eksteroog het oog van de dood 'k heb ze weggesneden dag dood doodzielig als je bekijkt wat er overblijft
wat vel wattig vel en een flauwe geur maar niet doods
wat zou zo'n oog al gezien hebben ginds boven in de lucht beneden in het gras bang krijsend - de ekster dan - niet het oog en dan eten en kijken en eten en kijken en door het oog van de naald kruipen terwijl men eet en leven
natuur
en gaya medelijden met dieren met papieren het schaap het paard het lam lamlendig leuteren de natuur tegennatuurlijk beschermen tegen natuurmoordenaars moeilijk te onderscheiden of verstand wel gunstig is voor het dier mens willen we alles beheersen moeten we dan doden eksterogen wegsnijden proberen dier te zijn en de wet van de sterkste voor ogen hebben of maar schreeuwen tegen het geweld natuur dat we zelf zijn
't was de nacht dat de wolven huilden dat de berg spuwde zijn eeuwig vuur dat oh goddeloze de god zich zelve werd -ik sterf om u te vergeten om weer tot u te keren als gebed dat distilleert - troebel water dat helder wordt in droog zand
't was de dag dat de heuvels hun ruggen bultten als wulpse katten dat de rivieren hun voorhoofd fronsten als oude wijzen dat ik geboren werd als een nieuwe lente
zenuwzieke lentedauw als vloeken veren licht het zweven vogels - open en de bek een hete wonde
de trapeziste die niet blij was in verwachting baarde tenslotte een open baring
en het nieuwe testament kon
herbeginnen waar ge nog niet zijt begonnen zo is uw kunnen nu ten toon (de tent flappert reeds onteerd
Een gedicht van ROGER SERRAS aan mij opgedragen op 27.05.1963 (zie tijdschrift Yang 1 - redactiesecretaris M. Storme). Waar is de tijd ? Roger Serras is ondertussen reeds lang overleden.
zie je de vage sporen skiën naar de verlaten verte witte weiden ... wijde woorden klinken als zwarte stippen tussen grijpende bomen ... de hemel drukt de horizon lange monotonen zoeken klagend trachtend
avond na avond witte bloemen op het raam bloemen in volle maan ijsschotsen op een glazen stroom - varende cimbalen - schurken de oever stuk alsof me de dood komt halen op holle schaatsen door schotse holen en gaten in een donkere lucht
draag me op je kille baren winterwind ijzig eiland van stervende vogels zing een vervroren symfonie speel spinneharpen op zilveren draden en glijd in een verleden van dode bladeren grijs grijnzende wolken uitgeborduurde sneeuwzon kijken naar rillende koumensen ginds ...
mijn koude handen gieren een sirene van kristallen vazen ogen glinsteren als hemeltranen een knotwilg balt zijn houten vuist en tergt de sterren met zijn priemen een hond blaft aaah : een kind dat schreit een moeder is verdwenen in grauwe vries-beboste-boorden nog eenmaal heeft ze ja geknikt de sneeuwman toegelachten toen is ze metalen blik opgelost in zinken zeden zacht en jingle-bells en engelengezang huilend met de wolven want wolven hebben kou als de winter slaat harde hagelstriemen
is mijn geest bevroren met het pinkelende dauwdruppeltje hangt mijn ziel tussen de huppelende sneeuwvlokken buig ik me gelaten voorjaarskind voor het krakende geweld oneindig zoek ik tussen slapende levens daar onder de harde aardschelp als een drabbig kuiken krieuwend spelend fratsend één oog reeds boven het sneeuwgazon spiedend naar iets wat ik vroeger heb geweten
bergen barsten en langs de lange lijn van verre volle vormen glimt een glimworm wonderlijk achtergebleven sprookjesvuur kabouters dansen wild en dan weer zacht tot hun neus rood als winterroosjes openspringt
heb je de sneeuwman gezien heb je de witte sneeuwman gezien de witte wiekse winterman rond en bazig glazig glinsterend in een zieke zon
rozig als een baby eet hij de moederkoek en sluit haar benen olei krijsend achter tralies van het park tragisch lachend om onbegrip volwassen kind zijn sluipend door gras en duinen zeewaarts na de woestijn van denken en niet weten
daar is het dan
twee borsten twee tepels moeilijke keuze
groeiend op haar schoot lacht hij naar haar zij waren eens één galmend de eerste klanken talmend de eerste stappen en dan weer denken en niet weten
grasduinend naar alles nieuwsgierig als de pest eenhandig vragend naar vriendschap en dan de bank op schooljaar een, twee, drie, ... tot het einde van een jeugd gemetselde wetenschap houdt hem recht hij weet nu bijna alles bijna
en dan die andere het verlangen passioneel starend naar haar
twee borsten twee tepels en nog iets hij groeit nu en opent haar benen de cyclus is rond
licht dat je hoort als klamme kleur van je geweten starogen die vergeten dat 't leven dichterbij is naakte sprongen van verlangen een droom klauwen naar de wens te willen schaterlachen om een droeve stunt massahypnose geef acht wreed eekhoorntje dat tracht te leven