We gaan verder . Het kan zeer vaak te pas komen , niet om een tint van dezelfde kleur , al of niet vlak , aan te brengen , maar om er een te maken , waarin verschillende tonen in elkaar overaan , versmeltingen . Men moet in zo'n geval zoveel mogelijk met een enkele bewerking zien te volstaan, zonder onberedeneerde overschilderingen en in ieder geval zonder peuterig geknoei . Gesteld dat we een achtergrond een grijze kleur , samengesteld uit gebrande sienna en cobalt , willen geven , waarin beurtelings de ene en dan de andere kleur moet domineren .
We bevochtigen daartoe het papier met schoon water ; de stand van het papier mag in dit geval slechts weinig hellen . We maken dan een matige hoeveelheid van de tint , die uit een mensel van onze beide kleuren bestaat , in een van de uitgeholde afdelingen van het palet ; vervolgens plaatsen we op het papier dat niet meer glimmen mag , aan de linkerzijde enkele toetsen van ons mengsel door middel van een penseel , dat slechts matig van verf voorzien is . Hier behoeft men in het geheel niet met regelmatige kleurbanden te werken en dikke kleurhoopjes doen ontstaan . Wat hier nodig is , is om steeds in het penseel over een matige hoeveelheid verf te blijven beschikken , teneinde het papier gelijkelijk te bevochtigen , dit om geen vlekken en randen te doen onstaan . Is dit geschied , dan gaan we deze toetsen geleidelijk aan verbinden met andere toetsen , die in hun verdunning nu eens wat meer van de ene , dan weer wat meer van de andere kleur zullen bevatten , waarbij men , hetzij de waarde van de tint gelijk kan houden , hetzij deze gaat verzwakken of versterken . Op die manier zullen we een gehele reeks afgezwakte tonen verkrijgen , met een wisselende dominante en talrijke overgangstonen , die op aantrekkelijke wijze het coloriet van de achtergrond zullen doen trillen , zonder horten en stoten , als gevolg van versmelting , die de goed verbonden toetsen zullen ondergaan .
Het is mogelijk - en dit is niet in tegenspraak met wat zojuist beweerd werd - om later op dit werk terug te komen , maar dan alleen onder de strikte voorwaarden , dat de plaatsen , waar men nog eens overheen wil schilderen nog goed vochtig zijn en dat de penseel niet al te vol verf zit .
Deze bewerking kan uitgevoerd worden , niet slechts met twee , maar ook met drie of meer kleuren . We kunnen je niet genoeg aanraden je hierin te oefenen , want zo dient je een aquarel te behandelen , in wezen , n.l. door onophoudelijke modulaties de afwisselingen in kleur en kleurwaarden uit te drukken , die de voorwerpen of het onderwerp , dat je wilt naschilderen in werkelijkheid te zien geeft . Door een zodanige gang van zaken zult je het aantal overschilderingen en glacis tot een minimum beperken , want meesttijds zult je de vereiste kleur of toon met één slag te pakken hebben .
Verdronken tinten
Wanneer een achtergrond nog vers is , zoeken we op ons papier een plekje uit waar de kleur , van lichte waarde , nog enigszins glimt . Nu nemen we het penseel cobalt of siennabruin in een flinke dosis ; de kleur doet er weinig toe , als het maar een flinke hoeveelheid is , het gaat hier n.l. alleen maar om een demonstratie . Nu komt bij die verf een klein beetje water en dan plaatsen we de punt van het penseel op de tevoren uitgekozen plek : dit kleine toetsje zal zich gaan uitbreiden , verder uitvloeien , steeds naar buiten toe lichter van toon wordend , terwijl het centrum toch altijd een zekere kracht blijft behouden . Dit is nu wat men het " verdrinken " van een tint noemt . Houd daarbij goed voor ogen dat een tint alleen goed in een andere kan verdrinken , wanneer deze laatste nog vochtig is en vooral indien de kracht van de te verdrinken kleur groter is dan die van de kleur , die hem moet opnemen . Zo niet , dan zal een lichte vlek en een kring in de verf onstaan . Naarmate de onderliggende toon vochtiger is , zal de tweede zich gaan uitbreiden . Op deze wijze te werk gaande , kan men op bepaalde plaatsen accenten verkrijgen , die zich meer of minder versmelten met de kleur , waaraan zij een versterking verschaffen . Men moet echter van dit procedé geen misbruik maken om niet een onaangename , wollige slapheid te doen onstaan , vooropgesteld dan altijd , dat je met alle " verdrinkingen " slagen zult .
Men zal gemakkelijk inzien dat , waar verdronken tinten zichzelf van lieverlede afzwakken , deze goed gebruikt kunnen worden om voorwerpen ronding te geven , dus om iets te laten " draaien " . Men kan hen ook toepassen bij de weergave van uitvloeiende en wazige elementen , zoals weerspiegelingen in het water , wolken , vergezichten e.d.
Naar gelang het gewenste effect , kan men tinten natuurlijk laten verdrinken in die van dezelfde of van geheel andere kleur .
Vergeet , om kort te gaan , dus niet dat men met hen ofwel een afgezwakte verandering van waarde kan bereiken , ofwel een , eveneens afgezwakte , wijziging van kleurenwaarde tegelijk . Wanneer men een kleur niet te veel in zijn ondergrond wil laten verdrinken , moet hij wat vetter en wat later aangebracht worden dan degene die men juist ver wil laten uitvloeien . In het laatste geval moet hij wat meer verdund en ook wat eerder worden aangebracht , als n.l. de onderliggende toon nog niet veel van zijn vochtgehalte verloren heeft .
Het versmelten van tinten is nochtans niet een strikte vereiste voor de aquarellist ; eenzelfde effect kan beriek worden door arceringen ( kwaststrepen ) en over elkaar gezette tonen , wanneer men een werk op de normale afstand bekijkt . We hebben daarmede de traditionele wijze van doen voor de versterking van kleurwaarden , die de voordelen heeft om zowel de logheid als de slapheid , de vaak voorkomende bezwaren van het verdrinken , te omzeilen .
Wanneer het papier reeds van een bepaalde toon voorzien is , kan men er een andere overheen schilderen , onder uitdrukkelijke voorwaarde echter , dat de eerste geheel droog is en dat men de tweede aanbrengt zonder enige vorm van druk , want anders zal de schade niet meer te herstellen zijn . Als de opgezette tint van dezelfde kleur is als de overschilderde , wordt van deze alleen de intensiteit versterkt . Zijn de kleuren echter verschillend , dan kunnen zich twee gevallen voordoen : a ) Ten eerste kunnen we twee doorschijnende kleuren kiezen ; hun combinatie verwekt een optische vermenging van de twee tonen , ongeveer gelijk aan die men door oplossing verkrijgt . Hetzelfde geschiedt indien alleen de onderliggende tint ondoorschijnend is , evenwel zal het effect dan minder frisheid in de fijne en meer intensiteit in de krachtige fragmenten opleveren . b ) Ten tweede kan de opgezette toon zelf van een ondoorzichtige kleur zijn . Wat er dan ook onder zit , zal uitgeschakend worden door de ondoorzichtigheid . Deze wijze van doen zou men dus moeten vermijden . Maar , aangezien ondoorzichtigheid afneemt naarmate men meer water toevoegt aan de oplossing , kan men , onder omstandigheden met een tint van ondoorschijnende kleur overschilderen , op voorwaarde dat deze zeer waterig is .
Dit brengt er ons toe om nog eens over glacis te spreken . Dank zij dit , mits met verstand toegepast en niet willekeurig , op goed geluk af , kan men de kleurwerking van een onderliggende toon kracht bij zetten , of het omgekeerde , hem verzachten met behulp van een , steeds lichte tint , die samengesteld is met zijn complementaire . Nogmaals wijzen we er op dat men hen niet moet aanbrengen op een ondergrond , die zeer droog is en , om de kleur van deze laatste niet te gaan verdunnen , moet het penseel luchtig en vol met verf over het papier glijden , zonder daar met kracht op gedrukt wordt .
Naast elkaar geplaatste tinten
In een aquarel worden de tinten niet alleen over elkaar heen aangebracht . Zij worden aanvankelijk naast elkaar geplaatst . Hier doet zich geen enkele extra moeilijkheid voor , maar wel moet een eenvoudige , doch belangrijke voorzorg in acht worden genomen : niet een snel contact maken tussen een nog natte tint en een andere , die men er naast zet . Tenzij men dat binnendringen juist verlangt en dan nog , dient , evenals bij de verdronken tonen , de tint die de ander voor een deel gaat binnendringen , een grotere , of minstens even grote , kleurdichtheid te bezitten . Indien men op vooraf sterk vochtig gemaakt papier werkt , is het zelfs aangeraden om tusen deze beide een dun streepje wit open te laten , waardoor zij gescheiden blijven teneinde een plotselinge instroming van een kleur in zijn buurman te ontlopen . We komen hier niet meer terug op de theorie van de kleuren , de tegenstellingen enz. We brengen je slechts in herinnering dat een willekleurige kleur voor het oog , de hem omringende kleur , beinvloedt met zijn complementaire .
Dit feit wordt van grote betekenis juist als het er om gaat tinten naast elkaar te plaatsen en meer in het bijzonder wanneer je geplaatst wordt voor de keuze van een kleur voor de achtergrond en waarbij men rekening moet houden met de kleur van het voorwerp , waar hij achter staat . Hoe zij er ook uitzien , tinten van een zekere uitgestrekheid moeten altijd rijkelijk in de verf worden gezet , zodat er zich een klein hoopje overtollige verf gaat vormen aan de onderzijde van het besteken vlak , dat men kan wegnemen met de iets vochtige punt van de penseel . Toch kan men , op welgekozen plaatsen en in overeenstemming met het aspect van het onderwerp in kwestie , hier en daar door de tinten kleine kleur ophopingen laten onstaan , die zeer typisch zijn voor het procedé van de waterverf . Dank zij hen kan een aquarel , die reeds lang droog is , een min of meer vochtige aanblik bewaren van een bekoorlijke frisheid .
Ook moet men zijn tinten wat meer kracht geven dan die , die men wil navolgen , want bij het indrogen worden zij veel lichter en dit nog meer wanneer het papier tevoren vochtig gemaakt is : vooral blauw en geel worden de helft lichter , hetgeen men duidelijk kan constateren door een vergelijking met een op droog papier geplaatste toets .
In het begin is het stellig niet eenvoudig om deze " versterkingen " van tinten hun juiste gehalte te geven . Wees daar niet ongerust over want de praktijk zal je uw kleuren beter doen leren kennen .
Wanneer men ontevreden is over de zojuist aangebrachte tint , bij het begin van de arbeid , is het het beste om hem geheel af te wassen met veel water , onder de kraan of met een spons . Is hij zeer licht van toon , dan kan een stuk wit vloeipapier volstaan , maar als hij al begonnen is in te drogen is het niet meer mogelijk om het papier geheel wit te krijgen . In zo'n geval zit er niets anders op dan de volledige indroging af te wachten om dan te trachten de ongewenste toon te wijzigen met behulp van een overschildering . Tinten die met zware kleuren zijn samengesteld verdwijnen gemakkelijker van het papier dan zeer transparante , want de eerste blijven meer aan de oppervlakte van het papier zitten .
Om ieder misverstand te voorkomen , willen we hier een opmerking maken . We hebben meermalen over glacis gesproken , maar dat zou je er niet toe brengen om te gaan denken dat men dit hulpmiddel voortdurig te baat zou moeten nemen . Het is altijd beter om te proberen meteen de gewenste toon te vinden en het is alleen als je daarin niet slaagt , dat je een glacis moet toepassen om een of andere kleur in de gewenste richting te veranderen .
De Toets
Alles wat tot dusver over tinten gezegd werd , maakt het je mogelijk zich meer rekenschap te geven van het juist hanteren van uw penselen . Men houdt hem in de hand als een vulpenhouder en men moet er nooit mee op het papier heen en weer wrijven , maar slechts de tint uitstrijken over het vereiste deel van het papier . Bij eenzelfde kleur gaat men te werk met banden van boven naar beneden , dus niet door toetsen in allerlei richtingen , die niet aan elkaar aansluiten . Iedere keer dat het mogelijk is om brede penseelstreken te gebruiken , doe het dan ook ; dus geen kleine , voorzichtige toetsjes als één enkele brede kan volstaan . Wanneer men uit te sparen onderdelen nadert , gebruikt dan de punt , en dus niet de buik van uw penseel , om te voorkomen dat de bewuste grenzen worden overschreden .
De toets , en dit is meer een kwestie van gevoel dan van beschrijving , moet afwisseling hebben in zijn richting , zijn stand , op het papier , in overeenstemming met het onderwerp , dat men schildert ; hij moet medewerken om de materie en de vorm ervan voelbaar te maken . Soepel en wazig in de luchthemels en de vergezichten , strakker en steviger in de terreinen, waarvan hij de golvingen zal volgen en die soms onregelmatigheden vertonen in de voorgrond . De toets zal anders moeten zijn bij , bijvoorbeeld , het gebladerte van een eik en dat van een pijnboom , of bij een wolk en een rots . Magere toetsen dienen men steeds te vermijden .
Reeds spraken we over de techniek van het over het papier laten " glijden " van het penseel , wanneer dit papier zeer korrelig is ; daarop zullen we dus niet meer terugkomen .
Soms raakt men bij het aanbrengen van de tinten bepaalde lichtplekken kwijt , vooral indien deze van geringe afmetingen zijn . Wanneer dit laatste het geval is , kan men die kleine lichtjes terug vinden door eerst de bewuste plek nat te maken met de punt van een penseel met schoon water ; daarna wacht men enkele ogenblikken en droogt men het overtollige water af met wit vloeipapier . Vervolgens neemt men de geweekte kleur weg door de top van de wijsvinger , die bedekt is met een schoon lapje , krachtig tegen het papier te drukken . Deze operatie moet , zoals alle verbeteringen , doelbewust en zonder aarzeling worden uitgevoerd . Als men de eerste keer niet slaagt , kan men de bewerking nog eens herhalen , maar daarna niet meer ! Dan zou er n.l. een kruimel op het papier gaan onstaan en daarop kan men niet meer met succes schilderen . Op echt aquarelpapier heeft men als redmiddel slechts het radeermesje , waarvan het lemmet een rechte hoek moet vormen met het papier om dit niet te beschadigen . Overigens is dit slechts mogelijk bij een studie en in het algemeen , niet bij een werk , dat voor een tentoonstelling bedoeld is . Aan de andere kant kan men bij vers geplaatste , nog vochtige verf , sterke lichtjes veroorzaken door de kleur met een stukje wit vloeipapier op te zuigen of door het papier zeer lichtjes een met de vinger samengekneed bollentje van broodkruimels te drukken , dat schoon gehouden moet worden ; anders neemt men een nieuw bolletje . In vergezichten kan men ook lichtere plekjes maken met de punt van een penseel , dat dan slechts weinig water dient te bevatten , teneinde geen vlekken te doen onstaan . Men moet hem dan vaak afspoelen en wel na iedere keer , dat hij wat verf weggezogen heeft .
Weet echter wel dat men op een echte aquarel in geen geval witte gouacheverf mag gebruiken voor het aanbrengen van lichtpatijen en wel om reden van zijn ondoorschijnendheid . De juiste werkwijze hierbij , wanneer het gaat om lichte partijen , die tegen bepaalde tinten afsteken en bedekt moeten worden met lichtende tonen , is om deze zorgvuldig uit te sparen . Reeds zeiden we dat hierin een van de moeilijkheden van de aquarel schuilt , vooral als deze uitsparingen smal zijn en ingewikkelde omtrekken bezitten . Door zich te oefenen , kan men ook hierin leren slagen . Daarentegen is het overbodig om uitsparingen te maken , wanneer de uiteindelijk te bereiken toon niet behoeft te lijden door de aanwezigheid van een tint , die op de bewuste plek in eerste instantie aangebracht zou zijn .
Wanneer men , door een onhandigheid met het penseel , de begrenzingen van een andere tint heeft overschreden , kan de nog natte verf met een droge vingertop weer op zijn plaats gedrukt worden , wanneer men niet de beschikking heeft over een stukje vloeipapier om aanstonds de ongewenste fransjes weg te zuigen .
Je weet thans hoe je uw schetstekening van kleur moet voorzien , maar waar te beginnen ? De klasieke methode , bestaat , in het eerst aanbrengen van de lichtende kleuren , vervolgens de halftinten , daarna de schaduwen , om dan te eindigen met détails , kleine accenten en , eventueel glacis . Zoals we zeiden , kan een aquarel tot stand komen op droog of op bevochtigd papier , naar gelang het onderwerp . Vaak worden beide manieren gecombineerd . Zo kan men bijvoorbeeld het papier met een penseel aan de voorzijde nat maken op die plaatsen , waar men een lucht , al of niet bewolkt of waterpartijen gaat schilderen , of ook wel voor vergezichten en wel door de aard van deze elementen , de vervoeiingen die zij vertonen , om een te grote hardheid en schepte aan hun randen te voorkomen , terwijl men dan de accenten op droog of bijna droog papier kan plaatsen . Een te grote vochtigheid van het papier moet intussen ook voorkomen worden om niet te veel slapheid en wazigheid in het werk te krijgen .
Je zult thans ongetwijfeld in voldoende mate ingelicht zijn , om de studie te gaan aanpakken van de verschillende voorbeelden , die we in hetgeen volgen zal , zullen behandelen . We hebben je enkele voorschriften aan de hand gedaan , in het bijzonder om bepaalde misgrepen en fouten te kunnen herstellen , maar je moet intussen niet teveel op deze lapmiddeltjes gaan rekenen om uw inspanning te laten verflauwen , die voortdurend op het best mogelijke resultaat gericht zal dienen te zijn , zonder het voorwendsel dat er wel een of ander middeltje bestaat om een fout te kunnen herstellen .
Laten we er tenslotte nog eens aan herinneren dat een aquarel een beknoptere wijze van doen met zich meebrengt dan een schilderij in olieverf , zonder dat men daarom de weglatingen en vereenvoudigingen moet overdrijven . In het geval van overschildering van een tint - en het is niet in te zien dat men die zou kunnen ontberen - denk er dan aan dat , als je prijs stelt op het behoud van een zekere doorzichtigheid , één enkele of twee overgeplaatste tonen per onderdeel voor de ver verwijderde plans en twee of drie voor de dichtbij gelegen plans voldoende moeten zijn om het gewenste effect te kunnen bereiken . Een aquarel dient eenvoudig " gewassen " te zijn , zo breed mogelijk . Richt uw aandacht dus op het essentiële , de hoofdzaken .
Bij de voorgronden dient uw werkwijze om een vergelijking te trekken , die van het mozaïek te benaderen ; uw tinten zullen zich dan niet gaan wijzigen , hetgeen zonder mankeren zou geschieden , indien je zou proberen hen te laten samensmelten . Een eventueel " brokkelig " aspect zal verdwijnen wanneer men het werk op de gebruikelijke afstand bekijkt en , met deze " optische " ineenvloeiing , zullen dan tevens stevigheid en frisheid verkregen worden .
We hebben al gesproken over de hoeveelheid van de tonen en tinten , waarmee men kan overschilderen . Laten we het nu eens hebben over hun hoedanigheid . Op weinige uitzonderingen na , bevatten de tonen in de natuur de drie primaire kleuren : rood , geel en blauw . Zeer zeker kan een van deze drie onder omstandigheden slechts in minieme mate aanwezig zijn . Maar op de een of andere manier is hij er toch , want er bevindt zich n.1. altijd lucht tussen het oog en het geziene voorwerp en deze lucht veroorzaakt het onstaan van grijs . Welnu , de rol van de derde kleur - complementaire van de vermenging van de beide andere - bestaat juist in het verwekken van dit grijs . Blijft rekening houden met deze opmerking . Je zult dan gebroken tonen gaan samensmelten en het scheeuwend coloriet uit de weg gaan , dat zo vaak te zien is van beginnelingen , vooral in de groenen , waaraan men , in het bijzonder in schaduwpartijen , soms een heel klein beetje kraplak moet toevoegen . Zo niet , dan zult je zich , zoals FAGES schrijft , bezig houden met plaatjesmakerij en niet met schilderkunst .
Juistheid van de tonen , die het gewenste effect te voorschijn zullen roepen - waarheidsgetrouw van het coloriet , dat vereenvoudigd is , maar in zijn kern de werkelijkheid moet weerspiegelen - eenvoud door het verwaarlozen , weloverwogen , van onnodige onderdeeltjes , dus een groot gehouden verfopdracht , ziedaar het drietal goede eigenschappen , die je zich eigen zult moeten maken .
Ga niet aarzelend te werk bij de uitvoering , maar oefen je er in om een aquarel meteen " raak " te doen zijn . Schiet men er eens naast , dan is dat geen reden om te gaan wanhopen . Alle kunstenaars , ook de grootsten , hebben dat ondervonden . Tracht tenminste die eerlijkheid in uw werk te leggen , die één van de aantrekkelijkheden is van deze zo bekoorlijke kunst .
Enkele opmerkingen
We komen hier nog eens terug op enkele reeds versterkte inlichtingen , teneinde ieder misverstand uit de weg te gaan .
We hebben gezegd dat men een nieuwe tint niet in contact moet brengen met een andere , die nog vochtig is , om de één niet in de andere te laten binnendringen . Het spreekt vanzelf dat dit gebod geen grond meer heeft , wanneer een versmelting van de ene toon in de andere juist uw doel is .
We hebben ook te verstaan gegeven dat een misbruik van vermengingen de frisheid van de tonen in gevaar brengt . Men moet er zich dus op toe leggen de tonen op eenvoudige wijze samen te stellen . Zeer vaak kunnen twee goed gekozen kleuren voldoende zijn om de vereist toon op te leveren , zo gecompliceerd als hij op het eerste gezicht ook schijnen mag . Is twee niet genoeg , maar dan ook alleen in dat geval , dan gaat men een derde te hulp roepen . Vermenigvuldig dus niet met alle geweld uw kleursamenstellingen , door er vier , vijf of meer te gebruiken , want dan gaat uw coloriet onherroepelijk vervuilen en zult je vervallen in dorre en grauwe tonaliteiten .
Fig . 9 . Op de voltooide aquarel zult je , vooral in de schaduwen , het resultaat waarnemen van de bevochtiging van het papier door de meer " wazige " effecten , die daarvan het gevolg zijn .
Fig . 8 . Dit werk werd uitgevoerd op vooraf bevochtigd papier . Door dit feit werd de schets uitgevoerd met iets zwaarde gebruikt potlood , zodat hij langer zichtbaar bleef .
Evenals bij het schilderen met olie - en gouacheverf , zal het eerste volledige werkstuk bestaan in het schilderen van een stilleven . Dit soort van onderwerp stelt ons in staat tot een langdurige waarneming door de onveranderlijkheid van het licht op voorwerpen die zelf ook onbewegelijk zijn .
Eerste Voorbeeld
Bekijkt het stilleven , dat in fig . 7 is afgebeeld . Zijn compositie is eenvoudig , zijn kleuren levendig en afwisselend . We hebben het op droog papier uitgevoerd .
Uiteraad hebben we , als eerste stadium , een solide contructieschets gemaakt , eerst , zeer licht , met een HB potlood , dat vervolgens overtrokken wordt met de penseel in een neutrale , zeer zwakke toon (fig. 5 ) . Voor de verdere uitvoering zal hij onze gids moeten zijn , wanneer we de verschillende tinten gaan aanbrengen , die het onderwerp ons te bieden heeft . Je zult constateren dat dit eerste stadium bovendien een oppervlakkige aanduiding te zien geeft van de voornaamste schaduwpartijen , eveneens uitgevoerd in dezelfde neutrale , lichte toon ( samengesteld , bijvoorbeeld , uit ultramarijn en gebrande sienna ) die overigens geen enkele invloed zal hebben op de werkelijke schaduwkleuren van het onderwerp . We moeten er echter op wijzen dat men zich ook alleen tot potlood kan beperken voor de schetsopzet , waarbij men , desgewenst , de belangrijkste schaduwen met arceringen kan aanduiden .
Vervolgens hebben we alle aanwezige kleuren aangebracht , schaduwen zowel als lichtpartijen , deze laatste met één slag raak . We herhalen dan ook nog eens dat waterverf een procedé is , waarbij men het geziene moet samenvatten , dus een van vereenvoudiging en " keuze " . De geest onthoudt datgene , wat hij gekozen heeft uit alles , wat zijn ogen opvangen , en door die " eerste gooi " , moet de aquarel al het wezenlijke van het motief kunnen tonen . Het werk wordt dan nog eens onderhanden genomen om de schaduwen die , al drogend , lichter zijn geworden , te versterken . Men werkt dan op een droge ondergrond , met een penseel dat altijd goed van verf is voorzien en de verschillende overgangen worden dan uitgedrukt volgens de methode , die we reeds bespraken . Op fig . 6 ziet je een afbeelding van het tweede stadium , dat zoals men ziet , reeds zeer dicht het eindresultaat benadert ( fig . 7 ). Bestudeer vergelijkender wijze , de drie opeenvolgende stadia om jezelf goed rekenschap te geven van de ontwikkelingsgang van het werk .
Zonder twijfel zullen herhaalde oefeningen je een grote handvaardigheid kunnen verschaffen , tesamen met een vergroting van uw kennis van de mogelijkheden van uw palet en van de gedragingen van uw kleuren , zoals die verdund met water , op het papier worden uitgespreid . Eerst dan zult je in staat zijn om - zoals het behoort - een aquarel in één enkele beweging uit te voeren met de snelheid die deze techniek nu eenmaal vereist , dus zonder herhaalde overschilderingen en , nog meer , zonder verderflijk geknoei . Went je aan om van het begin af , zonder aarzeling , te werk te gaan , met een in voldoende mate gevuld penseel ; het alternatief zal uitlopen op armoedigheid en droogheid .
Tweede voorbeeld
Thans gaan we eens werken op vooraf bevochtig papier , om "nat " te modelleren Bij deze techniek , waarover we het voornaamste mededeelden , volstrekt de verzachting van de omtrekken zich vanzelf , het ineenvloeien van penseelstreken gaat gemakkelijker , maar we herhalen toch dat men van dit procedé geen misbruik moet maken om geen " wolligheid " , geen " vloeipapier - effekten " te doen onstaan .
Is de schetstekening voltooid , dan bevochtigt men de achterkant van het vel met een goede natte spons en dan wacht men met schilderen tot het water goed in het papier is gedrongen . Wil men , buiten werken , het vochtgehalte van het papier in stand houden , dan kan men het papier - als dit vrij dik , dus nogal stijf is - uit het raamkarton halen en het aan de achterkant met een natte spons bestrijken , terwijl men het aan de bovenkant vasthoud . Ook kan men , maar dan op de voorkant , nog blanke gedeelten met een penseel met schoon water bewerken . Maar hoe men het ook doet , het papier mag geen te grote hoeveelheid water bevatten , anders gaan de kleuren hun schittering verliezen . Als algemene regel geldt , dat het papier vochtig moet zijn voor de achtergronden , minder vochtig voor de tussenplans en nog minder voor de voorgrond . Aangezien de indroging zich voltrekt tijdens de arbeid en dat naarmate men van het eerste naar het laatste overgaat , zal alles dus goed kunnen gaan , mits de vochtigheidgraad van het papier niet te groot is ; is het geheel droog , dan kan men de laatste accenten gaan aanbrengen . Het kan zijn nut hebben , om , naar gelang de nagestreefde effecten , nu eens op vochtig , dan weer op droog papier te schilderen en , zelfs als je niet tevoren besloten hebt om volgens het hierboven beschreven systeem te werken , zult je er , minstens ten dele , toe gebracht worden om hen te gaan toepassen . Voor ons tweede voorbeeld ( fig . 9 ) hebben we eerst , zoals nu eenmaal nodig is , de schets gemaakt en wel met potlood en niet met lichte waterverf . Het papier moet immers vochtig zijn en onder de , hier nog sterkere invloed van het water , zouden de schetslijnen in waterverf kans lopen om , althans gedeeltelijk , te verdwijnen . De tekening moet dus krachtig zijn en lang zichtbaar blijven ( fig . 8 ) . Het tweede stadium zal een bijna volledige uitbeelding van het onderwerp moeten geven omdat het papier zijn vochtige staat niet lang behoudt en men dus tijdens deze tweede étappe vrij ver zal moeten gaan ; snelheid en trefzekerheid zullen bij deze techniek goed te pas kunnen komen . De grote moeilijkheid schuilt in het gedrag van de verf . Aangebracht op het papier , dat wel vochtig is , maar aan zijn oppervlakte er dof uitziet , heeft hij de neiging om zich te verspreiden buiten de hem toegemeten grenzen , hetgeen onduidelijkheid en zelf verwarring in de vormen ten gevolge kan hebben . Het is dus aangebracht om de tinten niet geheel tot aan de omtrekken uit te spreiden , maar iets ervoor te laten ophouden , zonder deze lacune te groot te maken . Geplaatst op de normale afstand zal het oog in de voltooide aquarel niets van deze blanke strookjes merken , die overigens door de zuigende werking van het papier toch wel verf zullen hebben opgenomen .
We tonen je niet het tweede stadium , dat nauw verwant is aan het laatste ( fig . 9 ) , die het resultaat is van een afwerking , waarbij bepaalde waarden versterkt werden en bepaalde vaagheden verbeterd op het nu geheel droge papier .
Samenvattend zouden we willen zeggen dat het werken op bevochtigd papier in het bijzonder op zijn plaats is voor bepaalde vloeiende en wazige effecten , zoals vooral het landschap die bezit , maar dat in beginsel deze techniek bij alle soorten van onderwerpen kan worden aangewend . Het is natuurlijk duidelijk dat " droogheid " hier niet gevreesd behoeft te worden , waar tegenover staat dat men zich voor weekheid en vaagheid moet hoeden . Deze immers kunnen het gevolg zijn van een schilderen op te nat papier en een ondeskundig opbrengen van de kleuren .
Art . Nr . 80 . a , Fig . 10 , 11 en 12 . Schets en eerste stadia van de uitvoering . Voltooide aquarel . Hier heeft je een uitmuntend voorbeeld die , wel verre van de arbeid geweld aan te doen, haar juist uitstekend weergeeft ; men voelt als het ware de zwaarte van de bloem en het gekrioel van zijn blaatjes .