Van horror gesproken


Zoals ik me heb voorgenomen, duik ik het museum M te Leuven in. Ik heb anderhalf uur de tijd, daarop kan ik wel wat zien.
Er is een familiewandeling uitgestippeld. Ik begin bij de start: die is keurig aangeduid op de vloer van de benedenverdieping. Het eerste beeld dat ik ziet is een Christusbeeld: handen gebonden met stevige koorden, doornenkroon op het hoofd, een gebogen houding. Heel mooi. Het tweede beeld waarmee ik geconfronteerd word is een schilderij: de marteling van Sint Quinten. De heilige is vastgebonden aan houten balken. Twee beulen drijven beitels in zijn schouders. Onder de teennagels zijn spijkers geduwd. Van schilderij naar schilderij zie ik marteling, wonden, agressie, bloed … en dit noemen ze een familiewandeling … moet hier geen leeftijdsgrens aangeduid worden?
Vroeger waren we gewend aan dergelijke schilderijen: elke keer dat we naar de kerk gingen (en dat was soms dagelijks) was kijken naar die schilderijen een attractie voor mij. Een soort stripverhaal. En dat gruwelijke aspect had wel iets. Nu leest men een horrorboek of kijkt naar een horrorfilm. Vroeger gingen we daarvoor naar de kerk. Vooral de pijlen van Sint Sebastiaan herinner ik me nog. Ik wist wel niet wat die heilige voor speciaals gedaan had, maar zijn marteldood was wel indrukwekkend. En pijlen, dat kenden we. We maakten zelf onze pijl en boog. Veel wild hebben we niet gevangen en de enige oorlog die we konden winnen was de oorvijg ontlopen als we iemand een blauwe plek hadden geschoten. De huidige generatie kinderen, ook degenen die onderwezen worden in de katholieke leer, krijgen die verhalen niet meer voorgeschoteld. Maar als je zonder voorkennis met deze horrorbeelden geconfronteerd wordt … komen die dan ’s nachts niet door die kinderhoofden spoken?
Ik kom bij de piëta’s … maar niet alle schilderijen die vroeger getoond werden zijn nu aanwezig. Dit is een bewuste keuze van het beleid: door regelmatig schilderijen van plaats te wisselen, vanuit een andere invalshoek de bezoeker aan te spreken, probeert men ‘beweging’ in het museumbezoek te krijgen.
Dit museumbezoek was mij vooral te doen om de piëtafiguren. Deze afbeelding is voor mij voldoende. Daarin ligt alles vervat waardoor ik tot het onderwerp van mijn eindwerk kwam. Ik zie de tekst al voor mij die ik samen met mijn eindwerk zal aanbieden.
Ik wandel verder door de gruwel van gekruisigde Christusfiguren, martelaren … maar ook stukken van retabels … en spoedig ben ik toch gegrepen door de schoonheid van die werken. Het is zoals luisteren naar een opera: soms weet je beter niet welke onzin er verteld wordt en geniet je alleen van de muziek
Bij de vaste collectie horen ook kunstenaars die dichter bij onze tijd aanleunen. Zo zijn er heel wat doeken en beelden van Constant Meunier. Van zaal tot zaal wandel ik … alleen. Nu, dan word ik ook niet afgeleid, hoewel een museum toch wel nood heeft aan medebezoekers om tot een echte museumbelevenis te komen. Alle tentoongestelde werken houden op een af andere manier verband met de stad Leuven. Toch ervaar ik geen provinciaalse benepenheid. Het mag voor mijn part op de internationale agenda geschreven worden.
Na deze vaste collectie kom ik bij de tijdelijke tentoonstellingen. Maar dan komt men me zeggen dat het museum gaat sluiten … jammer, ik zal moeten terugkomen om de rest te zien. Toch voel ik me voldaan. Ondanks dat ik de vaste collectie al verschillende keren gezien heb en me telkens geërgerd heb aan de bloederigheid van de kunst gemaakt onder kerkelijke auspiciën, zijn er weer zoveel indrukken die nablijven. Vooral het rood van die vroege kunst. Ik word er telkens door overdonderd.
De inzetfoto toont een schilderij van Hans Memling. Hij schilderde het in 1475. Dat werk hangt niet in Leuven, maar het feit dat de schutters zo nadrukkelijk aanwezig zijn maakt het beeld erg indringend: op zo’n wijze geëxecuteerd worden … en toch wou men dit ‘tonen’ aan de mensen. Waarom?













