Wellustelingen....
episode...
32... |
Hij was een boom van een vent, die pastoor. In feite een dorre boom die zichzelf overleefde en het duidelijk een loodzware last vond. Hij leek vergroeid met het dorp. Een jaar of zestig schatte ik hem. Nooit naar zijn leeftijd of achtergronden gevraagd. Interesseerde mij geen bal. xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Vroeger, zo werd verteld, was zijn kerkje tijdens de zondagsmissen goed gevuld geweest. Dan konden hij en Bernard, de onderpastoor die hij deelde met de parochies uit naburige dorpen, hun salaris tegenover de gemeenschap verantwoorden. Doch met het uitvlakken van de geloofstrouw en de steeds uitdeinende kerkontvolking, verdween eerst Bernard en verloor -vreemd genoeg- pastoor Serge de belangstelling voor zijn afvallige parochianen, om zich meer en meer toe te spitsen op een handvol koppig verslaafden aan het kruisbeeld.
Tot hen behoorde uiteraard Gerda. In mijn ogen vormden ze een nieuwsoortige sekte. De sekte van de theomanisten.
Ze vergaderden een drietal avonden per week in de kerk. Er werd verteld dat ze zich daar opsloten, in een nauwe kring bij het altaar zaten, met alleen het flauwflikkerend licht van een enkele hoge kaars op hun van aanbidding gespannen witgrijze gezichten.
Gerda slofte, als een oude vrijster, iedere ochtend naar de kerk. Ze woonde trouw elke vroegmis bij. Maar als tempel had de kerk voor haar toch een beetje afgedaan. De kerk leek meer bij- dan noodzaak.
De spirituele symbolieken met al de nieuwe, vreemdsoortige rituelen en eigen gezangen, die Serge van een kort verblijf in Salt Lake City had meegebracht, overtuigden de theomanisten méér dan het gewone bijwonen van een mis of het samen voorlezen uit de bijbel.
Pastoor Serge, die zichzelf rechtstreeks afgezant van de Heer was gaan noemen - in feite nog tamelijk braafjes vergeleken bij zestig ministers in Kongo, die ambassadeur de Jésus-Christ op hun visitekaartje vermeldden- oefende fysiek en psychisch een hypnotiserende invloed uit op Gerda en die enkele andere oudere vrouwen.
Twee van haar clubgenoten hingen elke zaterdag, bij het piepen van de dag, rond in de stationsbuurten van Brussel. Daklozen opsporen, verworpenen, het gruis van de aarde, die tussen hun vodden, plasticzakken en kartonnen dozen lagen te vegeteren. Ja, ze werden gevoed, de sukkels. Geestelijk voedsel toegediend door twee begijnen: het noodzakelijk heil van hun Heer doorspoelen met een slokje leidingwater, gewijd door Serge.
Hoe de vork met Gerdas sekte juist aan de steel zat, heb ik nooit willen weten. Ik vermoed alleen dat Serge sluw genoeg was (en dat was hij zeker) om er vooral eigen belang aan vast te knopen.
Doorgewinterde kerkcommercant als hij was en gelet op de explosie van de rijkmakende geloofsbedrijvigheid in de States, was het hem vóór alles om de poen te doen. Dat zijn theomanisten hem niet in de steek zouden laten, wist hij zeer goed. Die brave besjes waren door hem zorgvuldig geselecterd: goedgelovig en goed bij kas.
Twee ongehuwde zussen (hun vader was destijds gekend als welgestelde veeboer dus grootgrondbezitter), de weduwe van de notaris, een drietal dametjes, dat Serge graag en vaak met zijn wagen naar Nederland en Luxemburg voerde. Buurvrouw Adrienne, manusje voor alle kerk- en pastorijwerk. En Gerda niet te vergeten. Gerda, die na het overlijden van haar moeder, laatstlevende ouder, meteen het huis had verkocht en de elf miljoen oude Belgische franken zéér voordelig bij Francis had belegd
Ze deed met haar geld wat ze wou, maar ik was bijna zeker van dat zij een deel van haar halfjaarlijkse intresten (en tegen 7.25% was dat in die tijd beslist niet te onderschatten aan Serges werken spendeeerde.Wat zou die zich dan bekommeren om vijftig of honderd parochianen meer of minder in zijn missen! Hij boerde op zijn eentje stukken beter met zijn dames van Maria en Inri. Die zaten op bankrozen stuk voor stuk.
|