ik trek vandaag eens niet de stoute schoenen aan vervolg mijn weg op sandalen met geitenwollen sokken ga ik eens heerlijk langs de bekende kant staan
ik zie dappere mensen onderweg naar het succes van morgen dames in vroege winkelzucht kinderen met volle tassen zonder zorgen en ik, ik sta te gapen dat geeft nog eens lucht
een horde senioren zijn verzameld rond het heilig hart een dag in het vooruitzicht met sterke verhalen luidruchtig als jonge koeien op de komende veertig kilometer recreatief fietsen gericht
onder weg koffie met appeltaart even weg van thuis bevrijde grijze duiven die stiekem een neutje vatten ons mam zien ze al lang niet meer wuiven die jogged in de keuken op die vermaledijde harde matten
waarachtig de zon komt door wat een rijkdom in ons dorp steeds meer volk trekt voorbij mijn hond doet zijn tweede worp hij is net als ik met weinig blij
heerlijk mijn nieuwe sandalen de techniek heeft toegeslagen klitterband houdt alles bij elkaar mijn voeten voelen in deze schoenen de ruimte van vandaag niets hoeft helemaal klaar
een ochtendstonde waarin je iedereen wel zou willen zoenen helaas ben ik aan mijn trage opstart gebonden
de handen reiken niet verder dan het kloppen van mijn hart de armen nog verder strekken verlicht ook niet beklemmende smart; ooit kon fluisteren warmte opwekken
je aangezicht verstart verwachting vordert verwarring, denken raakt overdadig gehard en wordt hoop een aftreksel van bedeling
terwijl de lente toch blauw de aarde bedekt vogels ons liefdevol begroeten en een kinderlach zo vaak de pijn toedekt
hoe kan ik jouw gestolde tranen morgen in de zon ontmoeten
wat is toekomst als de avond al valt kan ik morgen nog zien als voorstelbaar zoals ik in mijn jeugd naar dat wat komt nog als onbevangen en eeuwigheid ervaar
mijn vel rimpelt, verdroogt doch de ogen zien de schoonheid almaar meer gedragen door wortels van ervarend verjaren
die het heden maar ook verleden; mijn levensweg steeds beter doen verklaren
minder gebonden of misleid door dromerig verlangen verlost van de drang die de voortplanting berijdt
de waarde ligt steeds meer in het gezicht van het einde dwingt zelfs het huidig ademen als werkelijkheid te zien
ben zo meer op diepte, en echtheid gericht zelfs als ik de sterfelijkheid in toenemende mate met liefde bedien
stormen jagen water op tot onstuitbare krachten tegelijk en niet alleen in herhalende nachten komen dromen de ziel bestuiven
vol met opspelende wenken snellen mijn cellen voorbij zonder te groeten, te wuiven of aandacht aan mijn ego te schenken
alsof ze samenspannen om dwaze geesten uit te bannen en slechts doelgericht naar onbevangenheid wenken
scheuten schieten door mijn lijf als ik mijn dorre droogte zie hoe is het zover gekomen, door wie of wat gaan bevroren weerstanden plots weer vol met maagdelijke warmte denken
opdat nu al een te vroege lente schreeuwt terwijl mijn winter toch geeuwt?
roept er dan een muze of zuigt een bevrijdende leegte, zo maagdelijk uitgespreid, waarin oplichtende beelden vibreren
in volheid van leegte vormt een opgerekte schaduw smalle strakke strepen over zand, in uiteinden verbonden, wijzend naar een verhoogd terras daar, verder, onder azuur waar zicht in ongrijpbaarheid landt
een transparant glas, verguld met aangeslagen licht, reikt over eigen lengte heen opweg naar een bindend slot echter door de zonnestand van heden lijken karaf en liggende loper in de ruimte samen alleen
alwaar een desolate sfeer over stilte schreeuwt bedekt de strakke blauwe kroon een einderloos korrelig tapijt dat onverstoorbare hitte geeuwt en bijgevolg alles nog in heelheid vrijt
grijs getinte heuvels tekenen zich af op de ramen van mijn doorzonkamer ook al is de zomer reeds lang op zijn retour en de dag allengs meer bekort is het stof nog kraakhelder zichtbaar op mijn vinylen vloer en dressoir
de hoge zetels hebben, door het oktoberlicht beschenen, nog niets aan waardigheid verloren het gobelin bloeit als nooit te voren
alhoewel de zitting tot het verleden behoort kan deze weelde mij nog zo bekoren en ik, overeenkomstig mijn aard, in stilte van achter mijn vertrouwde begonia’s naar een buiten vol klinkers staar
Naarmate de tijd voortschrijdt En ik nog vaker de ochtenden tel Dan wel dagen overwin op het licht Doorzie ik de beslagen schoonheid Van ieder elegant vrouwelijk wicht
Ook al ziet men mij als oud vel Dat steeds dichter de aarde nadert Dan denk ik heimelijk doch opgelucht Wacht maar totdat de roest ook jullie betast En uw spannend vlees opzichtelijk adert
Men mag de bloemen echter niet Te vroeg laten verleppen Het moet gezegd U ruikt nog immer naar meer; Opwindend zijn derhalve uw stappen
Helaas kom ik adem te kort Om de vreugd van de jeugd Nog onbescheiden te behappen
Die wordt immers steeds meer In vergeten dromen gelegd
Morgen zie ik engelen In het oosterhout Zij worden op doeken gedragen Herken ik dan de eenvoud Van enkel zwijgende vrouwen Uit mijn verbeeldende lagen Zij omarmen mij zonder te raken Verwarmen met open ogen In licht waarvan de dichter Woorden wil maken
Zij spreekt Oorspronkelijk In galmen van gewelven Ik luister en droom Overbrug haar adem Naar mijn hart Om kleuren en klanken Uit mijn Hemel te delven
ik verpoos nimmer meer in een diepe gedachte dat gaat allengs aan mij voorbij een vierend touw slingert thans met eeuwige bewegende beelden
of draagt een haast uitgerekte veer mij nu doorheen het verleden, de mij toegevallen wonden en weelde, doorzakkend naar een verlengde diepte en traag terug langs gestapelde ramen van verlangens en tranen van weleer
zo vergaat de dag in fasen van even zijn en vertekende dromen waarbij niet is gezegd dat de dood zich hardhandig nu al naar mij uitstrekt
wellicht is het meer ontbinden waarin werkelijkheid wordt opgewekt en vrijheid vanaf heden alles vanzelf laat komen
het is vragen verstaan zonder de weg te moeten duiden het ademen losjes laten gaan langs onverharde paden
en ik geen behoefte meer heb om antwoorden in te luiden soms enkel nog om de geest van ballast te ontladen
ik verpoos nimmer meer in diepe gedachten weet enkel dat de nacht mij ooit zal boeien
of de morgen nog komt is slechts hoop in mijn aards verwachten
ook al oogt de lucht zomers blauw en het late groen nog steeds tot verbeelding spreekt vult mijn adem de geest al met belegen dauw; ik word deels van de hemel losgeweekt
de voeten dragen schaduw zwaar als het gras in zijn lengte gaat berusten ook de ochtend die steeds meer verlaat verkort mede het licht op gangbare lusten
neen, het zijn niet de jaren die mij nog steeds worden gegund maar wederkerende gebaren van vervagende seizoenen die het ongevraagd maar wel van nature op mijn vliedende tijd hebben gemunt
ik loop mee met jou en de tijd samen in een pas die ongelijkmatig oogt maar ons zeker leidt zo het diepste dat beoogt
onderweg naar daar waar ‘samen’ ons roept met wuivende hand, haast onzichtbaar ver, waar wellicht geluk ruimhartig teder baadt langs een paradijselijk strand
voel de loop van mijn rimpels van links naar rechts andersom soms ook wel gekruist
ik zie die van jou, rivieren van voortschrijdend gaan, ze schilderen bewogen, eigenlijk als van zelve, het verlangen dat in ieder huist
ga met me mee naar de bloesem van tastbaar bestaan
ik ben de dag zo moedig moe als de nacht zwerft door mijn bloed en ledematen zijn verzuurd die door zwaartekracht worden beboet; heeft deze enkele reis te lang geduurd komt mij nu enkel nog rusten toe
ach nee, de woestijn kent soms overdaad gesponnen over jaren heen verdronken soms in oude glorie ook al zijn ze voor de ander van steen mijn gevoel is nog kort van memorie; het zichtbaar verleden bewaren is in mijn hedendaags ademen nog steeds een maat
ik sta nu op de zevende trede hijg voor de achterkant van de waarheid uit het is mijn levensbede; wat komt toont zich zacht soms schreeuwend luid
de trap kent nog vele hemelse passen maar nu ben ik even de dag zo moedig moe
zie ik liefde in je ogen als tranen beter weten voel ik warmte indien schaduw rimpels kleurt voel ik je diepe bestaan wanneer woorden worden gemeten en vertrouwen flinterdun geurt
ben ik doof als jij je adem tot me richt hoor ik dan een echo die ik mezelf in ongeschreven geluiden alsmaar toedicht
ik hou van schoonheid die verwondering vertaalt in sprakeloze zinnen en draag het zachte wil het onzichtbare beminnen
zo ervaar ik mijn weg langs kronkelige lanen waar volmaakte bomen naargelang hun aangeboren dracht zichzelf in eigenheid beamen ook al beschutten zij soms mijn aardse dromen
het huis is een vluchtheuvel waar zelfs gewenning loert het hoofd vol maar vullen niet de lege kamers van boven en hoger
niet omdat de vorige een schaduw achterliet mijn wortels mogen hier niet aarden worden nog eens naar elders vervoerd ach, draag ik ze niet al jaren hebben ze ooit vaste grond gekend
zo dichter bij het eind probeer ik het opnieuw of blijft het toch enkel aanvaarden
het ontgaat mij immer minder dat de horizon vertraagt en het land van morgen verse bloemen draagt
maar ook van de tafel waaraan ik eet telkens een stoel wordt verborgen
het is een berg beklimmen die weliswaar het uitzicht vergroot maar waar ik aan de top, geheel alleen, mijn laatste liefde ontmoet; ik noem haar de dood
hoe het ademen zich, ten einde, mistig laat dimmen is voor velen haast onbekend
aan een nieuwe lente is men gewend; de winter lijkt een voorbijgaand gerucht
toch is hieraan niets vreemd het is de weg van een regenboog die ons in zijn kromme gedaante het aardse leven voorspiegelt in de lucht
en de wind zegt mij ga over dit pad luister hoe het veld zingt voel de boom en zie, ze wuift met een blad zelfs gestorven hout, ginds, kent de mooiste droom
ook als gij de vlonders betreedt die in kunstige lijnen u boven de aarde heffen zullen waterspiegelende bochten die weet hebben van komen en gaan u in het ommetje weer treffen.
het is riet dat de stilte leidt naar oprechte verwondering die om geen enkel antwoord vraagt en waar de kleurrijke ijsvogel zijn opgeviste prooi naar hoger oever draagt
blijf maar thuis fluistert de wind in mijn beide oren vandaag kom ik niet meer langs denk maar aan mensen die je toe behoren
ze vertellen over het weer en meer regen, kwellen
of de zon en maan die iets over liefde vertellen het eelt op hun ziel de kinderen die bellen
mij zal je niet horen vandaag ik word elders verwacht op velden van eer daar wordt stilte door mij gevuld het steunt de wandelaar als ik zijn ontzielde herinnering verzacht en hij even geen woorden duldt
zie ook wel dat deuren overal, ondanks diverse tinten, zo grijs blijven kleuren of dat het voorhang de afwezigheid bewaakt
en dubbel glas als het toneel wel zichtbaar is de wereld geluidloos buitensluit
bij het ontbreken van de dragende takken is het de natte snuit van een kleine viervoeter die blij mijn milde lippen raakt en pindakaas ruikt
ze tilden zichzelf uit bed met gestrekte benen iedere morgen weer werd gezocht naar ogen zonder spijlen
wind rook naar de kamer en een enkel wisseldeken
nog immer waait hij over nachten en jaren heen met schimmen, zo dichtbij als gister aldoor slijpen zij dromen in halfzijdigen wrijven tussen hart en steen
eens als de adem zich vernedert zal wellicht bevrijding komen
de kinderen, soms niet meer dan een wimper van waarheid van een oorlog die donker blijft in een waterloze kast vervloekt tot angst en felle strijd
geklemd tussen het klapwieken en een pijn als ijzeren bast
langzaam ontwaakt de lentelucht in mij voelt nog wel als naakt en soms kil
af en toe zeg maar bij vlagen weet ik weer ja, dat is het wat ik wil
de geur van natte bladeren of vers gemaaid gras parfum naturel zo als het in wezen bedoeld was
en kleuren zien rijpen van groen naar wonderlijke tinten groots en onnavolgbaar eigen -terwijl huid en haar immer meer vertoeven in het aangeboren najaar-
maar ook het moet gezegd groeit een verlangen dat morgen heet en in handen van een zwoele zomeravond wordt gelegd
ik ben er nog niet zegt de man prevelend met verweerde lippen zoveel al achtergelaten menig spiegel moeten vervangen de weg die ik bewandel kent vele hobbels en gaten ook luchtkastelen vol verlangen en kinderogen die nog steeds vrijelijk tegen me praten
waar ben ik toch naar op zoek de jaren hebben mij toch alles verteld talloze malen is mijn huid vervangen de haren van blond, grijs naar kaal mijn geschiedenis talloze malen bijgesteld seizoenen zijn verworden tot gelijkmatig vaal ook mijn ruggengraat is eerbiedwaardig vol geloof naar de aarde overgeheld
samen lopen we hand in hand over het aangeharkte pad rondom de volière in de tuin kijken naar fladderende kleuren en luisteren naar onverstaanbaar gefluit we gaan zitten en zwijgen de stilte delen de omvangrijke eenvoud gemengd met welriekende geuren
de oude Eusebius met haar imposante pilasters midden in de stad aan de IJssel van de eeuwenoude koek
heeft geen weet dat een Bourgondiër op koorhoogte net om de hoek
in een middeleeuws gewelf zich vergrijpt aan de borsten van de Dame Blanche
uitdagend gekleed met warme chocolade: hij gaf haar geen enkele kans
tegenover hem weet hij zich een Utrechtse grachtengordel naast de blonde met de dunne el
de rest van het bont gezelschap luidruchtig soms van aard zal ik verder voor u inkleuren: het tableau van het après poëtenspel
de vertrokken koopman uit mijn geliefde Mokum de pianoman met de hoed dames van allerlei pluimage zelfs uit Den Haag al dan niet lyrisch door Spa plat geraakt
zij werden door de kok met spaghetti en gebakken piepers met marginale vitaminen inwendig vermaakt
Dickens zou zich hier in herkennen dat in grote mensen tijdens zinnige en onduidelijke momenten nog een kinderhart schuilt
de betrokken mist ontsnapt aan het grijs van mijn brein hangt nu in nevel boven de oude schuren van de buurt het vermoedt een grauw landschap in de country nabij Sussax en sleept mijn herinneringen door de asgrauwe wereld van amper dertig minuten opgewarmd met een eerste Senseo regulair hij wil niet mijn jochie snuffelt wel maar verlaat zich op onzichtbare reuk van lotgenoten hij haat de ochtend