Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Derde deel)
Het interview met Omsk Van Togenbirger. (Derde deel)
OVT: Begrijp mij nu niet verkeerd, zo verbreekt Omsk de stilte:
niemand beweert dat kennis een illusie is. Wel is het zo dat kennis
die niet in betrekking staat tot de werkelijkheid, helemaal geen
kennis is. Als men eerst afspreekt wat getallen zijn en wat
bewerkingen op die getallen zijn, dan doet men eigenlijk niets
anders dan spelregels vastleggen en het spel dat men dan speelt
wanneer men aan het rekenen gaat, kan best leuk zijn maar over
de werkelijkheid buiten het spel zelf, wordt helemaal niets gezegd
of gekend. Wel is het soms mogelijk om een spel met de
werkelijkheid te verbinden en dan lijkt het alsof men orde in de
dingen brengt maar dat blijft allemaal heel relatief. Het
aanbrengen van orde is tenslotte niets anders dan het
vereenvoudigen van zaken die op zich chaotisch zijn: men
verandert de dingen om ze te kunnen inpassen in vaste begrippen
zoals men kleren opvouwt om ze in een kast te kunnen leggen.
Maar zoals men zich met die kleren pas terug kan aankleden als
men ze eerst weer ontvouwt, zo ook verandert onze ordening de
dingen in die mate dat men er eigenlijk nog weinig kan mee
aanvangen.
– Als ik het goed begrijp, zijn er dus twee werelden die eigenlijk
onderling onverenigbaar zijn: enerzijds de werkelijkheid buiten
ons en anderzijds... wat wij er binnen in onszelf over denken?
OVT: Ha, dat is natuurlijk een bijzondere valstrik! Lang heeft men
dat volgehouden, die opvatting over de twee werelden: stof en
geest, lichaam en ziel, aarde en hemel, zelfs de tweedeling van
goed en kwaad had er mee te maken!
– Er zijn geen twee werelden?
OVT: Welnee, beslist niet! Hoe zou dat nu het geval kunnen zijn?
– Is er dan één wereld?
OVT: Dat is wat sommigen beweren, ja. Er zijn er die zeggen dat
alles stof is, materie en energie, en onze gedachten zouden dan
afscheidingen zijn van onze hersenen. Anderen beweren dat alles
geest is: de materiële wereld bestaat vooral in onze geest maar of
hij ook op zichzelf bestaat, valt nog te bezien. En als wij geloven
dat hij wel moet bestaan buiten ons, bijvoorbeeld om het mogelijk
te maken dat wij allen dezelfde buitenwereld beleven, dan is het
de heilige geest die daarvoor borg staat. Zowel de ene als de
andere opvatting is verdedigbaar, zij het met een beperkte
houdbaarheid. Maar alleen al het feit dat twee tegengestelde
uitgangspunten voor mogelijk gehouden worden, ondermijnt hun
geloofwaardigheid. We zitten daar duidelijk in een doodlopend
straatje.
– En wat is dan wel het geval?
OVT: Het hemd is nader dan de rok: die vaststelling moet ons
uitgangspunt wezen. Wij moeten datgene als waarheid erkennen
wat wij onmogelijk kunnen ontkennen, datgene wat noodzakelijk
waar is, wat niet onwaar kan zijn.
– En dat is?
OVT: Dat weet je zelf goed genoeg en wel uit eigen ondervinding.
Wat is het meest nader aan uzelf? Het hemd is nader dan de rok
maar wat is nog nader dan het hemd?
– Het lijf.
OVT: Precies, maar wat dan aan het lijf kan men onmogelijk
negeren?
– De pijn.
OVT: Zie je wel dat je het weet. Niemand is in staat om te
ontkennen dat hij pijn heeft als hij die heeft. Maar wat betekent
dat?
– Geen idee.
OVT: Het wil uiteraard zeggen dat niemand in staat is om zijn
eigen bestaan te ontkennen.
– Dat is niet makkelijk om te vatten...
OVT: Denk dan aan het volgende: waarom grijpen sommigen naar
euthanasie wanneer hun einde nadert en het lijden zich
aankondigt?
– Ze willen dat het lijden ophoudt?
OVT: Ja, maar hoe willen ze dat doel bereiken?
– Door zichzelf van het leven te beroven of te laten beroven...
OVT: Zij geloven dat het lijden zal ophouden van zodra zij zelf
ook ophouden met bestaan, begrijp je?
– Lijkt me logisch, ja.
OVT: Het probleem is wel dat niemand met zekerheid kan weten
of hij of zij inderdaad ophoudt met bestaan op het ogenblik dat hij
ophoudt met leven.
– Dat lijkt moeilijk te bevatten...
OVT: Zeker, maar is het ook moeilijk te bevatten dat de zekerheid
ontbreekt over het feit of men wel ophoudt met bestaan van zodra
men ophoudt met leven?
– Als men ervan uitgaat dat het leven de
mogelijkheidsvoorwaarde is voor het bestaan, dan is het ook
logisch dat men ophoudt met bestaan van zodra men niet langer
leeft.
OVT: Daar zeg je het, mijn beste: als, als, als... je ervan uitgaat
dat! Maar dat is één uitgangspunt en wie zegt dat dit de waarheid
is? Kun je dat weten of kun je het alleen geloven?
– Je kunt dat alleen maar geloven, zo lijkt het mij.
OVT: Inderdaad: wie zich euthanaseren of zelfmoorden, die
hopen dat ze er na die daad niet meer zijn. De kwestie is nu of die
hoop volstaat om te bewerken dat men er dan inderdaad niet
langer is! Is het met andere woorden voldoende om iets te hopen
opdat het ook nog waar zou zijn?
– Beslist niet.
OVT: Welaan dan: dit misverstand moge nu alvast opgeruimd zijn.
Het hemd is nader dan de rok, het lijf is nader dan het hemd, maar
tevens geldt dan ook dat het bestaan nader is dan het leven,
nietwaar?
– Ik weet niet zeker of ik het wel helemaal begrijp...
OVT: Je veronderstelt dat je bestaat bij de gratie van het leven
maar zeker weten doe je dat niet: je veronderstelt dat op grond van
een zekere opvatting over het leven terwijl je niet weet of die
opvatting ook nog de waarheid is.
– Ik zie niet hoe ik dat zou kunnen tegenspreken...
OVT: Maar voel je dan niet dat de ervaring dat je bestaat, nader is
dan de ervaring dat je leeft?
– Ik begrijp niet wat je bedoelt...
OVT: Voel je niet dat het gevoel dat je bestaat en dat je uitdrukt
door te zeggen: “Ik ben”, directer is of dichter bij jezelf staat dan
de opvatting dat je leeft en dat je er bent omdat je leeft?
– Wel...
OVT: Is het niet uitgerekend in de pijn dat je jezelf bent, dat je
niet meer kan negeren dat je bestaat? Val je niet samen met je pijn,
als je pijn hebt? En is het niet uitgerekend dat wat pijn zo erg
maakt? Je kan de pijn niet vluchten omdat je die zelf bent, als je
die hebt.
– Ja...
OVT: De pijn is de kennis die in betrekking staat tot de
werkelijkheid. De pijn is de kennis van de werkelijkheid. De pijn
is de ware kennis. De waarheid is dat de ware werkelijkheid
samenvalt met de pijn én met je eigenste bestaan. Je kunt jezelf
niet bevrijden van je pijn omdat je ermee samenvalt en pas als je
pijn hebt, kun je niet meer betwijfelen dat je bestaat. De pijn wordt
noodzakelijk ervaren door het ik en alleen daar is elke twijfel aan
het feit of dit waar is, uitgesloten. Je twijfelt slechts op straffe van
nog meer pijn en dat wil je niet, dus ben je op dat punt heel zeker.
Volg je nog?
– Maar dan worden wij gedwongen om met de werkelijkheid in
betrekking te staan?
OVT: De pijn dwingt ons daartoe. En dat is een goede zaak.
– Waarom?
OVT: Anders bleven wij in een droom gevangen zitten.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 23 april 2021)


