draagbaar is mijn last bewogen en stil staand in het moeras van gevoelens
ik zie de vleermuis en de spin het web cirkelt mijn denken rond duisternis kroont mijn hoofd
wanneer het licht verzwaard door stalen stralen mijn ogen doorboort wend ik mij af klim klunzig de heuvel op verdwijn in de mist een vampier op missie
mijn vingers vinden wat ik niet zocht in dit mysterie onbewogen wroet ik mij gevangen wanhopig in een vloed van gezochte woorden ik zwijg nu in een onverstaanbare wereldtaal zodat iedereen die mij begrijpt weet hoe nietig ik ben
ra ra de heer zonder grenzen wie ben ik niet willoos en gevoelloos in de oceaan van noen ik ken geb en noet ik heb mezelf doen ontstaan daar win je mee
de mens heeft een god gemaakt die de mens heeft geschapen naar zijn evenbeeld die de stilte heeft verbroken verstand en domheid ontloken
ja wee diegenen die de wetten zal schenden die in de tafels stonden gegrift slechts uitverkorenen hebben het recht te doden te laten doden te oordelen te veroordelen verscholen in de bushes en andere wilde oorden
ik ben laden en lossen moe geworden in havens van terreur aan de oevers van noen word ik willoos en gevoelloos als een gevallen god
de brug overwatert mijn geheugen elektrolyse van mijn geslacht doorboring de tram rolt steenblauw mijn liefde plat de ammoniakfles spuwt water en vermillioen blauwe bloemen blozen van schuchtere hoogmoed en lachen door een slechte radio HALLO en ik ween met een glimlach drie mooie kinderen dood de moeders schateren hoe schoon wanneer ze droevig zijn alleen met koekenbroodjes
ik klim de koorde op het water in en val tussen de wolken door ik lach op stenen lieve vrouwtjes de steen weg de fiets rijdt steigerend voort ik zie de ketting kraken en druppels van mijn geweten druipen achter mijn kiezen mijn keelgat in
mijn geheugen overwatert de brug geslacht zwemt boven de pijlers slaan stuk de dwarse zinken zacht geslacht zwemt boven
de daken schreeuwen het uit het galmt mijn stem achterna echo van het beleven grijze rook kleurt de vogels slierten van gekwetter en getjilp
een dag begint geraas sirenes gefluister doet mij stilzwijgend bang zijn
de dag begint ik ben een held ik durf alles gebalde taal maakt me groot groter grootst de kleinen onder mij krijsen verbeeld ik mij gefluister doet me stilzwijgend bang zijn
en nu een salto spartelen als een ledenpop een popzanger hees vuisten geknot een held zonder kop
ik schreeuw het uit het galmt mijn hoofd achterna echo van het besterven het duister blinkt reeds in de avond een dag ten einde
kraaien krassen brutaal achter de forten van mijn schrik dan ontwaak ik verdronken transparant op de rand van gekte en plezier