Rome 1996 - Schlaf im Stroh.

SLAPEN IN HET STRO BIJ DE BOER.
De langste van de Duitsers meet 2m02 en heeft, zoals een Chinees, een fijne zwarte haarvlecht van een halve meter lang. Hij toert door Zwitserland op een zeer grote veelkleurige fiets van goede kwaliteit, zittend op een Brooks met speciale vering. De hoogte van dat fietszadel moet dicht bij het wereldrecord zijn want die jonge kerel heeft ongelooflijk lange benen. Na ontbijt tussen de zwermen schoolkinderen vertrek ik samen met de wiskundigen, terwijl mijn buikje goed gevuld is met platte kaas en met muësli. Maar die mannen stoppen al vlug om te gaan telefoneren zodat ik weer alleen moet verder rijden. Twee uren later zal ik ingehaald worden door de andere compagnon van de vorige avond, die belastingsadviseur uit het zonnige dorp. Hij rijdt snel op een peperdure sportfiets met plat stuur van het merk Trek.
Ballenberg. Ik ben zo lekker aan het fietsen dat ik er niet meer aan denk van dat Bokrijk uit Zwitserland te bezichtigen. Dit zou een dag moeten worden van heel veel kilometers. Het panorama van Berner Oberland is wondermooi. Ik bereik weldra Brienz, de plaats waar de diligences stopten. De Grote Goethe arriveerde hier op een dag met zo’n vervoermiddel. In de sterk inspirerende omgeving schreef hij het gedicht dat hem onsterfelijk maakte :
‘ GESANG DER GEISTEN UBER DER WASSERN’
Op het einde van de humaniora in 1933 moesten de studenten in het College van Tienen dit gedicht leren. Mijn vader gebruikte er in 1940 een strofe van om te bewijzen aan een Duitse officier dat hij een Vlaming was, ondanks zijn Franstalige familienaam en zijn Franstalige legereenheid. Zo moest hij als jonge luitenant geen krijgsgevangene worden en kreeg hij van die Duitse officier een kostbare verlofbrief om naar huis te gaan.
Het weer is fris. Het water van het meer dampt. Terwijl ik op een onverhard pad de waterkant volg, voel ik echt het verschil tussen de wat lauwe watermassa links van mij en de koudere rotsen rechts van mij.
Eblingen. Oberried. Ich bin am blauwe Brienzersee wo die Welt noch in Ordnung ist. Ringgenberg. Interlaken. Nu arriveer ik in een rijke stad waar het toerisme reeds vroeg in bloei kwam, reeds in de negentiende eeuw. In de verte staan geweldige bergen, de Eiger (3940m) en de Jungfrau ( 4158 m). Wat een panorama ! Een Japanse tuin nodigt mij uit om te rusten en om in de ‘ Vijver van de Vriendschap’ de vissen waar te nemen. Er zwemmen mooie goudvissen rond en ik vermoed dat er zelfs echte koïs bij zijn. Die beestjes krijgen van mij de overschotten van brood uit mijn linnen musette alsook muësli die door een scheur in de verpakking mijn stuurtas vuil maakt. Interlaken is prachtig. Ik had aanvankelijk het plan om in deze stad een rustdag te houden die ik wilde besteden aan een flinke wandeltocht te voet in het hooggebergte waarheen een tandradlift en een kabelspoor mij kon brengen. Ik ben achter op mijn schema. Rome bereiken op het einde van september is mijn hoofddoel. In het schone en dure Interlaken tijd, geld en krachten spenderen is niet zo wijs. Bovendien zie ik dat er grijze wolken hangen boven de grootste bergen en dat toont dat het weder daar slecht is. Ik stel me dus tevreden met een rondje langs de promenade van Interlaken.Daarna volg ik de route langs de Thunersee, het volgende meer, want zoals de naam het zegt zijn we hier tussen twee meren, between the lakes , Interlaken. Romaanse kerkjes. Veel campings. Zwevende parapentes boven mijn hoofd brengen mooie beelden. Maar de zuurstofrijke omgeving spoort mij aan tot hardfietsen en ik tracht zo fel te rijden als die belastingsadviseur die me even voor de noen als een wervelwind was voorbij geflitst.
Het is zo dat ik door al dat schone en heerlijke van Interlaken reeds de hele dag ben vergeten dat ik een pelgrim ben. O, Zonde ! Aan de St-Beatushöhle stop ik amper. Ik had daar moeten in een vochtige grot kruipen, een heilig oord waar vroeger een kluizenaar had geleefd, om een kaarsje te branden en een munt te offeren. Ik krijg daarom een straf, een penitentie. Een steenworp verder dan de stopplaats van die Sint Beatus krijg ik een bandbreuk. Terwijl ik gemakkelijk herstel en daarmee bezig ben, rijden twee wielertoeristen in rode Goretex regenjas mij voorbij. Zij groeten vriendelijk. Zij rijden in dezelfde richting als ik. Wat later haal ik een van die twee in. Zij is een vrouw op een rode koersfiets, met een pothelm, met korte beentjes, die beter vordert dan ik op iedere helling. Maar de fietsende Eva heeft plots een inzinking. Ik bied me daarom aan om voor haar gangmaker te zijn. Dat loopt goed en wat later komt zij terug op mijn hoogte en wil wat praten, terwijl er toch veel auto’s op de weg zijn. Gezellig fietsen wij samen verder. Zij werd geboren te Brussel, zowat veertig jaren eerder, als vrucht van de vreugde der Bevrijding. Als kind nog emigreerde zij naar Canada. Met haar echtgenoot is zij nu voor één week op fietsvakantie in Zwitserland. Wij praten in een mengeling van Engels en Frans. Maar waar is ondertussen haar man ? Wij weten niet of hij voor of achter ons ligt. Die kerel stopt regelmatig om te fotograferen. Maar, te Thun staat hij langs de weg op ons te wachten. Van daar fietst het koppel verder naar het Noorden, terwijl ik naar het Zuiden moet. Ondertussen ben ik helemaal rond dat meer getoerd, terwijl ik logisch toch een overzetboot had moeten nemen. Maar het fietsen ging zo vlot en het was zo tof om samen met die dame te zijn.
15.00 u. Hoog tijd om weer iets te eten. Ik vind ergens een sandwich met hesp en een brik met een liter ice tea. Ik moet nu een omweg maken, maar wat later ben ik dan toch weer in de klim van de Riggisberg. Ik zweet omdat ik teveel kleding heb aangehouden. Daarom stop ik aan een autobushalte waar ik onder een afdak me helemaal uitkleed. Ik wrijf me met een handdoek goed droog en doe propere kledij aan. In deze rustige schuilplaats blijf ik nog even zitten en een dutje op een zitbank geeft me een beter gevoel.
Daarna moet ik verder, de sporen volgend van de Jacobspelgrims van weleer, en weldra bereik ik Abbegg Stiftung, een klooster waar een prachtig museum is met textiel en kledij. Maar voor een bezoek is het ondertussen al te laat. De nonnen sloten hun poort. Enkele mooie beklimmingen vermeerderen nog de kwaliteit van deze heerlijke dag op de fiets. In een verlaten bosgebied ontmoet ik plots langs de wegkant een winkeltje. Daar koop ik een tablet chocolade Lindt met nootjes en dit genereert nieuwe krachten zodat onze vaart verbetert. Aangekomen te Schwarzenburg hoop ik een ‘ zimmer frei’ te vinden , maar nog net voor de ingang van dat dorp ontdek ik een gele pijl waarop staat klaar geschreven ‘ Schlaf im Stroh’ . Ik meen te verstaan dat dit wijst naar verblijf op een boerderij. Ik volg verschillende van die pijlen en nu geraak ik ver weg van de hoofdweg en van Schwarzenburg. Op een veld zijn zes vrouwen en één man bezig met de patattenoogst. De aardappelen liggen er overal en in een vuur brandt het kruid op. Een boerin met gespierde armen, dikke billen en borsten, roept naar mij ‘ Stop, kom we hebben nog een sterke man nodig … ! ‘ Ik wuif breed armzwaaiend met mijn petje en op dat veld wordt er goed gelachen. Even later kom ik aan te Innersdorf, een gehucht met vier huizen en negen schuren, behorend tot de gemeente met de schone naam MAMISHAUS. Ik stop aan een recent gebouwde chalet waar mensen wonen die een groot erf bezitten. Het is er proper. Ik werd geboren op een Haspengouwse vierkantshoeve waar een enorme mesthoop was. Ik bel aan de deur. Een vrouw doet open, glimlacht en zegt dat ik zeer welkom ben.





















