Voor het gesloopt wordt


Ik krijg een mail van mijn neef, de zoon van de tante die tot een paar jaren voor haar dood in het grootouderlijke huis woonde, of ik zin had het huis nog eens te zien: over enkele dagen zou het gesloopt worden.
Natuurlijk wil ik daar nog eens teruggaan. Een grootouderlijk huis is een soort mythisch huis. Enerzijds is er de concrete materialiteit maar anderzijds ook de herinneringen, soms maar flarden, die ik probeer tot een verhaal samen te voegen en waardoor ik de familie langs vaderskant kan ontmoeten. Het gaat niet om ‘de waarheid’ van de familie, wel: hoe leeft die familie in mij verder, hoe maakt ze deel uit van mijn levensverhaal. Hoe kan ik mezelf beter begrijpen als ik terugkijk naar mijn voorgeschiedenis.
Het huis nog eens terugzien is een soort afscheid nemen van ‘vroeger’, zodat ik het ‘nu’ vrijer kan ontmoeten.
Ik neem de trein en daarna een bus. Het vraagt wel wat tijd … maar met de auto ben ik ook behoorlijk wat tijd onderweg. En neen, Karel gaat niet mee, want hij wil bij Toby blijven en verder werken aan zijn vertaling. Voor Karel is het zo moeilijk om ‘buitenshuis’ actief te zijn … en dat hebben we al geleerd: we laten elkaar de vrijheid om te doen wat hij/zij graag doet, op onze leeftijd ‘moet’ niets meer, het ‘mag’.
Dus vertrek ik naar Sint-Gillis-Waas. Met de trein spoor ik vanuit Haacht tot Sint-Niklaas: in een hoekje met een boekje ( ‘De vliegende keeper’ van Herman de Coninck als leesplezier, dat is iets dat ik om de zoveel jaren wel kan herlezen en het telkens heel boeiend vinden). In Sint-Niklaas neem ik de bus richting geboortedorp. Nu laat ik het boek in mijn tas zitten: de weg die de bus neemt fietste ik zo vaak heen en terug om naar school te gaan. Ondertussen is er zoveel veranderd. Vroeger toonde de weg een heel agrarische omgeving, nu zijn er veel woningen bijgekomen.
Dan rijdt de bus mijn geboortedorp binnen. Ik herken vele gebouwen, hoewel er ook wel nieuwbouw bijgekomen is. Mijn ouders woonden aan de ingang van het dorp: oorspronkelijk landbouwgebied, nu is alles zowat volgebouwd. Sinds ik uit het dorp weg ging, ben ik alleen nog in het centrum geweest voor een of andere begrafenis, d.w.z. verder dan de kerk kwam ik niet.
Ik kijk mijn ogen uit. Er staan zelfs verkeerslichten in het dorp: nooit kunnen denken dat dit ooit nodig zou zijn. De oude winkels zijn verdwenen en nieuwe, blitse winkels kwamen in de plaats. Vele oudere woningen zijn gerestaureerd. Tot de bus me aflevert op de plaats van afspraak met mijn neef.
Ik herken het gebouw dat het pleintje zijn naam gaf: de vroegere kliniek Sint-Helena. Vooral die speciale ramen op het gelijkvloers maken herinneringen wakker: inderdaad, zo zag het er uit. Aan de rechterkant was een kliniek, links was een ‘moederhuis’, nu spreken ze van kraamkliniek..
Mijn neef komt zowat op hetzelfde moment toe wanneer ik van de bus stap. Ik vertel van de huizen die ik herkende … en hij stelt voor om even eens rond te rijden in het dorp, zodat ik alles rustig kan opnemen.
Dat moet hij geen twee keer voorstellen.




