Corona, het nieuwe Zyklon-B? Aflevering 31
|
Corona, het nieuwe Zyklon-B? Aflevering 31 De Nederlandse socioloog Abram De Swaan heeft het grondig onderzocht en beschreven in zijn Compartimenten van vernietiging; over genocidale regimes en hun daders (2014) aan de hand van de goed bewaarde gegevens uit onder meer de volkerenmoord in Rwanda waar de strijd tussen vermeend andere rassen in 1994 leidde tot een genocide met een miljoen Tutsi-slachtoffers: stelt men zich de vraag naar hoe het allemaal is kunnen gebeuren, dan kan het antwoord kort en krachtig luiden dat, eenmaal de waanzin van het moorden aan de gang is, er twee kampen ontstaan en daar waar de misdaadgolf passeert, sluiten de mensen zich dan aan bij het moordende en dus het 'winnende' kamp om niet te gaan behoren tot de verliezende groep op wie jacht wordt gemaakt. (1) De cultuur van geheimhouding vindt in dezelfde realiteit zijn reden van bestaan: niet de slachtoffers jagen angst aan maar wel het slachtofferschap en dus de daders en derhalve kiest men de kant van deze laatsten, hetzij op een actieve manier - door te participeren aan de misdaden - hetzij passief - door de andere kant op te kijken, door te zwijgen. Het zwijgen van de getuigen is de schijnbare onverschilligheid en over de onverschilligheid als zodanig schrijft Primo Levi in Se questo è un uomo uit 1947 (2) dat zij erger nog is dan de misdaden zelf welke zij verzwijgen. Het zwijgen uit angst is ook verwant met het negationisme dat - nog lang na de gebeurtenissen - doorwerkt als een gesettelde angst of een trauma. Achter een façade van totaal misplaatste stoerdoenerij (zoals bij uitstek bij neonazi's het geval is) schuilen vrees en lafheid: houdingen welke regelrecht in strijd zijn met de stelling van Plato dat het verkieslijker is kwaad te ondergaan dan het te doen. (3) De oorlog is het verlengstuk van de economie en derhalve zijn de twee kampen met enerzijds de misdadigers en anderzijds de slachtoffers ook reeds in het strijdperk van de economie een realiteit welke vaak heel anders wordt voorgesteld dan deze in feite is. Men spreekt gemeenzaam over de werkenden en de werklozen en men beschouwt de eersten als de 'gevers' en de laatsten als de 'krijgers' maar in de huidige socio-economische constellatie is de identificatie van werken met geld verdienen of een job hebben geheel onterecht en ware het rechtvaardiger om het te hebben over enerzijds degenen die het geld naar zich toetrekken en anderzijds zij die het moeten derven. Per slot van rekening werkt sowieso iedereen naar best vermogen vanuit de fundamenteel menselijke drang om een bijdrage te kunnen leveren aan de gemeenschap, terwijl het bovendien helemaal niet waar is dat de werkelijke verdiensten overeenkomen met de financiële: hardwerkende mensen met lage lonen sterven gemiddeld tien jaar eerder dan goed betaalde burgers met een comfortabele, vaste en stressvrije job. Slaven die helemaal niets overhouden, werken het hardste en sterven reeds jong. Gemiddeld moeten in de derde en de vierde wereld vijfenveertig slaven - en dat zijn per definitie mensen zonder job - werken om de hoge levensstandaard van één doorsnee westerling - mét job - te garanderen. In de economische realiteit streeft men ernaar om aan de kant van de grootverdieners te staan om aldus te ontsnappen aan wat het equivalent is van de moord in de eigenlijke oorlog. Steuntrekkers zijn maatschappelijk buiten spel gezet en zien hun rechten vaak op de helling komen te staan; zij moeten zich dikwijls tevreden stellen met willekeurige, onaangepaste en onderbetaalde opdrachten, zonder werkzekerheid, zonder status en onder de voortdurende spokerige dreiging de financiële steun waarop zij recht hebben, te zullen verliezen; zij situeren zich helemaal onderaan de pikorde en de frustraties die alle carrièremakers oplopen in de nimmer pauzerende tredmolen van eindeloze uitbreiding, wendbaarheid en overuren, worden gelijk kwalijke uitlaatgassen genadeloos in hun richting geblazen. Armen worden niet vermoord, zij sterven alleen vroeger omdat zij onvoldoende middelen ter beschikking hebben om hun gezondheid te handhaven, om vijandschap af te wenden en om het geluk te ervaren dat heden immers verworden is tot een kwestie van sociale vergelijking. Er zijn momenteel evenwel geen gaskamers in de buurt maar die zijn quasi overbodig omdat de lucht in de steden de mensen doet stikken: alleen de rijken hebben nog groene tuinen en kunnen op tijd en stond op reis naar plekken met voldoende zuurstof. Plato's hoger geciteerde stelling welke in feite pleit voor het goede geweten of de geruste ziel belandt in dezelfde papiermand waarin eerder de idee van het bestaan van de ziel zelf werd weggeworpen. (Wordt vervolgd) (J.B., 17 februari 2022) Verwijzingen: (1) Zie: 330786.pdf (bloggen.be) (2) In de Nederlandse vertaling: Eens was ik een mens (1963) en Is dit een mens (1987). (3) Plato, Gorgias, p. 20, in: Platoon, Verzameld Werk, deel 5 (ISBN 90 6030 383 0), in een Nederlandse vertaling door de School voor Filosofie, Amsterdam, Copyright: © 2011, Stichting Ars Floreat, Postbus 74082, 1070 BB Amsterdam. |


