Art . Nr . 46 . a ,
Volumes
In verband met de studie , als ook met de schets en tekening , lijkt het ons gewenst om hier te herinneren naar welke logische volgorde je te werk moet gaan bij de complete weergeve van een onderwerp , van welke aard dit ook zijn moge .
Je zult uw aandacht achtereenvolgens gaan richten op :
De volumes (m.a.w. de verhoudingen )
De vormen
De toonwaarden
En tenslotte de kleur .
Wat verstaat men nu onder volume ? Dit aan te tonen is eenvoudig en om het te bevatten behoeft je slechts de figuurtjes te bekijken , waarin wij verscheidene tekeningen hebben herhaald met een aanduiding van de onderdelen . De dikke lijn begrenst de verschillende secondaire volumes die te vinden zijn in ieder van de totale volumes van de dieren en dus de algemene vorm van het onderwerp . De moeilijkheid schuilt in de noodzaak om die volumes goed in verhouding tot elkander te brengen en dat wel van modellen die meestal hun verschijning aanzienlijk wijzigen in een kort tijdsbestek . Later zllen wij nog eens op die bewegelijkheid van het onderwerp terugkomen .
Dezelde proportiefouten vindt men vaak terug in het werk van beginners . Een er van is het tekenen van een te grote kop of , anderzijds , te kleine kop , met name in de uitbeelding van vogels . De kop kan ons uiteraad nogal in verwarring brengen omdat hij , geplaatst aan het einde van een meer of minder lange hals en onderhevig aan plotselinge verdraaiingen , zich moeilijker toont om te beoordelen door vergelijking . Anderzijds zal de kop van sommige vogels , als gevolg van bepaalde bijzonderheden , soms sterk van kleur , zoals de kam en de lellen van een haan , voor het oog een overwegend belang gaan verkrijgen , dat hij in werkelijkheid niet heeft , althans niet wat zijn volume betreft . In gedachte moet je dan zo'n fraaie opschik weglaten , want het zijn slechts toegevoegde onderdeeltjes en je zult dan de ware verhoudingen beter gaan aanvoelen . De afzonderlijke ligging van een kop door de lengte van de hals kan ook hinderlijk zijn bij de beoordeling van de verhoudingen bij sommige zoogdieren , vooral de geit , het kameel en de giraffe .
Een uitstekend middel om teleurstellende vergissingen te vermijden is om juist de lengte van de kop zelf als maatstaf te gebruiken bij de andere proporties . Aan de schilder Ernest Hareux ontlenen wij het volgende voorbeeld ( 86 ) . Je zult constateren dat bij de koe - in het algemeen gesproken - de lengte van de kop een of meermalen terugkomt in de lengte van de andere delen van het lichaam . Je zult er dus belang bij hebben , zelfs al maakt je slechts een studie van alleen een kop , om een eenheid van verhouding uit te kiezen , bijvoorbeeld de afstand tussen de ogen , aan de hand waarvan je op correcte wijze uw onderwerp zult kunnen construeren .
Een andere fout , waarin je kunt vervallen , bestaat in het tekenen van dieren , vooral zoogdieren , met een te lang lichaam en te korte poten of omgekeerd . Bekijk dus goed de hoogte en de verschijningsvormen van de leegte , die omsloten wordt tussen de buik , de poten en de grond (fig . 85 ) . Een enkele blik is voldoende om zijn afmetingen te vergelijken met die van het lichaam en voor wat de koe betreft , zult je dan zien dat de hoogte van deze " opening " gelijk is aan de lengte van de kop . Men moet dus - en wij zouden dit niet genoeg kunnen herhalen - van de ene vergelijkking naar de andere gaan , vooral in het begin van uw studie , want langzaam aan zult je erin slagen zelfs bij bewegende dieren , om alleen al door goed kijken de verhoudingen steeds sneller foutloos te beoordelen .
Een uitstekende oefening om mee te beginnen zult je krijgen door een stukje doorschijnend papier te leggen op de verschillende illustraties van dit lesdeel en dan de diverse volumes van ieder dier op te zoeken door hen met een dikke lijn aan te duiden , zoals gedaan werd op fig . 82 - 84 . In dit verband moet je op uw hoede zijn voor foto's , waarin de verhoudingen vaak sterk " vertekend " zijn .
Ook een andere handelswijze is zeer aan te bevelen . Je kunt zich daaraan wijden hetzij naar uw studies of doorgevoerde schetsen , hetzij naar het levend model . Koop een paar pijpjes z.g. plasticine in een speciale zaak voor kunstenaars . Dit is een boetseerpasta , die op klei het voordeel heeft niet uit te drogen en dus ook niet te gaan barsten . Hij bestaat in verschillende kleuren , maar je kunt het beste wit of grijs nemen , neutrale tinten dus . Met deze volkomen kneedbare pasta begint je naar het voorbeeld van de mooie exemplaren van fig. 4 en 5 ; op een plankje een laag relief te boetseren of een vrijstaand beeldje ( zie fig . 17 en 18 ) , aanvangend met de volumes van een konijn , een eend en een kip . Kies in het begin een eenvoudig , ineengedrongen onderwerp , dat geen inwendige bewapening ( ondersteuning ) nodig heeft om de samenstellende delen bijeen te houden . Het verband tussen deze laatste dient je goed te respecteren door de vlakken die het licht vasthouden , op de juiste wijze tot uitdrukking te brengen . Maar pas er voor op om deze vlakken uit te snijden in een overvloed van pasta , zoals je een kluit boter zou gaan modeleren door er telkens stukjes af te halen met een mes . Neemt als uitgangspunt een algemeen volume , dat kleiner is van omvang dan hetgeen je uiteindelijk bereiken wilt , om dan bij kleine stukjes tegelijk , in de vingers platgedrukte bollentjes van de grote voorraad aan te brengen . Waar de vinger te kort zou schieten voor de gewenste vormgeving , kunt je gebruik maken van een boetseerhoutje of soortgelijk instrumentje om de materie aan te brengen en in de vereiste vorm te krijgen . Dit kleine boetseerwerkje kan een hoogte of lengte , naar gelang de omstandigheden , van 10 cm . krijgen .
Als je een staande eend zoudt willen maken , zoals die van fig . 88 , zal de broosheid van zijn contructie een kleine bewapening vereisen bestaande uit ijzerdraad , dat met enkele spijkertjes op het plankje vastgehecht is .
Deze oefeningen zullen je het enorme voordeel bieden dat je vertrouwd geraakt met de grote volumes en ook met het aspect van de z.d. verkortingen , waarop wij nog terugkomen .
Je zult zo'n boetseerwerkje n.l. gemakkelijk kunnen verplaatsen , hem onder verschillende hoeken bekijken , op uw gemak het aspect van een of ander volume in een of andere stand kunnen beoordelen en de schijnbare vormveranderingen , waaraan hij onderworpen is .
Wanneer je na deze oefening naar uw beeldje en naar de natuur gaat tekenen , zult je uw onderwerp veel beter gaan begrijpen en uw werk zal daarvan de vruchten plukken , daar kunt je van op aan .