welke kracht heeft nabijheid misschien terloops in een naam genoemd of in nachtkledij wanneer, onbewaakt, tijd de voor -en achterkant volschrijft met een contrasterende stilte
is nabijheid niet meer dan een reiziger zoals een vuur in beweging dat naar buiten groeit, bezit neemt van een opgaande zon die dronken van dwaasheid het tijdelijke beleeft en de horizon vleit met zomer en lichtjes, zo welkom als het raam waardoor je de zee hoort zingen, tot diep in dromen en het begeerlijke van het water
en nadien, ter plekke
zichzelf niet meer vindt in een vreemd echoënde stortvloed van druppels
“iedere droom stuurt me naar de werkelijkheid iedere werkelijkheid stuurt me naar een droom”
neem me mee
de klok luidt nog meer dag ik blijf achter, luister naar de herinnering van mijn naaktheid waar echte vogels de nacht wegvlogen, onbevreesd om uren uit nieuw geluid te winnen
ik verwacht de zee, wil de doofheid uit mezelf wegduwen naar de duinen, rustig ademen zoals de wind rondom golven en de leeshonger van het oninwisselbare
onder de ogen van liefde en leven waarin je kunt plaatsnemen, steeds weer op een ander moment, vrij van falen en het schuilhouden voor het ochtendlicht
al vroeg in het voorjaar schreef ik dit punt diep in mijn buik ik wachtte op een geluid of een ander teken van leven helaas brak het niet open zoals u ziet
paarden stijgen uit het weiland nog vol van nacht ik laat ze voorbij draven en zie hoe een bizarre zeewind kronkelt langs het zout dat bij volle maan werd gewonnen
basaltrivieren banen zich een weg langs de ondergrondse waanzin van mijn ziel
het waaien houdt op zoals het beeld van het water waarin de tijd verglijdt
ik bezit niets zelfs niet het stille gemurmel van mijn droom, naar dood geschreven
ik droomde dat je in mij geloofde het was zichtbaar zoals een traan zachtjes slaapt op de wang van een kind dat aan het huilen wordt gebracht door een lieveheersbeestje gestorven in een smoezelig doosje waarop rode stippen dansten en een zachte zoen
het was in mij misschien slechts met een paar woorden maar meer dan ooit
het kind, het beestje, de dans op het doosje waarin één zwavelstokje verlangde naar licht en hoe het zou zijn om te glinsteren gelukzalig als een Avondster