Rondkijken
En zo beginnen we aan een rondrit door mijn herinneringen. Eerst toeren we even door de ‘campus Sint-Helena’. Het woord ‘campus’ doet vreemd aan in verband met mijn geboortedorp: ik heb dat woord nooit horen uitspreken zolang ik er woonde. Zo merk ik dat de moderniteit zich niet alleen aanmeldt in bakstenen, maar ook in woordgebruik. En ja, we rijden nog even verder, want daar staat een beeld van mijn vader (mijn vader tekende, schilderde en heeft verschillende beelden gelast, een techniek die zijn derde zoon ook zou hanteren en verfijnen). De ruwe vormgeving contrasteert met het tedere gebaar dat de Samaritaan maakt voor de kwetsbare mens in zijn armen. Het past daar zo mooi midden de nieuwe gebouwen waarbinnen zorg verleend wordt aan mensen die niet meer zelfstandig kunnen wonen.
Ik vraag mijn neef of we ook even terug naar de school kunnen rijden waar ik als kind leerde lezen, schrijven en rekenen. Met de bus waren we er voorbij voor ik er echt erg in had. Natuurlijk kan dat, dan zij we meteen in het centrum van het dorp.
Het gebouw is verouderd en aan de voorkant ziet het er nauwelijks onderhouden uit. Het linkse deel was vroeger het klooster van de nonnen die de school open hielden en er les gaven. Ik denk dat er zo’n zevental nonnen samenleefden, onder wie een moeder-overste en een keukenzuster. De andere nonnen stonden in het onderwijs. Ik moet ontdekken hoe de deur, die toegang gaf tot het woongedeelte van die groep samenlevende vrouwen, in mijn herinnering veel breder was dan wat ik nu te zien krijg. Daarbij was die deur in mooi donker hout met een koperen beslag als klink en een ijzeren stang om de bel te luiden. Nu is die toegangsdeur vervangen door een eenvoudige, turkoois geverfde deur ... of is het dezelfde deur? Die kleur straalt wel frisheid uit waardoor ze toegankelijker lijkt voor de gebruikers. In mijn herinnering straalde die deur iets verhevens uit, want daarachter woonde een niet te evenaren heiligheid, waar alleen eerbied voor mocht opgebracht worden. Ik weet niet of ik ooit via die deur ben binnengestapt. Wel moet ik om een of andere reden tot het klooster zijn toegelaten op een bepaald moment, want ik herinner me de kapel in het gebouw en de grote brede (of was hij niet breed) trap van op het gelijkvloers naar die kapel op de eerste verdieping. In de keuken ben ik dan ook geweest: een grote, nogal lege ruimte die uitgaf op de eetruimte ernaast: ongezellig en in de winter waarschijnlijk niet te verwarmen, zelfs als kind had ik die indruk al.
Een tiental meter verder, tussen de kloosterpoort en het aangrenzende burgerhuis, ontdek ik dan de ‘schoolpoort’ en de ‘grootte’ van die poort valt erg tegen. Onze garagepoort is groter, terwijl ik me die poort herinner als een donkere ruimte (de uitgang was overwelfd) die dan uitgaf op straat en waarbij het licht binnen viel als de poort open stond en we terug naar huis mochten. Ook die poort is turkoois geverfd, terwijl vroeger die ook waardig bruin was.
Feitelijk zou ik nog wel eens willen binnen stappen om te kijken wat er met de klaslokalen gebeurd is. Zijn het dezelfde gebleven of is achter de gevel alles vernieuwd?
Ik ging graag naar school, ik ‘leerde’ gemakkelijk en beleefde plezier aan wat me aangereikt werd. Wellicht het meest doordringend waren de verhalen over Jezus in het derde leerjaar: wat kon die non erg goed vertellen. Zo zat ik met tranen in de ogen te luisteren hoe Jezus naar zijn dode vriend Lazarus ging en daar zo’n verdriet om had, dat hij zijn vriend weer tot leven wekte, want Jezus kon wonderen verrichten.
In het echte leven is afscheid nemen wel niet zo eenvoudig op te lossen. Maar ik hield erg van sprookjes, dus waarom ook niet van die sprookjesachtige bijbelverhalen?





