Zwervend door de mooie oude stad kom ik aan een paleis waar een tentoonstelling loopt die gewijd is aan
Leonardo da Vinci. Deze 'uomo universale' werd me steeds als een belangrijk man voorgesteld. Hij was een geniale autodidact, schilder, architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige, beeldhouwer, schrijver, componist. Na een zeer gevuld leven stierf hij in 1519. Vermits ik reeds Clos Lucé had bezocht aan de Loire in Frankrijk, vind ik dat deze tentoonstelling bezoeken een must is tijdens mijn toeristische dag te Florence. Merkwaardige toestellen vervaardigd in hout, beeldschermen, tekeningen, tonen wat Leonado en zijn tijdsgenoten vermochten. Zeer interessant is het verkleind model van de Duomo met een begrijpbare uitleg in diverse talen waarom dit zo bekende bouwwerk een technisch wonder is. Hoed af voor Filippo Brunelleschi. Ik denk aan de architect die vijf eeuwen later moest zorgen dat mijn eigen huis er kwam. Na een uur in de zalen van die tententoonstelling krijg ik plots een inzinking. Naar buiten vlucht ik ,waar de betere lucht en een grote ijskreem me weldra terug opknappen. Ik kuier verder door de straten, kijkend naar het bonte volk, naar de winkels van Via della Vigna Nuova , naar het aanbod op de overdekte markt, naar een kunstwerk van
Giambologna, en soms aan de rand van de voetgangerszone zie ik zwermen scooters. Doodmoe ben ik wanneer ik weer dicht bij de Duomo kom en bij de bushalte waar terugkeer naar Fiesole mogelijk is. De stadsbus met het goede nummer 17 komt weldra aangereden en ik rep me om op te kunnen stappen met het tweede buskaartje dat ik 's morgens heb gekocht . We rijden langs kleurloze straten terug naar de voorstad.
Ik bereik terug mijn tent in de tuin van de jeugdherberg. Een rosse poes was er in geslaagd binnen te kruipen omdat ik een ritssluiting van de binnentent niet volledig dicht had getrokken. Zij kon de hele dag op mijn slaapzak liggen. Ik jaag deze squattende zwerfkat weg. Tijdens de volgend uren herstel ik vier binnenbanden met zeven rustines. Een grondig nazicht van velgen en nippels is ook mijn intense bezigheid. Ik vijl, schuur, poets, en plak beschermende tape helemaal rond beide wielen in de hoop dat mijn binnenbanden minder zullen lijden door wrijving en gewicht. Twee andere fietskampeerders houden mij al die tijd in het oog. Zij zien hoe onhandig ik wel bezig ben. Zelf rijdt het koppel op het allerkeurigste materiaal, alles van Agu, en zij menen de topklasse te zijn in het enge milieu van de camping . Met hun tweetjes hokken zij samen, eten uit kleine pannetjes, en begluren de andere kampeerders met een Mona Lisa glimlach. Natuurlijk Hollanders, maar om geen tijd te verliezen vertik ik het van een praatje te gaan maken in onze gemeenschappelijke taal, en zij kunnen aan niets van me zien dat ik een Vlaming ben. Ik heb al een plastieken Michelin bandafnemer kapot gewrongen en een metalen nietjesverwijderaar Bostick. Door die nieuwe tape is het moeilijker geworden binnen- en buitenbanden optimaal terug paraat te krijgen. Het daglicht is bijna verdwenen wanneer ik al mijn repareermateriaal terug mag opbergen in een van mijn Karrimors. Met schuimende zeep krijgen mijn handen daarna een noodzakelijke beurt. Ik stel vast dat mijn was nog niet droog is, doch ik hoop dat de lauwte en de lichte wind van die avond dit nog zal verbeteren. Honger alarmeert me. Ik verlaat de jeugdherberg van Fiesole via de lange laan tussen de hoge bomen. Wat later stap ik het restaurant binnen waar ik de vorige avond met Tracy & co rode wijn was gaan drinken. Er zijn op deze vrijdagavond veel luidruchtige Florentijnen aan tafel. De wijn is er goed en de naam van het eethuis klinkt ook goed ' Le Clochard' . Aan een tafeltje kom ik tot bezinning, geholpen door chianti, rijst met spinazie, vleesschotel van de chef, insalata, ... wat een dag ! Ik denk aan mijn overleden vader, de ironman die tegen hoog toeristisch tempo drie weken zo kon leven om daarna terug op zijn kantoor terug te verschijnen als een vermagerde kater. Ik besef dat mijn leven waarschijnlijk nog zelden op dit niveau zal kunnen doordraven. De smaak van het oude Florence drong diep in me binnen .
Florentins 'créateurs de beauté ', mannen en vrouwen, mensen van Firenze, elegant, levendig, beschaafd, matbruin van huidskleur, spontaan van gebaar, goed en smaakvol gekleed, met een fiere glans in de ogen, bewaarders van een groot verleden, een mooi volk, ik heb ze vandaag gezien. Maar ik zag nog niet alles, proefde nog maar een snuifje. Ik kwam tot net zo ver een pelgrim mag komen, een pelgrim die verder moet. De rijkdom van Florence is nog oneindig groot. Er is nog leven en toekomst. Het is voorzeker niet zoals Venetië, dat op de aangekondigde dood wacht, en waar het water van de kanalen zwaar en niet zo fris meer is. Maar ook te Florence was het aardse leven nooit een hemel, want rivaliteit, misdaad, hebzucht, uitingen van haat, hadden er bestaan. Maar dat alles werd uitgeveegd en vergeten. Alleen de schoonheid van de kunstwerken is gebleven om de kijker en de voorbijganger een goed gevoel te bezorgen.
De chianti zit goed in mijn kop en mijn geldbeurs is 53.000 lires lichter wanneer ik
Le Clochard verlaat. Verdorie, wat doen mijn voeten pijn en wat zijn mijn benen zwaar, want na zoveel fietswerk hebben zij voetwerk verleerd. Zwijmelend strompel ik door de Florentijnse nacht tot aan mijn Alpino. Ik ben op en ik kleed me zelfs niet uit. Plof ... ik laat me op het dons van mijn slaapzak vallen. Maar wanneer ik ook mijn hoofd neer leg, springt er op de hoogte van mijn nek iets weg dat luid en kwaad ... miaaaaouu ... krijst. Het is weer die rosse kat. Ook tijdens deze nacht wil zij in mijn huisje slapen. Stoute kat, ga naar buiten bij de katers, of ga veldmuizen vangen in de tuinen van Fiesole, maar dit is mijn nest en niet dat van een rosharige vierpootster. Misschien was jij in je lieve vorig leven een courtisane van plezier die eens het bed mocht delen met Lorenzo El Magnifico, maar vannacht in je gereïncarneerde toestand mag je dat niet met mij. Ik smijt die smerige poes harteloos buiten. In vino veritas. In "Le Clochard" komt geen goedkope Fitou op tafel, maar wel echte Chianti. Weinige hartkloppingen later is het voor mij reeds ... ron,ron,ron, ... snurk, snurk, snurf, ... maf, maf, maf.
Maar die kat komt weer, die volgende komt die kat steeds weer. Na haar nachtelijk buitenleven, amper enkele uren later is de Florentijnse katin er terug. Zij wil stiekem een plaatsje veroveren onder mijn tentzeil. Dat gaat niet want alles is nu potdicht, alle ritssluitingen zijn 100% toe, en mijn bagage blokkeert alle mogelijke ingangen. De muizeneetster kan niet binnen en wordt woedend. Met razernij springt zij aggresief enige keren pardoes op mijn tent. Dan hoor ik niets meer. Maar wat later hoor ik een geschuifel in de nacht. Ik kruip uit mijn binnentent met mijn lamp en ik kan de kop van die rosse kat zien aan de kant van de wielen van mijn fiets. Zij vond toch ergens de mogelijkheid om met kop en twee poten binnen te geraken terwijl haar lijf, staart en achterpoten nog aan de buitenkant zijn. Ik geef haar een stamp, kruip uit mijn tent, en loop haar achterna met zeer dieronvriendelijke bedoelingen. Eindelijk geeft de rosse poes het op en ergens anders zal zij gaan slapen. Een geluk dat ik nu wakker ben, want zo kan ik mijn was van de draad plukken. Het is immers zo dat er eerst wat druppeltjes vallen op dat moment van de nacht, die een vijftal minuten later worden gevolgd door hevige regens. Zoals de vorige nachten gaan de hemelsluizen open over Toscane. Alle schone tuinen , waar de appelsienen, olijven, druiven, vijgen, bloemen en planten groeien, zijn weldra kletsnat en dat is ook zo met de kat. Misschien kneep ik haar wat te ruw in het donker. Het werd toch dank zij haar dat ik de droogheid van mijn was kon bewaren. Zou zij misschien een in de tuinen van Fiesole verblijvend spook zijn uit dat erotisch Decamerone boek van Boccacio, veroordeeld en verdoemd door een paus uit vroegere tijden. Zij wilde gewoon met mij onder éénzelfde dak, in dezelfde slaapstee en zij was reeds huiselijk zorgend voor mijn was. Maar, ja, ik begrijp te weinig van vrouwen. Ik ben een enkeling, een pelgrim, een monnik bijna. Onder welke vorm zij ook voor me verschijnen, in het werkelijke, in droge of in natte dromen, in reïncarnatievorm, vermomd als kat of als slang, ik gedraag me steeds te lomp, te hardhandig; te bedeesd of met te weinig romantiek. Maar ik troost me, want zelfs een groot genie als Leonardo da Vinci, die soms zelfs geciteerd wordt als één van de uitvinders van de fiets, de homo universalis, begreep vrouwen niet.
Uren later. De geluiden van de ochtend maken mij wakker. Zoals vorige dag heerst er weer paniek op de camping. Als geredde drenkelingen na een zondvloed proberen de natte kampeerders hun materiaal te recuperen. Eigenlijk had ik er de beste en de hoogste plaats. Mijn tent stond onder de dichte takken van enkele bomen. Weinig regen kon mij treffen. Het regent nog altijd een beetje. In het hoofdgebouw, een reusachtige villa, neem ik mijn identiteitskaart terug in ontvangst na betaling van 30.000 lires voor twee campingnachten. Een ticket van 2.500 lires biedt me een licht ontbijt in de eetzaal. Daarna wandel ik terug naar de camping. Op het voetpad vind ik een mooi tweekleurig geldstuk van 500 lires. Zo'n vondst betekent dat de nieuwe dag me geluk zal brengen. Ik inspecteer nu de tent die ik vorige dag kreeg van de blonde Amerikaan en zijn lief. Het is maar goedkope kwaliteit. Ik gooi de natte grondmatjes weg en ook mijn grote plastiek die me al dienst had bewezen gaat de vuilbak in. Ik kreeg wel een goede 'toile ciré ' en die wil ik gebruiken in de toekomst. Omdat de tent met stokken, haringen, koorden, compact in een sporttas steekt, zal ik die meenemen. Dat betekent dat na wegwerpen en verlies van het een en het ander, ik nu terug een fiets heb die even zwaar is geladen als één maand geleden in de begindagen van mijn tocht. Tussen twee regenwolken in verlaat ik de tuinen van Fiesole, maar amper tien minuutjes later moet ik fietsen in een wolkbreuk tussen de auto's op de ringlanen van Firenze. Is al dit water hemels uit de blauwe lucht van Toscane, of is dit water hels uit het inferno van Dante ?
Het spat, drupt, giet, op de boulevards, op de daken, in de straten, en het verdwijnt in de riolen om wat later de Arno te doen opzwellen en te keer gaan als een schrikaanjagend monster. Zo kort na de start, en pfff ... weer een platte band. Tiende bandbreuk. Ik vlucht weg uit de natte miserie en vind een droge plaats aan de ingang van de lege kantoren van Touring Club Italia, waar geen ambtenaar op zaterdag werkt. Even bid ik en hoop ik dat tussen de stedelingen met paraplu plots als een barmhartige Samaritaan daar de Heilige
Gino Bartali zal stoppen om mijn fietsband te herstellen. Maar de Florentijnse wielergod zit lekker op droge pantoffels de Gazzeta dello Sport aan het lezen, kuchend en gorgelend met San Pellegrino water, reeds zijn elfde sigaret van de dag rokend. De oorzaak van mijn zoveelste bandbreuk doet mijn weinige maar natte haren rechtstaan. Tussen binnen en buitenband was gisteravond een afgeknakt stukje metaal terechtgekomen van mijn eigen Bostick werktuigje. Dat scherpe vuil doorboorde mijn gerepareerde binnenband zonder moeite. Hoe dom van mij ! Een binnenband moet steeds goed proper gehouden worden. Ik zit daar met natte benen en natte broek op een stenen trap. Ellende en miserie ! Mijn band is spoedig terug vol goede Florentijnse lucht. Ik schuil me tot na de regenbui. Om de tijd nuttig door te brengen kuis ik mijn stuurtas eens uit en zet er orde in. Papier, etensrestjes, plastieken zakken, dat verdomde Bostick ijzertje en een onpropere keukenhanddoek, gooi ik in de vuilbak van Touring Club Italia.
De stadskern van Florence - of van Firenze voor wie dit liever leest - is omgeven door een brede moderne agglomeratie waar de auto meester is. Gedurende 15 km moet ik rijden door een krans van commercie en industrie. Nattigheid. Gevaar. Getoeter. Verkeerslichten. Wegwijzers. Ik zoek de richting van Prato. Ik vind de richting van Prato, maar in de fietsonvriendelijke verkeersdrukte ben ik die richting al weer vlug kwijt. Ik zie dan dat ik op weg naar Pistoia ben en dat is ook een goede richting. Weldra fiets ik met een goed tempo op de S66 , maar omdat werken en omleidingen me het moeilijk maken deze stad te benaderen, en ook omdat mijn benen goed de pedalen rond krijgen laat ik Firenze hoe langer hoe mee achter me. Weldra nader ik Montecatini Terme.

