Terug naar huis


En dan is het tijd om naar huis te gaan. We nemen afscheid nemen van de familie. Mijn oudste broer zal ons (een jongere broer en mij) naar het station brengen in Sint-Niklaas en dan rijdt hij verder naar Ronse.
In Sint-Niklaas hebben we geluk: de treinen die ons naar huis brengen staan klaar om hun reis aan te vatten. We nemen afscheid van elkaar en ik val terug op mezelf.
Ik zoek een wagon uit met weinig medereizigers, want eens alleen, merk ik dat ik erg moe ben, vooral emotioneel moe. Neen, geen zin meer om mijn boek verder te lezen. De indrukken van vandaag eisen mijn aandacht op. Ik voel me er goed bij en ook een beetje triest. Feitelijk nam ik afscheid van mijn kinderjaren. De tijd die ‘vroeger’ heet, bestaat niet meer. Ik zou nu niet meer willen thuis horen in ‘vroeger’: tot mijn twaalf jaar geen kraantje met lopend water, een zwak peertje als avondverlichting, een koude keuken in de winter en toch moest die vaat afgewassen worden. Natuurlijk zijn er ook de intense momenten van de zomer en het kersen eten tot het sap langs onze kin liep, de vroege herfst met het noten rapen bij de boer en de winters met velden vol ongerepte sneeuw.
Er zijn ook andere herinneringen … maar die laat ik voorlopig even terzijde. Ik wil afscheid nemen van mijn geboortedorp met een gevoel van warmte en dankbaarheid, omdat ik ooit ouders had die me het leven schonken, zodat ik dat allemaal kon meedragen met mij.
Op de foto het station. We woonden nog geen 500 m verder de straat in. Soms gingen we per trein op reis: een grote, zware stoomlocomotief, waarvan het koperwerk schitterde in de zon, trok de wagons naar hun bestemming. De wagons waren onderverdeeld in coupé's en elke coupé had een deur naar buiten. Binnen kon je op houten banken de reis uitzitten. Voor mij was de trein nemen als kind een verrukking: kon er nog een groter avontuur bestaan?






