Art . Nr . 26 . b , De spieren van hoofd en hals Bij de studie van dit onderwerp dienen wij hoofd en hals als …
Art . Nr . 26 . b ,
De spieren van hoofd en hals
Bij de studie van dit onderwerp dienen wij hoofd en hals als een geheel te gezien . De hals is om zo te zeggen de sokkel van het hoofd en het is vanzelfsprekend dat wij dit onderdeel nader bekijken . Mede door de hals wordt de houding van het hoofd bepaald en de verschillende bewegingsmogelijkheden van het hoofd zijn een gevolg van de werking der halsspieren . Het uiterlijk en de vorm van de hals zijn niet minder belangrijk . Wij kennen zware halzen , slanke halzen , krachtige halzen of daarentegen halzen die gerimpeld of knokig zijn . En al deze vormverschijningen zijn het gevolg van de ontwikkeling der halsspieren . De hals draagt door zijn schoonheid of lelijkheid er toe bij de schoonheid of lelijkheid van een hoofd te onderstrepen .
Maar wij gaan nu eerst de spieren van het hoofd bespreken .
Deze spieren kunnen wij in twee groepen onderbrengen .
De eerste groep omvat de spieren die aan de oppervlakte liggen , dus direct onder de huid . Kennis van hun plaats en functie is voor de tekenaar van groot belang , omdat juist door het samenspel van deze spieren de gevoelens van de mensen tot uitdrukking worden gebracht : woede , vrolijkheid , droefheid enz. Laten wij eerst eens zien welke functies deze verschillende spieren hebben ( fig . 8 ) . De achterhoofdsspier ( 1 ) is aan de voorkant vastgehecht aan het vlies dat het schedeldak omspant . Dit vlies ( de spierschede van de schedel ) dient eveneens als aanhechtingsplaats van de voorhoofdsspier ( 3 ) . Deze spier trekt de wenkbrauwen naar boven en rimpelt de voorhoofdshuid in horizontale richting . Het is dus de spier die verbazing kan uitdrukken . De kringspier van het oog ( 4 ) ontspringt op de voorste traankam en zijn bundels lopen kringvormig om de oogspleet heen . Door samentrekking van deze spier onstaan rimpels in de omgeving van het oog , vooral terzijde daarvan . De functie van de ooglidspier is het sluiten van het oog . De kleine jukbeenspier ( 5 ) trekt de bovenlip omhoog en naar buiten , terwijl de grote jukbeenspier ( 6 ) op dezelfde wijze dient voor de mondhoeken . De brede halsspier ( 7 ) trekt de huid van de kin naar beneden en doet de mondhoeken zakken , waardoor er een uitdrukking van droefheid ontstaat . Hij strekt en plooit tevens de huid van de hals . De oplichter van de neusvleugel en bovenlip ( 8 ) en de onderoogkuilspier ( 11 ) trekken neusvleugel en bovenlip omhoog en verwijden het neusgat . Tot de spieren van de neus behoren de knijpspier van de neus ( 9 ) en de neertrekker van de neusvleugel ( 10 ) . Zij trekken de neusvleugel omlaag en vernauwen het neusgat . De kringspier van de mond ( 12 ) sluit de mondspleet , brengt de lippen op elkaar en doet tevens de lippen naar voren toespitsen . De mondspier ( 13 ) trekt de mondhoeken en de onderlip omhoog . De trompetterspier ( 14 ) trekt de mondhoeken naar achteren en vergroot dus in zijwaartse richting de opening van de mond ( bij het lachen bijvoorbeeld ) . Wanneer de mondholte met lucht gevuld is , regelt deze spier ook het uitvloeien van die lucht ( fluiten en blazen ) door er druk op uit te oefenen . De neertrekker van de mondhoek ( 15 ) trekt de mondhoek naar buiten omlaag ( uitdrukking van walging of droefheid ) . Het naar buiten en naar achteren trekken van de mondhoek wordt veroorzaakt door de lachspier ( 16 ) . Deze spier veroorzaakt ook het bekende " kuiltje in de wang " . Voor het neertrekken van de onderlip komt de vierkante onderlipspier ( 17 ) in werking . De kinspier ( 18 ) licht de huid van de kin en de onderlip op . De fronsspier (19 ) trekt de wenkbrauw naar het midden , waardoor er verticale plooien boven de neuswortel onstaan ( spier van het nadenken ... van het fronsen der wenkbrauwen , als men wil ) . De slanke neusspier hecht zich vast in de voorhoofdshuid . Door de werking van deze spier wordt de huid hier omlaag getrokken en onstaan er horizontale plooien ( uitdrukking van verbazing , van aandacht ) .
De spieren van het oor zijn de voorste - , bovenste - en achterste oorspier ( 2 , 2', 2" ) . De eerste twee zijn niet altijd , of onvoldoende ontwikkeld . De achterste oorspier is de belangrijkste en deze trekt het oor naar achteren .
Van de dieper gelegen spieren noemen wij de kauwspieren (fig. 9 ) . De slaapkauwspier ( T ) is een waaiervormige spier , die op de slaapvlakte ontspringt . De bundels lopen verticaal en horizontaal naar een pees die boven de jukboog begint . Deze pees hecht zich aan het kroonuitsteeksel van de onderkaak . Hierdoor kan de onderkaak omhoog getrokken worden . Het neertrekken van de onderkaak wordt veroorzaakt door bepaalde halsspieren , welke wij niet zullen noemen , omdat dit anders te ver zou gaan . De wangskauwspier bestaat uit twee lagen : een oppervlakkige ( M ) en een diepliggende ( M' ) . Het zijn krachtige spieren . Met de andere delen van het gelaat werken zij samen om aan de uitdrukking een persoonlijk karakter te geven , hetgeen natuurlijk afhangt van de mate van hun ontwikkeling .
Laten wij nu de spieren van de hals eens bezien . Deze zijn zeer belangrijk , omdat hierdoor het relief van de hals wordt bepaald . Wij maken je er op attent , dat deze spieren symmetrisch zijn ; van iedere spier bestaat dus een rechter en een linker ! Allereerst dan de borstbeen - sleutelbeen - tepelspier welke uit een aantal bundels is samengesteld . De aanhechtingsplaats van deze spier is het tepelvormiguitsteeksel en het achterhoofdsbeen ( fig . 3A ) , terwijl hij met hoofden ontspringt op het sleutelbeen en het borstbeen . Het sleutelbeen is een langwerpig bot dat de verbinding vormt tussen het borstbeen en het schouderblad ( fig . 10 ) . Het relief van de twee borstbeen - sleutelbeen - tepelspieren vormt als het ware een V , hetgeen duidelijk waarneembaar is wanneer men de hals van voren beziet ( zelfde fig . ) . Het duidelijkst ziet men die
V - vorm daar , waar de beide hoofden van de spieren op het borstbeen samenkomen ; er onstaat die typisch driehoekige holte . De werking van deze spieren is het buigen van het hoofd , zij neigen het ieder naar zijn kant en geven er een draaiende beweging aan . Het gelaat richt zich echter naar de tegenovergestelde kant van de spier die zich samnestrekt . Komen de twee spieren tegelijk in werking , dan doen zij het hoofd buigen . Tussen de takken van die V - vorm , zien wij op de middelijn de adamsappel , waarvan het relief gevormd wordt door het schildkraakbeen van het strottenhoofd , de voortzetting van de keelholte . Het relief van de adamsappel is bij de een meer ontwikkeld dan bij de ander . Bij vrouwen is het vaak minder in het oog springend .
Van achteren bezien ( fig . 11 ) is de hals regelmatiger cilindrisch gevormd en vleziger . Dit komt omdat daar ( de nek ) bestaat uit krachtige spieren , welke tezamen met de borstbeen - sleutelbeen - tepelspieren en de dieperliggende spieren het hoofd in volkomen evenwicht kunnen houden . Zonder hen zou ons hoofd dus naar voren , naar achteren of naar opzij vallen .
Het meest aan de oppervlakte ligt het bovenste deel van de monnikskapspier ( T ) .
De oorsprong van deze waaiervormige spier ligt op de bovenste neklijn , dezelfde lijn waarop de borstbeen - sleutelbeen - tepelspier is vastgehecht , op de achterhoofdsknobbels en op de doornuitsteeksels van alle rugwervels . De aanhechtingsplaatsen van deze spier zijn de achter - bovenrand van het sleutelbeen , de schoudertop , terwijl de onderste bundels zich met een peesveld hechten aan het schouderblad . In fig . 11 zien wij links ( de linker monnikskapspier is hier weggelaten ) nog een diepliggende spier , de spalkspier van het hoofd , welke ontspringt op de halswervels , schuin omhoog loopt en zich hecht aan het tepelvormig uitsteeksel . Onder de bundel S van deze spier zien wij nog een diep liggende spier . Tenslotte zien wij geheel aan de zijkant een spier welke van het schouderblad naar de halswervels loopt . Het is de schouderbladspier , welke de hals doet neigen naar opzij . Het samentrekken van de spalkspieren doet het hoofd naar achteren neigen . Het bovenste gedeelte van de monnikskapspier zorgt voor de draaiende beweging van het hoofd .
Van opzij bezien ( fig . 10 ) vormen de monnikskapspier en de borstbeen - sleutelbeen - tepelspier een driehoekige holte , welke men gemakkelijk kan voelen . Betasten wij deze plaats dan voelen wij daaronder meerdere diepliggende spieren . Deze spieren zullen wij echter niet beschrijven omdat ze van geen invloed zijn op het uiterlijke relief van de hals . Thans heeft je aanwijzingen voldoende om een goed begrip te krijgen van de vorm en , de bouw van de hals .
Art . Nr . 27 . De verhoudingen van het hoofd . Alvorens wij dit onderwerp gaan bestuderen , dienen wij er ons …
Art . Nr . 27 .
De verhoudingen van het hoofd .
Alvorens wij dit onderwerp gaan bestuderen , dienen wij er ons zeer goed van bewust zijn , dat de leer der verhoudingen een onmisbare schakel in de artistieke ontwikkeling is . Gaat het er immers niet om dat wij de verhoudingen van de details onderling leren zien met betrekking tot het geheel en op deze wijze gevoel krijgen voor harmonie ?
De eeuwen door heeft de mens zich ingespannen om regels te vinden met betrekking tot de verhoudingen , omdat zonder juiste verhoudingen , zonder harmonie , geen sprake kan zijn van een werkelijk artistieke volmaaktheid .
In het bijzonder wat het hoofd betreft laat de natuur een zeer grote variatie zien . Toch is het mogelijk gebleken om ondanks die verscheidenheid een " standaard - type " te ontwikkelen . Reeds in de oudheid kwam men tot het " ideale type " en wij behoeven slechts naar de schitterende antieke Griekse beeldhouwwerken te kijken om het resultaat hiervan te zien . Hier is door zuivere harmonie ware schoonheid onstaan .
Om een goed begrip te krijgen van de belangrijkste verhoudingen van het hoofd gaan wij uit van de " canon " ( verhoudingsschema ) van fig . 12 . Het is weliswaar een zeer eenvoudig schema van de ideale verhoudingen . In werkelijkheid zullen wij deze verhoudingen zelden kunnen ontdekken , doch de maten welke hierin zijn aangegeven moet je ook meer zien als een basis voor vergelijkingen , welke van veel nut kunnen zijn bij het opzetten van een kopstudie . De individuele variaties hierop leert je natuurlijk slechts door aandachtige observatie van het model .
Het hoofd ( A ) is verticaal verdeeld in vier gelijke delen , van de kruin tot de punt van de kin . De middelste deellijn loopt door de ogen , neuswortel en bovenkant van de oren . De derde deellijn gaat door de neusstop . De verticale deellijn loopt over de neusrug , door het midden van de mond tot de punt van de kin . De belangrijkste breedteverhoudingen van het vooraanzicht zijn de volgende : de breedte van het hoofd , gemeten van de buitenrand van de linkeroorschelp tot de buitenrand van de rechteroorschelp , is gelijk aan 3/4 van de lengte van de kop en aan 5 maal de lengte van het oog . De afstand tussen de ogen onderling is gelijk aan één ooglengte . De breedte van de neus , gemeten van de buitenrand van de linkerneusvleugel tot de buitenrand van de rechterneusvleugel , is eveneens gelijk aan één ooglengte . De lengte van de mond is gelijk aan 1 1/2 maal de ooglengte . In zijaanzicht ( en profil ) B sluiten wij de kop eveneens in een vierkant en verdelen wij de totale breedte ( van neustop tot het meest achteruitstekende punt van het haar ) in twee gelijke delen . Het oor raakt dan juist de verticale deellijn .
In driekwart - aanzicht ( trois quarts ) C vervormen zich voor ons oog alle onderdelen van de kop : zo zijn bijvoorbeeld wel beide ogen zichtbaar , maar de ooglengte verschilt tengevolge van de verkorting . Breedteverhoudingen zijn bij de driekwart - stand dus heel moeilijk te geven , zoals je ziet .
Dat het bestuderen van de canon slechts een leidraad is , spreekt vanzelf . Het laastste woord is aan het nauwkeurig observeren van het model . Een hulpmiddel bij uitnemendheid is het meten met lineaal of breinaald , met gestrekte arm , zoals wij reeds in de eerste les hebben gedemonstreerd . Geen twee schedels zijn gelijk en geen twee koppen hebben dus dezelfde verhoudingen . Een afwijking welke nogal eens voorkomt is deze , dat de lijn , die de hoogte van de kop halveert , niet door de pupillen gaat , doch door de bovenoogleden loopt . Wij herhalen : je moet de canon steeds in gedachten houden , maar zich alleen verlaten op nauwkeurige observatie en meting .
Plastische verschijningsvormen
In het voorafgaande hebben wij ons er toe bepaald de verhoudingen van de kop aan te geven , wanneer deze zich in volkomen rechte stand bevindt . In werkelijkheid zijn de deellijnen welke wij hebben getrokken geen rechte lijnen , doch gebogen lijnen die zich aanpassen aan de ei -vorm van het hoofd . zien wij een kop en face ( fig . 13 ) op horizonhoogte , zullen wij de assen praktisch als rechte lijnen zien , omdat zij op ooghoogte liggen . Buigt het hoofd zich in 3/4 stand voor of achterover , dan tekent zich de kromming van de assen , zowel horizontaal als verticaal , duidelijk af ( fig . 14 ) . De richtingen van de horizontale assen zijn onderworpen aan de wetten van de perspectief . Bij het profiel ( zijaanzicht ) komt vooral de kromming van de verticale as tot zijn recht . Al met al komt het er dus op neer , dat bij het opzetten van een kopstudie terdege rekening moeten houden met het vollume . Wat is volume ? Laten we een duidelijk voorbeeld nemen : het blad papier ( A 4 ) waarop we een brief typen , is een tweedimensionaal oppervlak , met een hoogte en een breedte . Maken wij van dit blad een rol , dan onstaat een cilinder , die behalve zijn hoogte en breedte nog een derde afmeting - de dikte - bezit . Deze dikte noemt men ook wel de diepte . Het blad papier is nu een ruimtelijk voorwerp geworden . Met de simpele ei -vorm van het hoofd , de vorm waarvan wij in het begin van deze les zijn uitgegaan , is het dus precies hetzelfde gesteld . Die ei -vorm is in wezen ook een ruimtelijke vorm . En ons doel is dan ook op een plat vlak van twee afmetingen een vorm met drie afmetingen
( hoogte , breedte en diepte ) weer te geven . Om dit te doen moeten wij dus tegelijkertijd de wetten van de perspectief in toepassing brengen , alsook licht - en schaduwpartijen aanbrengen , daar , waar het modelé dit vereist . In feite nemen wij die ruimtelijke vorm slechts waar door de perspectivische vormveranderingen en door de aanwezigheid van licht en schaduw . Het is het opeenvolgen , het naast elkaar voorkomen van al deze verschillende partijen , sommige licht , andere in de schaduw , weer andere in halflicht , die ons de samenstelling van een ruimtelijke vorm doen begrijpen . Belangrijk hierbij is , dat men nooit een schaduwtint moet opzetten zonder deze te vergelijken met het lichtvlak wat daartegen staat - en omgekeerd - om op deze wijze zijn breedte , lengte en diepte juist te schatten . De uiteindelijke omvang van de ruimtelijke vorm in zijn geheel , kan pas met juistheid worden vastgesteld na het nauwkeurig observeren van de massa's waardoor deze gevormd wordt . In de voorafgaande lesdelen hebben wij voldoende aangedrongen op de noodzaak van het vergelijken van de ene massa met de andere .