Heinrich Heine
|
Heinrich Heine De vrijheid van meningsuiting is een mensenrecht krachtens de artikels 18 en 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: volgens artikel 18 mag men een eigen overtuiging hebben en die ook onderwijzen; artikel 19 zegt meer specifiek: “Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.” (1) In de praktijk wordt de vrijheid van meningsuiting uiteraard beperkt door andere vrijheden en zo bijvoorbeeld mag men geen beledigingen uiten. Maar er is nog een andersoortig probleem dat de vrijheid van meningsuiting bijzonder problematisch maakt en dat heeft te maken met de waarheid of, meer specifiek, met het feit van de diversiteit aan opvattingen omtrent de waarheid. De kwestie of een mening dan waar hoeft te zijn, brengt het probleem meteen ten berde omdat daarbij reeds (onterecht) wordt verondersteld dat waarheid altijd en overal een uit te maken, een uitgemaakte en een transparante zaak is. Om meteen het meest prangende voorbeeld aan te halen: in een theocratie belichaamt de godheid de waarheid die meteen ook wet is, wat impliceert dat 'persoonlijke meningen' daar sowieso ondingen zijn omdat iedereen er per definitie één en dezelfde 'mening' is toegedaan, welke zodoende dient te stroken met de waarheid die door god gegeven wordt en die ook wet is. Meningen kunnen er alleen nog zijn over de interpretatie van de wet of van de geschreven beginselen en die klus wordt overgelaten aan exegeten die weliswaar ook onderling in conflict (kunnen) komen, zoals dat bijvoorbeeld het geval is met de splitsing van de islam in enerzijds een sjiitische en anderzijds een soennitische stroming of met het christendom en zijn vele schisma's, overigens immer met bloedige oorlogen tot gevolg. Het probleem dat zich vandaag voordoet zal uiteraard hiermee te maken hebben, ook al wordt het als zodanig niet erkend. Meer bepaald is het zo dat daar waar de aanhangers van de zogenaamde Verlichting aan de macht zijn gekomen, zij met de woorden die zij Voltaire in de mond hebben gelegd weliswaar belijden dat elkeen vrij moet zijn om zijn mening te kunnen uiten maar tegelijk ontkennen zij ook ten stelligste dat het atheïsme een geloof is zoals elk ander en weigeren zij om in te zien dat de wetenschap het geloof is van de nieuwe tijd. De volgelingen van de Verlichting verengen met andere woorden het begrip 'waarheid' tot dat van 'wetenschappelijke waarheid', waarbij zij weliswaar uiteraard niet kunnen ontkennen dat wetenschappelijke waarheden per definitie voorlopig zijn - aangezien wetenschap onophoudelijk evolueert - maar 'voorlopig' betekent ook 'tijdelijk waar' en dus op de keper beschouwd 'onwaar' want niet strokend met de 'ultieme waarheid' - waarin zij weliswaar geloven terwijl zij echter eveneens kunnen weten dat die zich nooit ofte nimmer zal realiseren. Tussen haakjes: Socrates werd door het orakel van Delphi uitgeroepen tot de meest wijze man onder de Atheners omdat hij de enige was die wist dat hij niets wist en naar zijn voorbeeld zijn derhalve alleen die gelovigen wijs die beseffen dat zij de waarheid niet kennen - als dit al niet een contradictie is. Maar wetenschappelijke waarheden zijn niet alleen kaduuk wegens hun voorlopigheidskarakter: met uitzondering van de wiskunde die een gebied bestrijkt dat, zoals reeds Descartes bevroedde, volstrekt discrepant is met de realiteit van het leven, missen de wetenschappen bovendien de universaliteit die zij nochtans hoog in hun vaandel menen te mogen voeren. En zij missen die uitgerekend omdat zij niet anders kunnen dan ruimte te geven aan discussie ingevolge de open debatcultuur die uiteraard geen alternatieven kan toestaan omdat principieel iedereen moet kunnen participeren aan de wetenschappelijke besluitvorming en dit wegens het geloof dat principieel elke mens van nature toegang heeft tot de waarheid - waarbij andermaal naar Descartes dient te worden verwezen, meer bepaald naar zijn notie van 'gezond verstand'. Edoch, ook moet hier worden verwezen naar de heersende geloofsopvattingen die immers eisen dat mensen in staat zijn om de waarheid te kennen teneinde hen voor hun daden verantwoordelijk te kunnen stellen en aldus rechtspraak mogelijk te kunnen maken. Wetenschappelijke waarheden zijn voorlopig en zij vormen tevens onderwerp van discussie, zodat de uitspraken waarmee zij samenvallen per definitie gelinkt zijn aan welbepaalde beoefenaars van de wetenschap. Aanhangers van de Verlichting zullen het met hand en tand bestrijden maar wat zopas geconcludeerd werd, betekent in wezen dat - uiteindelijk - ook wetenschappelijke waarheden tot meningen terug te voeren zijn. Deze penibele besluiten dringen zich in deze tijd onafwendbaar naar het voorplan in de bizarre politieke context van een pandemie omdat zij uiteraard niet alleen te maken hebben met meningen en met waarheden maar tevens met rechten en derhalve met vrijheden, terwijl daar waar in vrijheden gemarchandeerd wordt, vanzelfsprekend macht en geweld aan de orde zijn. En het is uitgerekend op deze manier dat de intussen ingeburgerde, negenennegentig jaar oude uitspraak van Heinrich Heine moet begrepen worden, dat daar waar boeken worden verbrand, dit lot uiteindelijk ook aan mensen zal toekomen. (J.B., 18 januari 2022) |





