Het haar .
Ook de belangrijkheid van dit onderdeel van de kop wordt door velen onderschat . De oude meesters tekende en schilderden de kapsels met een bijzondere zorg . En niet ten onrechte . Zij waren er zich terdege van bewust , Dat een juiste weergave van het haar in steke mate bijdroeg tot de werkelijke expressie van het gelaat . Voor ons gaat het er nu niet in de eerste plaats om dat wij vervallen in een gekunstelde , pietepeuterige weergave van de haardos , doch wel , dat wij begrip krijgen voor de haarmassa . Sommigen begaan de fout ieder haartje apart te willen tekenen ; dat is een volkomen verkeerd begin . Let dus op de totale massa en op de betrekking tussen kapsel en het overige gedeelte van het gelaat . Hebben wij die grote vorm eenmmal vastgesteld door middel van enkele rake lijnen , dan zijn vaak een paar accenten voldoende om een indruk te geven van krullen en golving in het kapsel . De hoge lichtpartijen moeten vooral niet te tonig gemaakt worden . Het beste kunt je deze blank laten terwille van een levendig effect . In de tekening van fig . 27 lijkt de haardos misschien teveel uitgewerkt , omdat de meeste illustraties in deze les nogal schematisch gehouden zijn . Toch is aan deze tekening heel goed te zien dat het aanbrengen van licht - en schaduwpartijen , welke de golvingen in het haar accentueren , een heel nauwkeurige observatie vergt . Ook de totale toonwaarde van het haar zal steeds vergeleken moeten worden met de toonwaarden in het overige gedeelte van de kop , opdat er een mooi geheel onstaat . Ook de haarinplant dient zorgvuldig bestudeerd te worden . Is dit niet het geval , dan onstaat vaak een haardos welke meer aan een pruik doet denken .
Overigens zal de bewerking van het haar een andere moeten zijn dan de wijze waarop je het gelaat zelf tekent . " Vlees " heeft nu eenmaal een ander karakter dan " haar " ; of om het duidelijker uit te drukken : het gaat niet om een en dezelfde materie . Onverschillig met welk materiaal je ook werkt , laat altijd een verschil in behandeling zien .
Bij het tekenen van het kapsel moeten wij niet te lang stilstaan bij de omtrek . Tekent je in één enkele lijn , laat dan kracht van die lijn voldoende variéren . Aan de lichtkanten dus dunner ; aan de schaduwkanten een krachtiger accent . Gaat het om een tekening in toon , geef dan eerst heel luchtig de omtrek van het kapsel weer , waarna je een algemene tint opzet . De hoge lichtpartijen laat je dan nog blank . Vervolgen zet je de accenten in de schaduwpartijen en daarna bepaalt je de waarde van de halftinten . Ten slotte zullen dan sommige lichtpartijen te fel blijken en deze moeten dus weer voorzichtig in hun juiste toon gezet worden . Pas er echter voor op , dat je niet in een weke of onzekere weergave vervalt . Je ziet , dat het tekenen van het haar geen gemakkelijk werk is , doch aan de andere kant moet je er van overtuigd zijn , dat , ook hier , een nauwgezette inspanning ruimschoots beloond zal worden .
A , kalmte -- B , welgedaan -- C , nadenken -- D , Bezorgd -- E , vijandig -- F , verwondering -- G , schrik -- H , drift -- I , vrees -- J , blijheid -- K , smart -- L wantrouwen .
Bij het tekenen van een kop moeten wij in eerste plaats aandacht schenken aan de stand van de kop op de hals . De hals draagt er niet in geringe mate toe bij het hoofd zijn stijl en gratie te geven . De hals draagt het hoofd , geeft het zijn evenwicht en neemt meer of minder aan iedere beweging van het hoofd deel . Wij kunnen de hals het beste vergelijken met een cilinder ; bij de man breed en zwaar , bij de vrouw langer en slanker. Reeds bij de studie van de spieren van de hals hebben wij gewezen op de plooien , soms weinig zichtbaar , dan weer duidelijker waarneembaar , al naar gelang stand en beweging . Bij de vrouw , de jonge vrouw vooral , verzacht de vetlaag onder de huid dit relief , wanneer het tenminste niet gaat om een uitgesproken magere hals . Sommige vrouwen beschouwen een magere hals - en dit is vaak het gevolg van " mode - voorschriften " - als het ideale , doch vaak zijn de " koorden " , welke wij dan tussen hoofd en borst waarnemen , zeker niet fraai te noemen . Naarmate men ouder wordt valt de hals in en rimpel deze , waardoor de sterkere plastiek op een meer natuurlijke wijze gevormd wordt . In de halfschematische tekening van fig . 28 ziet je dat in vooraanzicht de plastiek van de hals wordt bepaald door de borstbeen - sleutelbeen - tepelspier . Voorts dient je ook fig . 29 goed te bestuderen vanwege zijn opmerkelijk relief . Van opzij gezien - en vooral bij de man - ziet men duidelijk het relief van de adamsappel . Wordt het hoofd achterover gebogen , dan komt het uitsteeksel nog duidelijker uit . Bij een kop in voorover gebogen stand zakt het schildvormig kraakbeen weg en ziet men de adamsappel bijna niet . Ook het verloop van de neklijn in zijaanzicht moet goed bestudeerd worden . Daar , waar de neklijn overgaat in de ruglijn zien wij een verhevenheid , welke veroorzaakt wordt door het uitsteeksel van de laatste ruggewervel . Wanneer je een kop schetst , zet dan de hals als een cilinder op . Dit is de beste grondvorm en je heeft op die manier voldoende houvast . Let vooral op , dat je het aanrakingsvlak met de romp duidelijk vaststelt , zoals dit in fig. 28 goed te zien is . Voor de verdere bewerking zult je moeten steunen op uw kennis van de halsspieren en het is daarom nuttig om de fig . 10 en 11 in gedachten te houden . Wees er echter van doordrongen dat de hals steeds in harmonie met de kop moet zijn . Een bolle kop op een slanke hals zou even vreemd staan als een langgerekt hoofd op een korte hals .
De gelaatsuitdrukking
Wij weten , dat wanneer de spieren welke direct onder de huid liggen , samengetrokken worden , dit van invloed is op de gelaatstrekken . Naarmate deze contracties meer of minder sterk zijn , onstaan de zeer vele uitdrukkingen in het gelaat . Natuurlijk draagt ook de blik van de ogen , de helderheid of beweging hiervan bij tot een bepaalde expressie , maar bovenal zijn het toch de oppervlakkige mimische spieren die de gelaatsuitdrukking bepalen . Vaak kan het een enkele spier zijn die dit bewerkstelligt . Hoewel de gehele houding kenmerkend kan zijn voor een bepaalde gemoedstoestand , is het toch wel in de eerste plaats de gelaatsuitdrukking die de ware emotie duidelijk maakt . Wanneer bepaalde samentrekkingen van de spieren zich vaak herhalen , bepaalt dit tenslotte de algemene uitdrukking van iemands gelaat . Dan spreken wij dus van een bepaald " type " - vrolijk of ernstig - blij of droevig - boosaardig of medelijdend - afgunstig of edelmoedig - nadenkend of dom - geveinsd of openhartig - omdat een bepaalde uitdrukking overheerst . Wanneer wij nu de verschillende uitdrukkingen in fig . 30 bezien , merken wij op dat het weergeven van een bepaalde expressie eigenlijk op zeer eenvoudige trekken berust . Maar nu gaat het erom , dat wij deze op de juiste plaats en met het juiste accent weergeven . Je zult waarschijnlijk zeggen dat wij hier dicht bij de karikatuur staan . Inderdaad is dat zo , want is niet de karikatuur de meest scherpe uitgebeelding van de expressie ? En dat in al zijn eenvoud . Ook wij moeten hier min of meer van uitgaan . Observeer uw model goed om te zien welke de belanrijke onderdelen zijn die het type bepalen . In verschillende schema's van fig . 30 zijn de ogen niet of nauwelijk aangegeven . Wij missen deze niet en toch voelen wij heel goed de uitdrukking . Het is ook interessant na te gaan hoe weinig er aan een bepaalde expressie veranderd behoeft te worden om een geheel andere uitdrukking te verkrijgen . Probeer nu eens voor uzelf , zonder deze schema's na te tekenen , bepaalde uitdrukkingen in gezichten die je dagelijks romdom U waarneemt , te tekenen . Doe dit dus op dezelfde eenvoudige wijze , zonder bijkomstige details .
Zie , hoe de gelaatsuitdrukking in de loop der jaren verandert . Op jeudige leeftijd zijn de trekken nog niet zo sterk als op middelbare leeftijd. Groeven en plooien karakteriseren de ouderdom .