Het huis waar ik opgroeide


We woonden in wat men noemde een rijtjeswoning. De breedte van het huis moet zowat 6m geweest zijn. Er was een ingangsdeur die je, twee treden omhoog, in een gang bracht. Kwam je met de fiets van straat was er aan de andere kant van het huis een deur(tje), die je via een smalle gang naar de omsloten binnenkoer bracht.
Als kind leek me dat allemaal reuzengroot, in werkelijkheid waren die huizen niet zo groot en met nog veel verspilde ruimte. Vooraan op het gelijkvloers waren er twee ineen lopende kamers met een driedubbele deur die de kamers scheidde. Alleen bij de plaatselijke kermis ging die deur open en werd er met tafels en stoelen gesleurd tot er plaats was voor de hele familie voor de maaltijd. Naast die kamers liep een gang. In mijn herinnering was het daar altijd ijzig koud. Die gang kwam uit op de deur van de dagdagelijkse woonruimte-keuken. Het was een soort bijgebouwtje. Hoe groot zou die kamer geweest zijn: 2,5 op 3? Er kon een tafel staan met bank en twee stoelen, een Leuvense kachel, in de hoek een pomp met blauwe gootsteen. Later kwam daar een klein bureautje bij, door een schrijnwerker gemaakt, waarop mijn oudste broer eerst en later wij, huiswerk moesten maken. Veel plaats was er niet. Vaak stond er dan nog een luiermand en een wieg (er kwamen nog drie broers na mij). We speelden veel buiten: dat was gezond, maar vooral daar was ruimte zat voor kinderen, hoewel die binnenkoer ook niet zo formidabel groot was: 3,5 op 6m? Ze was omheind door betonnen platen, zodat we goed beschermd werden voor nieuwsgierige blikken of erger van de buren: moeder was nogal aan de wantrouwige kant. Er stond een kersenboom en wanneer de kersen rijp waren haalde vader zijn lange blauwe ladder naar buiten, plantte die in de kersenboom en plukte kersen: een mand vol. We aten van die kersen tot we niet meer konden, en de kersen die aaneen gegroeid waren, de twee- en drielingen, hingen we als oorbellen rondom onze oren.
Er stond ook een blauwe regen. In de lente hingen prachtige bloemtrossen als een soort feestboog over het binnenkoertje. Voor mij was het teken van overvloed: het licht van de lente, de bloemen waaronder ik met de ‘trotinet’ (step) onderdoor kon. Er was tegen de omheining aan ook een kleine zandbank: een kind heeft niet veel nodig om nieuwe werelden te ontdekken.
Vooral herinner ik me hoe vader, tijdens de knikkertijd, een slang tekende. Bij dit knikkerspel moest je binnen de lijnen van de kronkelende slang je weg zoeken en, wanneer het jouw beurt was, probeerde je de tegenstander buiten de lijn te knikkeren en het eerst in het oog van de slang te geraken. Hoe dikwijls zou vader een dergelijk slang getekend hebben? Die periode van het knikkeren duurde niet zo lang, dan kwam weer een ander spel opzetten. Voor meisjes was het vooral touwtje springen en met de ballen kaatsen. Als ik een muur vond die hoog genoeg was, kon ik met vier ballen kaatsen. Meestal stelde ik me tevreden met drie ballen. Je gooide ze tegen de muur en ving ze op. Dan weer gooide je er één bal in de lucht en de andere tegen de muur. Je kon ook de ballen averechts tegen de muur gooien. Er was een spel waarbij je op tien verschillende manieren met de drie ballen moest kaatsen. Telkens verhoogde de moeilijkheid en het aantal op te vangen ballen zonder dat je een bal niet kon vangen, want dan moest je herbeginnen.
In de winter was het vaak binnen blijven. Dan verhuisden we naar de dubbele kamer en werd de deur die de kamer in tweeën deelde gesloten: zo moest maar één ruimte verwarmd worden. Ook de Leuvense kachel verhuisde mee. Daar was iets meer ruimte: er stond zelfs een zetel en de naaimachine van moeder. In de winter speelde we met de blokkendoos, of een meccano of tekenden we. Ik speelde zelden met de poppen: met vier broers in de buurt was dit maar een eenzame bedoening. Als ik alleen thuis was kreeg ik wel extra koekjes van moeder om koken-eten te spelen.
De trap in de gang leidde naar de slaapkamers. De kamer van mijn ouders was de grootste. Naast hun bed stond meestal een kinderbed. Naast de slaapkamer van mijn ouders waren twee piepkleine kamers. Er kon nauwelijks een groot bed (type twijfelaar van nu) staan. Later zou er door een verbouwing (deur aanbrengen en drie trapjes naar beneden) een kamer bijgemaakt worden boven de zomerkeuken.
We hadden geen glasgordijnen: vader had de ramen met olieverf heel mooi beschilderd. Overgordijnen waren er wel: die werden ’s avonds altijd heel zorgvuldig gesloten.
We zouden verhuizen toen ik twaalf werd: afscheid aan mijn kindertijd.











