Maria


Goed op tijd staan Karel en ik op het perron: we komen Maria ophalen. Wanneer de trein stilstaat concentreer ik me vooral op de voorste wagons, Karel kijkt meer achteraan. Eigenzinnig als ze is, stapt Maria in het midden van de trein uit. Blij weerzien, dikke kussen met nog een extra knuffel erbij.
Maria is niet alleen een jeugdvriendin van Karel, ondertussen kunnen we elkaar ook als vriendinnen begroeten en in het schrijversbestaan van zowel Karel als mij is ze niet meer weg te denken. Elke blog leest ze … en wee als iemand een taal- of spellingfout durft neer te zetten. Via de mail leest ze ons dan de levieten … maar op zo’n geestige manier dat je bijna een fout zou willen maken als het een tijdje geleden is dat ze nog eens iets van zich liet horen.
Als vroegere onderwijzeres heeft ze alles gezien, niets ontsnapt aan haar taal-oog. Zo is ze ook in de weer om teksten van Karel na te lezen. Wat zou hij zonder Maria doen? Om maar te zeggen wat een rijkdom Maria in ons leven betekent.
We hadden al lang gezegd dat het weer eens tijd werd om elkaar ‘in levende lijve’ te ontmoeten. En uiteindelijk lukte het dan toch een datum te vinden die voor elk van ons paste. En dan staat ze daar: een kleine, zeventigjarige vrouw, die wel wat moeite heeft om de treintreden te overwinnen, maar met een levendigheid die een uitstraling heeft op iedereen die in haar gezelschap vertoeft.
Het is iets over elven als we thuis toekomen. Natuurlijk koffie … aan gespreksonderwerpen geen gebrek. Als we haar ’s avonds uitwuiven aan de trein van iets over zevenen is de woordenbron nog niet opgedroogd.
We ontdekken dat we een soort gemeenschappelijk verleden hebben. Maria studeerde in Eeklo en toen zij afgestudeerd was, kwam ik er toe. We hebben elkaar dus niet ontmoet … maar kregen wel dezelfde leerkrachten, liepen over hetzelfde uitgebreide domein … en bleken dan ook nog eens gemeenschappelijke kennissen te hebben, want een vriendin in Eeklo heeft een broer die nu bij haar in de buurt woont.
Karel kent Maria sinds zijn kindertijd: hun ouders waren vrienden, zelfs verre familie. Dus veel gemeenschappelijke familieverhalen. Het is boeiend de mensen van toen weer tot leven te laten komen. Hun hebbelijkheden maar ook de waarde die ze aanboden in een jong leven. Ik heb die mensen nooit gekend, daarvoor ben ik te laat in het leven van Karel gekomen. Die gesprekken bieden me dan de kans om even aan mijn ‘oude aanwezigen’ te denken. Mijn grootvader die een reus leek (in onze familie waren we allemaal nogal groot, er zijn verschillend neven die de twee meter halen) en die één oog dichtkneep en dan kon zeggen hoe groot de afstand was tussen … ik heb dat altijd enorm gevonden: dat vertrouwen in zijn eigen zintuigen.
Natuurlijk zijn er ook de verhalen waarin het sprookje niet eindigt op ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. De verhalen zijn zo menselijk, zo herkenbaar. Gelukkig kunnen we ze aan elkaar vertellen. Door tot taal te worden verkrijgen de ervaringen mogelijkheid tot integreren in de innerlijke wereld en daardoor de ruimte om die ervaringen weer vanuit een andere invalshoek te benaderen.
Daarom moeten vriend(inn)en gekoesterd worden: je kan je bij elkaar uitspreken in het weten dat je luisterbereidheid ontmoet, medeleven vindt, troost zal aangeboden worden.
En natuurlijk vliegt zo’n dag om. Voor je het beseft zwaai je elkaar weer uit.
Wanneer ik thuiskom stuur ik Maria nog een mail met de vraag of de reis goed verlopen is. Ja, ze is veilig geland … en hopelijk kunnen we zo’n dag nog dikwijls meemaken.














